Akelei, biodiversiteit van eigen bodem

Akelei is een 4 hectaren groot biologisch-dynamisch tuinbouwbedrijf in Schriek, in het Mechelse tuinbouwgebied. Op het bedrijf vind je een veertigtal gewassen, allemaal in volle grond. Het gaat zowel om de basisgewassen ajuin, wortelen, prei en aardappelen als om fijnere gewassen zoals winterpostelein, rucola, tuinkers, kruiden. In het seizoen vullen een aantal zachte vruchten het gamma aan: aardbeien, frambozen en bessen. Het bedrijf wordt uitgebaat door Greet Lambrechts en Johan D’Hulster.
Greet Lambrechts: ‘Met het bedrijf streven we ernaar de schakel tussen producent en consument zo kort mogelijk te houden. Zo krijgt de consument een vers geoogst product van goede kwaliteit en weet hij waar het voedsel vandaan komt. De producent weet voor wie hij teelt. Je hebt voeling met elkaar. De producten worden afgezet via de winkel op het bedrijf, via een marktkramer en voor een deel via de groothandel. Sinds een drietal jaar zijn we van start gegaan met groentepakketten, een initiatief van de organisatie Voedselteams. Zo stellen we wekelijks een honderddertigtal verrassingspakketten samen met de groenten die op dat ogenblik oogstklaar zijn. Die worden afgeleverd op bepaalde afhaalpunten voor een groep consumenten die zich verbonden hebben tot gezamenlijke aankoop direct bij de producent.’
Het groentebedrijf Akelei is in biologisch Vlaanderen een begrip, een symboolbedrijf.

Bij het aankomen op de boerderij proef je meteen een speciale sfeer, een aparte stijl die nog het best is te omschrijven als warmte. Ondanks de intensieve werkzaamheden heerst er rust. Op dit bedrijf zijn duidelijk heel andere keuzes gemaakt dan maximalisatie van de productie en van het inkomen. Die keuzes worden gemaakt door Greet Lambrechts en Johan D’Hulster. Hun persoonlijke levensgeschiedenis heeft vorm gegeven aan het bedrijf.

Weinig geld maar veel idealisme


Johan had op zijn tiende een roeping voor tuinbouwer, ook al wist hij niet precies waarover dat ging. Die roeping heeft hem nooit meer losgelaten. Tijdens zijn lange opleidingsperiode maakte hij ogenschijnlijk wel zijsprongen die zouden kunnen wijzen op andere interesses. Johan studeerde twee jaar economie, volgde bijscholingen mechanisatie (tractor) en bosbouw en liep stage bij landbouwers. Nadien kwam hij terecht op een Nederlands pioniersbedrijf in de tuinbouw, waar hij al snel een grote verantwoordelijkheid opnam.

Johan: ‘Ik volgde er een opleiding serreteelt. Gedurende twee jaar heb ik er tomaten en komkommers op steenwol geteeld, iets waarvan ik met mijn volle overtuiging wist dat het niet voor mij was weggelegd. Maar ik heb er ook ontzettend veel plezier aan gehad en heb er veel geleerd.’

Na twee en een half jaar Nederland kwam hij terug naar België en ging op zoek naar grond om te starten met een tuinbouwbedrijf. Eerst in de buurt van het Leuvense, een stad met veel jonge mensen waar heel wat beweegt. Na een half jaar zoeken kwam hij in Schriek terecht, op twintig kilometer van Leuven.’ D’Hulster: ‘Je weet hoe die openbare verkopen er aan toe gaan, in een barstensvol café. Ik had tweehonderdduizend frank en betaalde toen 2,4 miljoen voor deze boerderij tegen een intrest van vijftien procent! Ik had geen idee van het avontuur waarin ik me begaf. Vanuit puur economisch oogpunt was het onverantwoord. Enkele keren was het beslist kantje boordje. We zijn er gelukkig overheen gekomen met een grote dosis idealisme maar het heeft me wel tien jaar bloed, zweet en tranen gekost.

Mijn toenmalig idee was om te gaan werken voor de groothandel. Er waren daartoe destijds vrij veel mogelijkheden. Vijftien jaar geleden was het gemakkelijker om biologisch te telen dan vandaag. Het is nu technisch veel moeilijker geworden en de prijzen zijn vandaag veel minder interessant. Als ik toen over de kennis en de technische mogelijkheden had beschikt die ik nu heb, dan was ik schatrijk geworden. De eerste jaren hebben we veel geld verloren aan faillissementen van groothandels en aan belastingen. Het tweede of het derde jaar had ik driehonderdduizend frank verdiend. Die heb ik door een stommiteit integraal aan de belastingen moeten afdragen.’

‘De eerste jaren waren erg bewogen en boeiend. Ook op het vlak van de medewerkers die zich fantastisch ingezet hebben tegen lage lonen. Ze zijn uiteindelijk allemaal een beetje onze vrienden geworden. Als je kijkt naar de reeks mensen die op het bedrijf zijn gepasseerd, mensen die allemaal een goeie tijd gehad hebben, waar ze zelf ook veel deugd aan beleefd hebben, dan hebben we ook al een lange sociale geschiedenis achter de rug. Daar kijken we met veel plezier en dankbaarheid op terug.

In het begin wilde ik dus graag grootschalig te werk gaan. Het zijn de omstandigheden die me in de huidige richting hebben geduwd. Ik herinner me dat de eerste klant die hier over de vloer kwam, vroeg naar appels. Ik had die zelf niet maar ben dan een kist appels gaan kopen bij een boer uit de buurt, voor het geval er nog andere klanten naar appels zouden vragen. De thuisverkoop is vanzelf op gang gekomen, zonder dat ik daarvoor iets ondernam. De mensen kwamen gewoon naar hier. Ik zette een tafeltje met producten in de achterkamer, een oude koeienstal en dat was het eerste winkeltje.’

‘Een belangrijke omwenteling op het bedrijf kwam er na een vijftal jaar en hing samen met de komst van een vriend, Geert Yserbyt. Geert heeft een seizoen intensief meegewerkt. Hij had een heel duidelijke visie op dit bedrijf en dat bleek een visie te zijn die ook bij mij sluimerde. Hij stelde dat elk bedrijf een bepaalde identiteit heeft en ingepast wordt in het landschap. Zo’n bedrijf is een gemengd bedrijf met naast planten ook dieren. Ook het sociale aspect is in deze visie belangrijk, zoals de band met de consument. Dat zijn typische aspecten van het biodynamisch landbouwbedrijf. We hebben toen de fundamentele keuze gemaakt om die weg op te gaan.

Dat was ook het jaar waarin ik Greet ontmoette. Het is pas toen we ons met zijn tweeën, als man en vrouw, achter het bedrijf hebben geschaard dat het project langzaam maar zeker de huidige vorm heeft gekregen.

Terwijl ons loon in de beginjaren erg marginaal was, hebben we nu, tien jaar na de start, een vergelijkbaar maatschappelijk loonniveau bereikt. Die minieme opbrengst hoort blijkbaar bij pioniersarbeid, onze inzet was geschraagd op idealisme. In die tijd lieten we nuchtere economische overwegingen weleens achterwege. Dat doen we nog wel af en toe, maar we hebben toch wat meer realiteitszin gekregen.’

‘Ook Wervel (Werkgroep voor rechtvaardige en verantwoorde landbouw) heeft een rol gespeeld in de ontwikkeling van ons bedrijf. Lus Mussche kwam hier wekelijks in de winkel. Ik kon in haar ogen duidelijk het wantrouwen lezen: ‘Is dit nu wel echt biologisch en kan het wel dat iemand zo teelt?’ Maar ze kwam wel iedere week terug. Op een bepaald moment vertelde ze me dat ze lid was van Wervel en nodigde me uit bij de groep aan te sluiten. Ik voelde me dadelijk aangesproken. De tijd met Wervel heeft absoluut mijn blik op het landbouwgebeuren verruimd naar andere delen van de wereld.
 Ook het boek van Herman Verbeeck ‘In boerenhanden’ was een openbaring voor mij. Ik ben me ervan bewust geworden dat we in de landbouw met een wereldwijd probleem zitten en dat we van elkaar afhankelijk zijn. De samenwerking met Wervel heeft onze visie op onze manier van werken verstevigd en daarvoor ben ik erg dankbaar. Het mooie in de ervaring met Lus is dat er een moment van ommekeer is gekomen en zij al haar vertrouwen heeft gegeven. Het is zelfs zo dat zij aangeboden heeft om op vrijwillige basis wekelijks te komen poetsen in de nieuwe winkelruimte. Ze heeft dat een tweetal jaar gedaan, waarvoor wij haar nog steeds ontzettend dankbaar zijn! We zien dat vele klanten eerst met een wantrouwige blik de winkel binnenkomen en heel goed naar de prijzen kijken. Dan komt er een psychologische ommekeer en spelen de prijzen geen rol meer omdat er vertrouwen is gecreërd.’

‘Biodynamisch’ gemodificeerd


Het verhaal van Greet begint in Duitsland. Na een opleiding kinesitherapie en enkele jaren werkervaring komt ze er terecht op een ‘leerbedrijf’, zoals dat heet in Duitsland, gericht tot jonge mensen. Het was een biodynamisch land-en tuinbouwbedrijf, met maar liefst zeventien hectare enkel voor de tuinbouw en een compleet assortiment van alle seizoensgroenten.

Greet: ‘We waren toen met zeventien of achttien jongeren. Een deel wilde het vak leren, een ander deel had net de humaniora beëindigd en wilde in afwachting van de hogere studies iets praktisch leren. Dat was heel gewoon in Duitsland. Als je toekomt op het leerbedrijf, begin je met het opknappen van klussen. Je leert het vak al doende en onder toezicht van een leermeester. Door overal te komen op het bedrijf en mee te werken krijg je stilaan de mogelijkheid om in een bepaalde hiërarchie op te stijgen, zeker als je, zoals ik, de landbouwberoepsopleiding wilt volgen. Voor die opleiding moest ik gedurende drie jaar een dag per week naar de stad. Na het examen voor de middenjury kregen we het statuut ‘gezel’. Voor de gezellen begint dan normaal gezien de ‘Wanderzeit’. Ze trekken het land door en bieden hun diensten aan bij andere bedrijven.’

Lambrechts kwam in die verkenningsperiode terecht bij een zekere Peter Raatsie, die gespecialiseerd was in plantenveredeling in de groente- en de graanteelt volgens de bio-dynamische methode. Gedurende een jaar werkte ze op zijn bedrijf, waar ze een leefgemeenschap vond die vertrok vanuit een bijzonder concept van landbouw bedrijven. Greet: ‘Absoluut boeiend was de manier van omgaan met de planten, het verkennen van het krachtspel in de planten, het waarnemen van de interactie tussen plant en landschap en het omgaan met de erfelijkheidsfactoren van de planten. De klassieke manier van omgaan met erfelijkheidsfactoren vertrekt van de DNA-structuren van de plantcellen.
In de visie van die mensen werd dat helemaal omgekeerd. Het uitgangspunt werd het dynamiseren van planten in wisselwerking met het landschap, met de bedoeling om bepaalde eigenschappen van de plant meer tot uitdrukking te laten komen en ze de mogelijkheid te geven zich te ontwikkelen in het landschap of op het bedrijf. Zelf heb ik dat vooral bij de graanteelt gevolgd. Vooral op het vlak van de roggevariëteiten was men daar vrij ver gevorderd. Peter Raatsie werkte verder op de principes van Georg Schmidt. Door de plant in verschillende landschappen te brengen en op verschillende momenten uit te zaaien, merkte hij dat de ene variëteit neigde tot een meer uitgesproken bakkwaliteit terwijl andere planten zich eerder ontwikkelden in functie van de voortplanting. De enorme verscheidenheid van verschillende plantentypes die in de plant aanwezig zijn, kon hij op dergelijke manier ‘naar buiten laten komen’.

Bij de start van dergelijke experimenten is het moeilijk enige lijn te onderscheiden. Het is dan nog enigszins chaotisch. Na verloop van tijd komt er een basis aan gegevens beschikbaar, die voldoende zijn om te kunnen uitmaken waar de teler met de plant naartoe wil, in welk soort landschap zij best kadert en voor welke functie zij het meest geschikt is. Of graan bijvoorbeeld vooral ziekteresistent is, of bestendig is tegen legering (graan dat niet gaat liggen onder invloed van regen en wind omdat het een stevigere stengel heeft), of graan dat een goede bakkwaliteit oplevert, of ook graan dat in specifiek moeilijke klimatologische omstandigheden kan gedijen.

Peter Raatsie probeerde deze principes toe te passen in de groenteteelt. Zo hebben we interessante experimenten gedaan op erwten, rode bieten, wortelen en sla. Voor Peter was de natuur een hele wereld van elementen die op elkaar inwerken. Voor mij was dit alles niet zo makkelijk waarneembaar, ik kon lang niet zo veel zien als hij. Wel heel duidelijk was de enorme biodiversiteit: de ene plant zet zich zeer snel in het zaad, de andere zet zich sterk uit in een blad. Er worden verschillende bewegingen gemaakt door de plant, dat vond ik heel boeiend. Ook hoe je planten terug in het landschap krijgt, welke elementen daar allemaal op inwerken.’

‘Op het ogenblik dat ik hier op de Akelei ben terechtgekomen was het bedrijf erg productie- en prestatiegericht. In de beginfase heb ik zelf ook de meer beschouwende dimensie achterwege gelaten. Beetje bij beetje kwam dat terug, naarmate ik beter mijn plaats op het bedrijf vond. Ik werd vooral aangetrokken door de kleinere groenteteelten die bestemd waren voor de winkel. Ook de aardbeien, de bessen en de kippen interesseerden me. De fijnere teelten brachten niet zo ongelooflijk veel geld in het laadje maar ze brachten wel een kwalitatief aspect binnen het bedrijf. Ik heb dan de zaadteelt ook terug opgenomen. Eerst ben ik gaan kijken welke rassen er gebruikt werden en welke verzorging die rassen behoefden. We hebben zaden betrokken van biologische zaadfirma’s in Nederland en de planten vergeleken met die van de zaden die we zelf hadden en die ook in de buurt bij andere landbouwers voor handen waren. Dat waren dan vooral prei, groene selder en bloemkool. Met de zaden van de bloemkool konden we niet werken, prei ging heel goed. Ook voor de rode biet slaagden we erin, vertrekkende van de Nederlandse zaden, tot een eigen zaadteelt te komen met de weinige middelen en tijd die daarvoor beschikbaar waren. Sla ging niet omdat dat proces te omslachtig was.’

Weten voor wie je werkt


Hoewel het bedrijf vooral is afgesteld op de verkorte verkoopscircuits, zoals thuisverkoop, Voedselteams, groenteabonnementen, wordt er ook nog met de veiling en de groothandel gewerkt. Belangrijk is wel dat het bedrijf daar niet meer afhankelijk van is zoals in het begin. Een belangrijk gegeven is ook de uitwisseling van producten met collega’s biotelers uit de buurt.

Greet: ‘In de basisgedachte van het bedrijf ligt duidelijk de optie te weten voor wie we werken. Ik merk telkens veel voldoening wanneer Johan terugkomt van een vergadering met de consumenten van Voedselteams, omdat de mensen tevreden zijn over onze producten. Het geeft Johan terug een elan om verder te gaan. Ik geniet daar dan mee van.’

Johan: ‘Onlangs, op een evaluatievergadering van het Voedselteam van Heverlee, maakte ik voor de eerste keer mee dat de deelnemers blijven vragen stellen over de kwaliteit van bioproducten. In het algemeen gebeurt dat zeer weinig, ze weten meestal ook niet hoe de hele productie in elkaar zit. Van de vijf landbouwbedrijven waar Voedselteam Heverlee mee samen werkt, zijn wij het enige met een erkende, gecontroleerde biologische teelt. Dat is wat de mensen op die vergadering blijkbaar bezighield. Ten aanzien van de andere bedrijven stelden ze de vraag waarom die niet ondubbelzinnig voor biologische productie kiezen. Mensen willen duidelijkheid over die productiewijze.’

‘De afzet aan de groothandel is altijd goed gegaan. De menselijke relatie met de handelaars heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. We hebben regelmatig gewisseld van groothandel. In de loop van de tijd zijn er ook heel wat failliet gegaan, waaraan ik hopen geld heb verloren. Alleen al over die groothandels kan ik een boek schrijven. Het fundamentele probleem is het gebrek aan een lange termijnvisie om een alternatief uit te bouwen met de biotuinbouwbedrijven. Dat geldt zowel voor de afzet van de producten als voor de verpakking bijvoorbeeld. Er wordt veel met plastic gewerkt. Er is wel de goodwill om een bedrijf te ondersteunen, maar dat volstaat niet. Een verkoop kan gedurende jaren goed lopen maar het blijft onbetrouwbaar. Vandaar dat we onze eigen afzet in handen wilden nemen.’
In het verleden zijn er enkele experimenten geweest om zich, als boeren, te organiseren in een coöperatie voor het gezamenlijk organiseren van de afzet. Een echt succes was dat niet.

Johan: ‘Boeren zijn stuk voor stuk keikoppen en nemen een opstelling aan van ‘ieder voor zich’. Dat heeft altijd meegespeeld in die coöperatieve samenwerkingsvormen. Dat belet echter niet dat er een goeie spontane samenwerking is, en een goeie verstandhouding. Er worden heel wat producten uitgewisseld. Er is maar een woord nodig om ons op elkaar af te stemmen. Dat loopt heel soepel maar daarvoor hebben we geen structuur nodig. Het is precies de spontaneïteit die de samenwerking levend houdt. Met een structuur loopt het mis, het verleden heeft dat bewezen. In de streek hier was er de coöperatie Idunna om gezamenlijk de afzet in handen te nemen. Die heeft wel een bloeiperiode gekend maar is gestopt omwille van meningsverschillen en ruzies, een triestige zaak. Het achterliggende idee was prachtig maar structuren, statuten en geld deden het experiment mislukken. Hiermee zijn wel de thuisverkopen ontstaan. En ook het individueel uitwisselen van producten is gebleven.’

Ten aanzien van de groothandel zou een coöperatie zijn nut kunnen hebben, vindt D’Hulster. Uiteindelijk is ook de veiling voor bioproducten een coöperatie. Door de schaalgrootte verdwijnt echter de coöperatieve gedachte in het niets ten aanzien van de massale belangen en de macht van afnemers zoals grootwarenhuizen.

Vergeleken met groentetelers die vandaag van start gaan, bevinden Greet en Johan zich in een luxueuze positie. Ze hebben daar ook tien jaar voor gevochten. D’Hulster: ‘Voor die jonge mensen kan een coöperatie belangrijk zijn. Zo’n project kan lukken, op voorwaarde dat het klein en overzichtelijk blijft, een duidelijk gemeenschappelijk belang heeft en gedragen wordt door een gezamenlijke visie. Als je spreekt over visie, kom je echter snel terecht op het domein van levensvisie en ethiek en die zijn niet zo eenvoudig op elkaar af te stemmen. Als echter het gemeenschappelijke belang groot genoeg is, geloof ik dat persoonlijke meningsverschillen kunnen overwonnen worden.’

De toekomst van de bioboer


Op Europees vlak ziet de toekomst er voor de gemengde biologische bedrijven met een assortiment van dertig of veertig verschillende gewassen, in vergelijking met de gespecialiseerde biobedrijven van drie of vier verschillende teelten, niet bepaald rooskleurig uit. Tegelijk zijn er aanwijzingen dat deze gespecialiseerde biobedrijven riskeren zich vast te rijden op dezelfde wijze als de gangbare landbouw dat heeft gedaan, namelijk door een steeds sterkere neerwaartse druk, vanuit de agro-industrie, op de prijzen bij de boer. Met als gevolg dat nog slechts een minimale zorg besteed kan worden aan het handhaven van de bodemvruchtbaarheid, dat de kwaliteit van de producten riskeert achteruit te gaan, en dat ook de boer de weerslag voelt in zijn inkomen.
Johan en Greet zien die evolutie, toch neemt het volgens hen in België nog zo’n vaart niet omdat de omschakeling naar biolandbouw hier beperkt blijft. Greet: ‘In Nederland heb je monsterprojecten. Zo las ik over een gigantisch hypermodern biobedrijf van 2.8 ha (!) serres van tomaten en paprika’s. Compleet nieuw. Daar is honderd vijftig à tweehonderd miljoen frank mee gemoeid. Die man zegt nu al dat hij, gezien zijn snelle groei, er hetzelfde areaal over twee jaar nog een keertje gaat bijzetten! Dat wordt allemaal haarscherp berekend. Het verbazende is dat hij die manier van werken kan verantwoorden. Bij het lezen van het artikel voel je dat er bovendien een positieve kracht in zit.’

Johan: ‘Het zijn dit soort bedrijven die de prijs van de bioproducten drastisch zullen doen dalen. Er wordt in Nederland in de loop van de volgende maanden een fenomenale groei voorzien voor enkele bioproducten. Op dit ogenblik staat er ongeveer veertig ha glasareaal. Men voorziet dat daar snel twintig ha bijkomt. Een ander voorbeeld is de paddestoelenkweek. De grootste veiling van Nederland, Greenary, verzet momenteel dertig à veertig ton per week. Over enkele maanden worden dat honderd twintig à honderd dertig ton! Er zijn talloze Nederlandse gangbare boeren die plannen koesteren voor omschakeling naar biologische landbouw, louter op basis van nuchtere economische cijfers. Dit verhoogde aanbod kan enkel worden opgevangen door de veiling, in combinatie met de supermarkten. Het is overduidelijk dat de supermarkten een lage prijs zullen bedingen en dat er op het scherp van de snede zal moeten geteeld worden. Iedereen gaat mee in die stroom. De groothandel zal aan de boer geen frank meer bieden dan de veiling. Als de veiling slechts vijftien frank geeft voor pompoenen is dit meteen ook de prijs die de groothandel hanteert. De volgende jaren komt er sowieso een sterk verhoogde productie met het gevaar dat de prijzen sterk dalen, soms zelfs onder de prijs van de gangbare producten. Dat hebben we dit najaar voor het eerst meegemaakt voor broccoli, bloemkool en prei. Voor zo’n lage prijzen kan je niet werken. De enige manier om daaraan te ontsnappen is via verkorte afzetkanalen en thuisverkoop. Wij verkopen onze prei het ganse jaar door tegen vijfenzestig à negenenzestig frank per bos. Er is geen enkele klant die daar moeilijkheden mee heeft.’

‘Die thuisverkoop of verkorte afzetkanalen zullen steeds slechts een beperkte groep mensen bereiken maar het is voor mij de enige zinvolle methode. Voor die beperkte groep zie ik nog mogelijkheden. Met die verkorte ketens beantwoorden we aan het snakken naar doorzichtigheid van een groep consumenten. Die transparantie is er niet ten aanzien van supermarktproducten. De voorwaarde voor het slagen van de alternatieve verkoop is wel dat er een goede verstandhouding tot stand gebracht kan worden met de consument. De producenten moeten de mogelijkheid hebben om hun prijs te verantwoorden en de boeren moeten steun voelen van de consumenten voor hun manier van werken. Tijdens een vergadering van Voedselteams bijvoorbeeld is het mogelijk om stilaan zo’n verstandhouding te realiseren. Maar er is nog veel werk wat die verkorte ketens betreft. De consument eist een goed product, een goede service, een betrokkenheid bij het bedrijf.’

De auteur is coördinator van het landbouwprogramma Vlaanderen bij de NGO Vredeseilanden-Coopibo
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift