Amitav Ghosh: 'Papaver was het belangrijkste handelsgewas'

Zijn boeken zwemmen letterlijk in de historische details, maar Amitav Ghosh wordt niet gedreven door een zucht naar Aziatische exotiek. ‘Als je handel compleet vrijmaakt van elke morele overweging en verantwoordelijkheid, dan wordt het een volkomen krankzinnig systeem’, zegt hij, every inch a gentleman.

  • Ulf Andersen Ghosh ziet er onder zijn witte haren altijd even jongensachtig en aristocratisch uit. Ulf Andersen

Amitav Ghosh is de auteur van onder andere Het glazen paleis en Het hongerige getijde. Na Zee van papaver verschijnt in april Rivier van mist als tweede deel van zijn trilogie over de maritieme handel tussen India, China, de Antillen en Afrika in de achttiende en negentiende eeuw.

Ghosh schrijft romans omdat literatuur ruimte biedt voor de essentie van het menselijke bestaan: de relaties die een mens heeft en de manier waarop die ingebed zijn in culturen, gemeenschappen, geschiedenissen en natuurlijke omgevingen. ‘In een roman is plaats voor passie, liefde en verlangen, verraad, angst en haat, maar ook voor ecologie, zoölogie en geschiedenis’, zei Amitav Ghosh tijdens een gesprek in Brussel. Dat we van de armen wel hun gemiddelde jaarinkomen, levensverwachting en calorieverbruik kennen, maar zelden iets vernemen over hun dromen of erotiek, heeft volgens Ghosh te maken met ‘het ontbreken van de taal en het platform om hun eigen verhaal in hun eigen woorden en met hun eigen beelden te vertellen. De armen worden vaak “geobjectiveerd” en dat leidt tot allerlei veralgemeningen. Ze worden geromantiseerd of gecriminaliseerd, zonder recht te doen aan hun verscheidenheid en individualiteit.’

Die uitspraak uit 2005 is de opstap voor een nieuw gesprek eind 2012, ditmaal in een Amsterdams salon. Ghosh leeft met de gratie van iemand die met status en perspectief geboren is en ziet er onder zijn witte haren altijd even jongensachtig en aristocratisch uit. Zijn aandacht voor het leven van de “onzichtbaren” lijkt alleen maar toegenomen. Zee van papaver en Rivier van mist lezen bijvoorbeeld als een monumentale geschiedenis van de Aziatische koloniale tijd –maar dan met Indiase, Chinese en Antilliaanse handelaars en bevolkingen als centrale personages. Slechts in derde instantie gaat het ook over de Britten, die zichzelf nochtans zagen –en vaak nog steeds zien– als de heersers der aarde, de koningen van de zee. ‘Wie een achttiende-eeuws verhaal uit Europa wil vertellen, hoeft maar te zeggen dat zijn personage gaat dansen, en meteen verschijnen de kandelaars en de kanten rokken al in beeld en begint de soundtrack met aangepaste muziek al te lopen. Dat is niet het geval als het over Chinese of Indiase verhalen uit die periode gaat. Niemand kan zich daar een voorstelling van maken, omdat er zo goed als geen beelden of verhalen van bestaan. Om het leven van Indiërs en Chinezen uit de koloniale tijd te kunnen vertellen, moet ik er dus meteen de historische details aan toevoegen. Ik moet in deze boeken bijna eigenhandig een verloren wereld hercreëren’, zegt Ghosh.

Opium om het keizerrijk te breken

In beide boeken van zijn trilogie –aan het derde moet hij nog beginnen– speelt de opiumhandel tussen Brits Indië en China een belangrijke rol. Een korte introductie in het ontstaan van die handel maakt meteen duidelijk waarom geschiedenis zo essentieel is voor het goede begrijpen van de wereld. Ghosh: ‘Ondanks alle aandacht die de industriële revolutie altijd krijgt, was thee een enorm belangrijke grondstof in de achttiende en een goed deel van de negentiende eeuw. Eén tiende van de Britse overheidsinkomsten was afkomstig van de belasting op theehandel. Maar vanaf de jaren 1770 moest voor die thee betaald worden in zilver, wat een enorme aderlating voor de Britse schatkist betekende. Want het was toen niet anders dan nu: de Chinezen exporteerden thee, porselein en zijde naar Europa, maar kochten nauwelijks iets aan dat in Europa geproduceerd werd. Op een bepaald moment had de East India Company gewoon niet meer voldoende zilver in voorraad om de thee-aankoop te betalen en dus gingen ze op zoek naar een andere grondstof waarmee ze zouden kunnen betalen of die ze zouden kunnen verkopen aan China. Katoen speelde die rol een beetje, maar vanaf 1782 beslisten de captains of industry om de bestaande, marginale markt voor opium uit te breiden –ook al was opium een verboden product in China. Het gevolg was dat het aantal hectare waarop papaver verbouwd werd in India op dertig jaar tijd verhonderdvoudigde. De Britten beseften zeer goed dat de opiumhandel de Chinese samenleving ondermijnde, niet alleen door de verslaving maar ook door de enorme omvang van de smokkeleconomie die de administratieve capaciteit van de Chinese overheid deed afbrokkelen. Dat was voor de Chinese machthebbers trouwens een veel grotere zorg dan de individuele verslaving, hoe wijdverbreid die ook was.’

Veel van de belangrijkste opiumhandelaars waren Amerikanen en de impact van de opiumhandel op de Verenigde Staten was misschien nog groter dan op Groot-Brittannië. Ghosh: ‘Van Franklin Delano Roosevelt –de Amerikaanse president van 1933 tot 1945– wordt meestal aangenomen dat de rijkdom van zijn familie afkomstig was uit de suikerhandel van de uit Nederland afkomstige familie Van ‘t Rosevelt. Maar in feite was het vooral de Delano-kant van de familie die voor het fortuin gezorgd had, door opium te verhandelen met China. Veel van de gereputeerde universiteiten en hogescholen zijn trouwens gesticht door slaven- of opiumhandelaars.’

Het was in de achttiende eeuw niet anders dan nu: de Chinezen exporteerden thee, porselein en zijde naar Europa maar kochten nauwelijks iets aan dat in Europa geproduceerd werd.
In Zuid-China vind je overal musea over de opiumoorlogen en -handel, zegt Ghosh. ‘Men heeft er het verhaal over de perfide opiumhandel heel erg centraal geplaatst in de geschiedenis van het nationale verval op het einde van de negentiende eeuw. In India is de opiumhandel volkomen uit het collectieve geheugen gewist. Nochtans was de opiumhandel in die tijd goed voor de helft van het inkomen van de Britse overheid in India. Papaver was het belangrijkste commerciële gewas. Bijna alle belangrijke handelshuizen die vandaag vanuit Mumbai opereren –ook degene die nu Europese bedrijven opkopen– begonnen hun opgang met de opiumhandel.’

De zeloten zijn huichelaars

Volgens Ghosh heeft de periode van de opiumhandel, de opiumoorlogen en de koeliehandel (georganiseerde en soms gedwongen migratie van laagbetaalde handenarbeiders uit Azië naar de Nieuwe Wereld) de grondslag gelegd voor de wereldhandel en -verhoudingen van vandaag. De hele ideologie van vrijhandel –en de militaire fundering ervan– stamt uit die tijd. ‘Vrijhandel werd door de handelaars en hun politieke en militaire verdedigers beschouwd als iets dat zich buiten de grenzen van de moraal afspeelde, een realiteit met eigen wetmatigheden waaraan je niet kan raken. In de discussies hamerden de Chinezen er vaak op dat handel mensenwerk is dat de gemeenschap moet dienen. De Britten daarentegen bleven herhalen dat de wetmatigheden van internationale vrijhandel zo krachtig waren dat ze de Chinese macht zouden ondermijnen, tenzij die er vrijwillig in zou meestappen. Voor de Britten stond vrijhandel op hetzelfde niveau als Jezus Christus. Ze verdedigden de zegeningen van de vrije markt dan ook met religieuze ijver, net zoals dat vandaag in de Angelsaksische wereld nog vaak gebeurt. Al zijn die zeloten van de vrijhandel vaak de eersten om er afstand van te nemen als de “wetmatigheden” niet langer in hun voordeel spelen.’

Ghosh heeft geen hoge pet op van de absolute vrijhandel, zoveel is duidelijk, niet in zijn koloniale gedaante, en nog minder in zijn huidige, neoliberale vorm. Niet dat hij tegen handel is: ‘Mensen hebben altijd handel gedreven en het is een prachtig mechanisme van menselijke communicatie. Maar als je handel compleet vrijmaakt van elke morele overweging en verantwoordelijkheid, dan wordt het een volkomen krankzinnig systeem.’

Zijn eigen land illustreert die waanzin beter dan hij wenselijk acht. Twee decennia toenemende liberalisering resulteren in India in een minderheid die steeds meer rijkdom vergaart en een meerderheid die in haar ontwikkeling bedreigd wordt, vindt Ghosh. En in openbare instellingen die volkomen ontmanteld worden. ‘Het centrum van de macht werd verplaatst van Delhi naar Mumbai. De woordvoerder van de grote industriële speler Ambani liet ooit optekenen dat het parlement hun productie-eenheid was.’

In China werd de staat niet uitgekleed om het kapitalisme te laten floreren, toch denkt Ghosh niet dat Beijing een alternatief model is: ‘Het Chinese model is niet alleen bijzonder repressief, het is ook vernietigend geweest voor het milieu. Indiërs zouden veel beter naar Europa kijken dan naar China of de Verenigde Staten. Europa toont dat je economisch succesvol kan zijn in een sterk gereguleerde omgeving en dat industriële groei kan samengaan met de groei van sociale voorzieningen.’

Het orkest van de titanic

Amitav Ghosh begrijpt niet waarom de mensheid zo vrolijk zijn eigen ondergang tegemoet snelt. Als Bengalees beseft hij natuurlijk pijnlijk goed wat klimaatverandering betekent. In West-Bengalen en in Bangladesh ligt meer dan de helft van het grondgebied lager dan vijf meter boven de zeespiegel. Maar het zijn niet alleen de inwoners van lage landen die zich zorgen moeten maken, vindt hij. De hele wereldbevolking en de menselijke beschaving staat op het spel. ‘Maar intussen speelt het orkest verder en lachen we onszelf de afgrond in. De kranten in India staan vol met Bollywood- en cricketberichten en als het over politiek gaat, dat lijkt het nog een roddel- en ontspanningsrubriek. Net als in de Verenigde Staten. De presidentsverkiezingen focusten op elk klein detail van de twee presidentskandidaten, terwijl de realiteit en de oorzaken van de grootste droogte in mensenheugnis nauwelijks ruimte kregen in de media. En als het probleem ter sprake kwam, dan nog viel het woord klimaatverandering niet, want dat is een giftig begrip dat niemand durft aan te raken.’

Heeft hij dan nooit het gevoel dat romans schrijven in deze tijd deel uitmaakt van dat orkest? Is het verbeelden van menselijke drijfveren en relaties nog relevant als de planeet gered moet worden? ‘Er zijn meer dan genoeg historici en wetenschappers die de feiten veel beter kunnen verspreiden dan ik. De crisis die we doormaken gaat dieper dan de ongelijkheid of klimaatverandering, hoe ingrijpend die ook zijn. Het gaat uiteindelijk om een gebrek aan verbeelding. De mensheid is opgeslokt door het dominante verhaal over het goede leven dat het huidige systeem belooft, maar niet aflevert. Vandaar de nood om verhalen te vertellen en andere gevoeligheden in de mens aan te spreken.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur