Biotechnologie en samenleving: de politieke en sociale implicaties van de biotechnologie

Vaak werd mij de vraag gesteld waarom ik me als macro-socioloog bezighoud met kleine producten als zaden, enzymen, amino- en vetzuren. Het lijkt immers vanzelfsprekender dat een socioloog schrijft over sociale verhoudingen, zoals arbeids- en genderverhoudingen of over de politiek en relaties tussen rijke en arme landen.
Zaden, enzymen, amino- en vetzuren beschouw ik echter als politiserende producten, producten die vorm geven aan de internationale arbeidsverdeling en maatschappelijke verhoudingen. De sociale en arbeidsverhoudingen op internationaal vlak worden immers niet alleen door de overheid en de relaties tussen de vakbeweging en het bedrijfsleven beïnvloed, maar ook door wetenschappelijke ontwikkelingen en met name door biotechnologische producten.

VAN SUIKER NAAR ZOETSTOFFEN


Midden de jaren tachtig manifesteerde biotechnologie zich voor het eerst als een “politiserende technologie”. Drie biotechnologische ontwikkelingen en productgroepen ondersteunden specifieke sociale veranderingen in de mondiale suikerproductie.

- Nieuwe biet- en rietsuikerrassen met een hoger sucrosegehalte maakten het mogelijk dat de opbrengst en het productiegebied van suiker vergroot werd.

- Nieuwe enzymen vergrootten de mogelijkheid om suikers uit andere landbouwproducten dan biet- en rietsuiker te betrekken.

- Nieuwe micro-organismen produceerden aminozuren waardoor zoetstoffen niet meer alleen op het land maar ook in de fabriek vervaardigd konden worden.

Door deze geleidelijke uitbreiding van de mogelijkheden om suikers, of liever zoetstoffen, te produceren veranderen zowel de internationale handelsbetrekkingen tussen landen als de internationale arbeidsorganisatie van de mondiale suikerproductie. Zo werd het in de Verenigde Staten in het midden van de jaren tachtig mogelijk om maïs in plaats van de geïmporteerde Filippijnse rietsuiker als zoetstofbron te gebruiken. De aanwezigheid van grote Amerikaanse maïsoverschotten en de ontwikkeling van nieuwe enzymen speelden een essentiële rol bij deze verschuiving in de internationale handelsbetrekkingen.

De drie biotechnologische productgroepen hadden ook een reorganisatie van de arbeidsverhoudingen in de mondiale suikerproductie tot gevolg. Met name enzymen en microbiologische processen brengen met zich mee dat niet meer alleen riet- en bietsuikerboeren, maar ook boeren, die maïs en/of andere zetmeelhoudende gewassen verbouwen, zoetstofproducenten worden. Zelfs micro-organismen, die industriële zoetstoffen vervaardigen (zoals aspartaam), zijn “actoren” geworden van dit (nieuwe) productiesysteem van zoetstoffen. Dat productiesysteem wordt gekenmerkt door de drie volgende arbeidsorganisatorische aspecten:

- Een toenemende uitwisselbaarheid van productgroepen (zoals rietsuiker, bietsuiker, mais, cassave, aspartaam, etc.) en producenten (zoals rietsuikerplantage-arbeiders, maïsboeren, industriële micro-organismen).

- Een toenemende controle op afstand over de landbouwproductie door de input-toeleverende en voedselverwerkende industrieen via hun biotechnologische productgroepen als zaden en enzymen.

- Een toenemende privatisering van deze politiserende producten als cruciale schakels voor een internationale organisatie van de zoetstoffenproductie.

Op basis van deze drie ontwikkelingen, waarlangs zich de reorganisatie van de arbeidsverhoudingen in de zoetstoffenproductie voltrekt, ontstaat er ook een toenemende tendens om maatschappelijke organisaties, zoals boerenorganisaties en vakbewegingen, buiten spel te zetten, vooral als zij hun leden blijven organiseren binnen het kader van een sector (zoals agrariers binnen boerenorganisaties en arbeiders binnen de vakbeweging), binnen een bedrijfstak (zoals een organisatie van akkerbouwers of arbeiders binnen een voedings- of industriebond) en binnen een productgroep (bietsuiker).

De techno-wetenschappelijke ontwikkelingen dragen immers bij tot het ontstaan van een productiesysteem waarbij de organisatie van arbeid zich niet meer beperkt tot een sector, bedrijfstak of productgroep. Zo worden zoetstoffen momenteel zowel in de industrie als in de landbouw vervaardigd, zowel door maïs- en rietsuikerboeren verbouwd alsook door industriële micro-organismen geproduceerd. Bovendien zijn zowel farmaceutische en life-science - industrieën als zaaizaadleveranciers en enzymindustrieën belangrijke actoren geworden voor de landbouw- en voedselproductie.

Toch worden deze bedrijven nog steeds beschouwd als industrieën waar geen boerenorganisaties maar bijvoorbeeld alleen de industriebond zich mee moet inlaten. Het zijn echter juist deze “landbouwvreemde” bedrijven die invloed uitoefenen op het reilen en zeilen binnen de landbouw- en voedselproductie. Zij zouden dus tot het takenpakket van de voedingsbond of boerenorganisaties moeten behoren. Maatschappelijke organisaties die haar leden nog steeds primair rondom een sector, bedrijfstak of productgroep organiseren, worden door de biotechnologische ontwikkelingen en de daardoor veranderende arbeidsorganisatie buiten spel gezet.

Deze techno-wetenschappelijke revolutie van bovenaf verdient dan ook een publiek debat. Des te meer daar de politiserende invloed van veredelingsprogramma’s, enzymtechnologische en microbiologische ontwikkelingen zich niet beperkt tot de suiker- en koolhydraatproductie, maar ook plaatsvindt bij de productie van eiwitten en oliën. Dit wil zeggen dat bij de productie van de drie essentiele voedselcomponenten biotechnologie een reorganisatie van arbeidsverhoudingen ondersteunt waarbij patentering van de cruciale schakels van de voedselketen én het buiten spel zetten van maatschappelijke organisaties de twee kanten zijn van dezelfde medaille. Vandaar dat een democratisch ontwerproces van de politiserende biotechnologische producten grote politieke prioriteit verdient.

HOE POLITIEK IS BIOTECHNOLOGIE?


Gezien de verwevenheid van biotechnologische en specifiek politiek-economische ontwikkelingen stelde ik in het midden van de jaren tachtig voor om in de programma’s van politieke partijen paragrafen op te nemen over deze “politiserende producten”. Daar werd echter vooral glimlachend op gereageerd. Zaden, enzymen, amino- en vetzuren zouden immers voor de kiezer geen politieke thema’s zijn. En ook tien jaar later wordt nog steeds gedacht dat “politiek” uitsluitend te maken heeft met het nationale landbouwbeleid, het Europese prijsbeleid en andere activiteiten van de grote staatslieden. Biotechnologische onderzoeksprogramma’s van bijvoorbeeld Novo Industri, Genencor, naar koolhydraat- en vetsplitsende enzymen worden buiten beschouwing gelaten, terwijl juist deze activiteiten binnen de huidige technomaatschappij een grote politiek-economische betekenis hebben. Daarover zou dan ook een debat gevoerd moeten worden, waarbij Ulrich Beck met zijn visie op de ontwikkeling van “subpolitiek” en een “politisering van onderop” interessante aanknopingspunten levert.
Subpolitiek in een risicomaatschappij
De Duitse socioloog Ulrich Beck (1994) benadrukt dat er nog veel te veel via denkkaders van de industriële maatschappij naar de wereld gekeken wordt, terwijl we in een ander type maatschappij zijn terechtgekomen. Hij introduceert daarvoor het concept van de risicomaatschappij. De moderne samenleving, zo stelt hij, heeft weliswaar een verfijnd stelsel van instituties en regelingen opgebouwd rondom de verdeling van welvaart, maar niet rondom de onbedoelde gevolgen en risico’s die de technomaatschappij voortdurend produceert. Besluiten over de ontwikkeling en verdeling van deze toenemende technologische risico’s worden niet meer primair door politici maar door anderen genomen. Vandaar dat Beck benadrukt dat steeds meer politieke besluiten buiten het traditionele machtscentrum (het staatsapparaat) genomen worden. Het zwaartepunt van de politiek-maatschappelijke dynamiek verschuift zich volgens Beck naar wat hij “subpolitiek” noemt. Politiek handelen vindt volgens Beck plaats waar we het doorgaans niet zoeken: bij ons bezoek aan de supermarkt, waar consumenten de macht hebben een bepaalde productiewijze met hun koopgedrag al dan niet te bevorderen; bij een besluit van wetenschappers om in een laboratorium een bepaald experiment al dan niet uit te voeren.
Binnen de contouren van een risicomaatschappij worden de besluiten over de ontwikkeling en de richting van biotechnologie gedecentraliseerd genomen en daarbij is het volgens Beck onmogelijk om bijvoorbeeld biotechnologie centraal te controleren vanuit het traditionele politieke machtscentrum (het overheidsapparaat). In plaats daarvan spreekt hij van een “politisering van onderop”. De direct betrokken onderzoekers zouden in samenwerking met andere actoren (boeren, consumenten, milieuactivisten) een rol kunnen spelen in het reconstrueren van de biotechnologie-ontwikkeling. Daarbij zullen met name de (onderdrukte) kennis en mogelijkheden, die binnen verschillende instituten en groeperingen latent aanwezig zijn, gemobiliseerd moeten worden voor nieuwe vormen van onderzoek.
Het neveneffect van de biotechnologische industrie om maatschappelijke organisaties buiten spel te zetten is dus niet iets onvermijdelijks. Integendeel, via een politisering van onderop kunnen de onderzoeksrichtingen veranderd worden en misschien zelfs worden omgezet in een ondersteuning van emancipatorische ontwikkelingen. Naarmate biotechnologie zich verder ontwikkelt, zal dit subpolitieke debat over biotechnologie dan ook steeds belangrijker kunnen worden. Op welke wijze deze politisering van onderop op het gebied van biotechnologie gerealiseerd kan worden is hierbij een centrale vraag. Ik wil in dit verband eerst op verschillende theoretische knelpunten wijzen die een democratisering van biotechnologische ontwikkelingen bemoeilijken. Vervolgens zal ik kort ingaan op de mogelijkheid om vanuit andere actor-netwerken biotechnologie te reconstrueren.

BIOTECHNOLOGIE OP NIEUWE SPOREN


Biotechnologie krijgt steeds meer aandacht. Er worden publieke en wetenschappelijke debatten georganiseerd over het thema. Toch is er nog weinig succes geboekt in het reconstrueren van de biotechnologie-ontwikkeling. Specifieke visies over biotechnologie, gevoed door specifieke wetenschapstradities, belemmeren dat. Vier knelpunten en vier uitgangspunten worden hieronder geformuleerd die een belangrijke rol kunnen spelen bij een politisering van onderop van de biotechnologie-ontwikkeling.
Achterhaalde visies
1. De relatie tussen maatschappelijke en (bio)technologische ontwikkelingen moet gezien worden als een wisselwerking tussen beide. Het is niet uitsluitend de maatschappij die de techniek bepaalt en omgekeerd is het niet uitsluitend de techniek die de maatschappij vormgeeft. Het is de interactie tussen beide die onze aandacht verdient. Uitgaande van deze wisselwerking tussen maatschappelijke en technologische ontwikkelingen kan biotechnologie niet langer als uitsluitend een verzameling van technieken worden beschouwd. Biotechnologie moet worden gezien als een geheel van sociale en technische dimensies.

2. Het opnemen van sociale dimensies in de veredelings-, enzym- en fermentatietechnologie vindt niet plaats binnen een politiek-economisch vacuum, maar voltrekt zich binnen specifieke productie- en machtsverhoudingen. Biotechnologie kan dus niet in abstracto worden besproken, maar vereist een contextuele analyse. Dit wil zeggen dat er rekening gehouden moet worden met de specifieke machtsverhoudingen van die sociale omgeving waarbinnen biotechnologie ontwikkeld wordt. Zo heeft de analyse van de agro-biotechnologie binnen de agro-industriële produktieketen duidelijk gemaakt dat bepaalde maatschappelijke groeperingen (bijv. transnationale ondernemingen) meer invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van biotechnologie dan andere maatschappelijke groepen zoals kleine boeren in ontwikkelingslanden. De agro-biotechnologie wordt dan ook gekenmerkt door specifieke sociale dimensies, zoals een toenemende uitwisselbaarheid van landbouwgronstoffen. Tijdens het ontwikkelingstraject van de agro-biotechnologie worden dus keuzes gemaakt, sociale en technische dimensies worden geselecteerd binnen het kader van de bestaande machtsverhoudingen. Vandaar dat biotechnologie gezien moet worden als een geheel van specifieke (!) sociale en technische dimensies.

3. Door wetenschap en technologie binnen haar specifieke context (bijvoorbeeld de voedselketen of de productieketen van de gezondheid) te plaatsen, wordt het mogelijk om aan te geven op welke wijze de ongelijke maatschappelijke verhoudingen doorwerken in het concrete laboratoriumwerk. Het is van belang om - gezien de samenhang van het laboratoriumwerk met de bestaande machtsverhoudingen - de onderzoekers (zoals veredelaars, enzymtechnologen en microbiologen) niet langer als actoren te beschouwen die in hun laboratorium volledig vrij en autonoom zouden zijn in het kiezen van hun onderzoeksactiviteiten, alsof zij zich in een ivoren toren zouden bevinden. Integendeel, zij bevinden zich in netwerken waarbinnen met name die sociaal-technische dimensies voor biotechnologische producten geselecteerd worden die primair passen bij de bestaande machtsverhoudingen in de agro-industriële productieketen. Hierdoor worden specifieke onderzoeksrichtingen in het laboratorium gestimuleerd en andere onderzoeksrichtingen juist gemarginaliseerd. Zo wordt er bijvoorbeeld primair veredeld voor opbrengst, uniformiteit en herbicide-resistentie en krijgt veredeling voor diversiteit minder aandacht. Onderzoekers kunnen dus niet als vrije intellectuelen worden beschouwd. Een contextuele analyse van de agrobiotechnologie benadrukt dat er (bewust of onbewust) keuzes worden gemaakt en dat de onderzoekers in het laboratorium daarbij een beperkte manoeuvreeruimte hebben om andere specifieke sociaal-technische dimensies te selecteren.

4. Hoewel de manoeuvreeruimte voor onderzoek met andere sociale dimensies gering is, is het niet uitgesloten dat dergelijk onderzoek kan worden opgezet. Immers, wetenschappelijke en technologie-ontwikkelingen zijn niet volledig beheersbaar, zeker niet binnen de risicomaatschappij. Het is echter wel noodzakelijk dat de onderzoekers zich allereerst bewust worden van het feit dat zij politiserende producten vervaardigen; dat wil zeggen dat zij producten vervaardigen, die door sociale relaties gevormd zijn en dat deze producten sociale relaties vormen. Vervolgens kunnen zij zich dan afvragen of zij zich als “subpolitieke actoren” willen opstellen, of zij een bijdrage willen leveren aan het verder politiseren van de laboratoriumactiviteiten. Niet langer op de traditionele wijze door in commissies of politieke partijen zitting te nemen of andere maatregelen van bovenaf, via de overheid, voor te stellen, maar door op zoek te gaan naar mogelijkheden om de manoeuvreeruimte in hun eigen politiserende activiteiten te vergroten.
Biotechnologie en de grond onder haar voeten
Daar het subpolitieke werk in het laboratorium niet gescheiden kan worden van wat er buiten het laboratorium plaatsvindt, zal de de- en reconstructie van biotechnologie vooral in samenhang met andere maatschappelijke organisaties, zoals milieu-, consumenten- en boerenorganisaties, moeten plaatsvinden. Het vergroten van de manoeuvreerruimte voor de onderzoekers om andere sociaal-technische dimensies in hun laboratoriumactivitieten op te nemen moet dus primair een maatschappelijk draagvlak hebben. De politisering van onderop kan door de volgende drie processen ondersteund worden.

1. Kritisch-wetenschappelijke beschrijvingen en analyses van de wijze waarop het laboratorium-werk verweven is met de belangen van specifieke actoren in de samenleving, kunnen leiden tot het kritisch beschouwen van het gangbare onderzoek. Hierdoor kan het maatschappelijk draagvlak toenemen voor andere onderzoeksactiviteiten.

2. In de schaduw van de agro-industriële productieketen, die gekenmerkt wordt door de bulkproductie van onderling uitwisselbare componenten voor de voedselindustrie, ontwikkelt zich een nieuwe markt voor biologische en streekgebonden producten. Hieromheen kunnen zich nieuwe netwerken van onderzoekers en belangengroepen vormen.

3. Onderzoeksactiviteiten worden beïnvloed door de politieke agenda op verwante maatschappelijke terreinen. Zo is bijvoorbeeld de afgelopen twintig jaar steeds meer gewezen op de milieuproblematiek en op het belang van duurzaamheid en verscheidenheid in de landbouw. Maatschappelijke organisaties kunnen wijzen op de noodzaak laboratoriumonderzoek af te stemmen op deze maatschappelijke vragen.
De reconstructie van technologie en samenleving
Het reconstrueren van biotechnologie houdt in dat er zowel gewerkt wordt aan een andere maatschappelijke omgeving, als aan een andere technologie. Juist een benadering die de wisselwerking benadrukt tussen technologie en maatschappelijke omgeving maakt dus duidelijk dat het niet mogelijk is een bepaalde technologie, ontworpen binnen een bepaalde context (bijvoorbeeld biotechnologie voor de geïndustrialiseerde landbouw), zomaar te gebruiken binnen een andere context (bijvoorbeeld biotechnologie voor kleine boeren in ontwikkelingslanden, of biotechnologie voor de biologische landbouw).

Er zijn nieuwe netwerken voor technologische ontwikkeling nodig, waarbij een bottom-up benadering in de technologie-ontwikkeling gekoppeld moet worden aan praktische initiatieven van boeren, milieuactivisten, consumenten en beleidsmakers om de agro-industriële productieketen te reorganiseren. Een mogelijkheid is een netwerk rond streekgebonden en biologische landbouwproducten. In zo’n netwerk kunnen onderzoekers - in overleg met andere betrokkenen (zoals boeren, consumenten) - zich gaan richten op het selecteren en herformuleren van andere onderzoeksrichtingen in de veredelings-, enzym- en fermentatietechnologie.

Naast het dominante veredelingsnetwerk verbonden met de machtsverhoudingen van de agro-industriële productieketen en gericht op bijvoorbeeld het vinden van genen ter verhoging van de opbrengst van de uniforme voedselgewassen voor de geïndustrialiseerde landbouw binnen globale voedselketens, kan een ander netwerk een interactieve veredelingspraktijk opzetten, gericht op het opnieuw relateren van de streekgebonden en biologische landbouw aan haar specifieke natuurlijke omgeving. In overleg met boeren, die reeds de streekgebonden en biologische landbouwproducten verbouwen, kunnen onderzoekers dan bijvoorbeeld nagaan op welke wijze de specifieke streekgebonden kwaliteiten van landbouwgewassen door het biotechnologisch veredelingsonderzoek kunnen worden versterkt.

Kritische actor-netwerken kunnen zich ook groeperen rond het enzymtechnologisch onderzoek. Ook daar kunnen onderzoekers nagaan of er naast de huidige onderzoeksrichtingen ander onderzoek met andere referentiekaders, andere doelstellingen en andere samenwerkingsverbanden geformuleerd kunnen worden.

Het huidig enzyntechnologisch onderzoek lijkt vooral gericht te zijn op het vergroten van de doelmatigheid van de grootschalige verwerkingsprocessen, het langer kunnen bewaren van landbouwgewassen en op bijvoorbeeld het verkorten van kaasrijpingsprocessen. Een kritisch enzymtechnologisch netwerk zal zich daarentegen bijvoorbeeld kunnen richten op het opnieuw bijeenbrengen van de voedingsmiddelen en landbouwproductie op het agrarische bedrijf. Zo zal dit netwerk kunnen nagaan welke enzymen en stremsels kunnen worden ontwikkeld om het zelfkazen op de boerderij te bevorderen. Ook kan zo’n enzymtechnologisch netwerk in overleg met boeren, die streekgebonden en biologisch landbouwprodukten verbouwen, nagaan of er enzymen en gisten ontwikkeld kunnen worden die ertoe bijdragen dat de verscheidenheid van de regionale landbouwprodukten en kenmerken van verschillende agrarische bedrijfsstijlen bewaard blijven in het eindprodukt dat de consument aankoopt. Dit netwerk kan nagaan op welke wijze de verscheidenheid van specifieke eindproducten, gerelateerd aan de verscheidenheid van agrarische bedrijfsstijlen, gewaarborgd kan worden.

Ten slotte kan ook rond microbiologische fermentatieprocessen een kritisch netwerk worden opgezet om andere specifieke onderzoeksrichtingen in het laboratoriumwerk op te nemen. Ook hier kunnen bioproces- en levensmiddelen-technologen samen met andere betrokkenen nagaan op welke wijze zij een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan het opzetten van die agrarische verwerkingsprocedures waardoor de ontwikkelingsperspectieven van bijvoorbeeld streekgebonden en biologische teelten worden vergroot. Ook kunnen er pogingen worden ondernomen om specifieke verwerkingsprocedures van agrarische produkten in ontwikkelingslanden te verbeteren.
Implicaties voor maatschappelijke organisaties en het universitaire onderwijs
Uit het bovenstaande blijkt dat voor het herontwerpen van biotechnologie er andere sociale en technische referentiekaders gehanteerd moeten worden en andere doelstellingen en onderzoeksvragen geformuleerd, vanuit nieuwe samenwerkingsverbanden met belanghebbenden.

De reconstructie van de biotechnologische producten impliceert dus ook een verdere politisering van de organisaties van belanghebbenden. Een bijdrage aan de politisering van onderop betekent voor de productenorganisaties (boerenorganisaties en vakbeweging) dat zij tijd, energie en geld zouden moeten besteden aan het formuleren van de voor hen wenselijke onderzoeksdoelen. Ook zouden zij moeten nagaan welke institutionele reorganisaties nodig zijn om een greep op de ontwikkeling van de politiserende producten te krijgen.

Milieu- en consumentenorganisaties dienen zich af te vragen of hun plaats in de technomaatschappij het beoordelen van de biotechnologische eindproducten inhoudt of dat zij een plaats gaan opeisen in het ontwerpproces zelf en proberen de netwerken te veranderen waarbinnen biotechnologie ontworpen wordt.

Ten slotte betekent een politisering van onderop dat de onderzoekers leren naar biotechnologie te kijken als naar een geheel van sociale en technische dimensies en naar het laboratorium als een knooppunt van maatschappelijke en politiek-economische verhoudingen. Dit betekent ook een politisering van het universitair onderwijs, waarbij een nieuwe visie op opleiding en deskundigheid dient te ontstaan. Deskundig is niet de (natuurwetenschappelijke) onderzoeker die alles weet over techniek, noch de (sociaal-wetenschappelijke) onderzoeker die alles weet over de maatschappelijke gevolgen daarvan.
Deskundig is degene die inzicht kan bieden in het sociaal-technisch ontwerproces. In het huidige onderwijssysteem wordt echter te weinig gedaan om studenten die transdisciplinaire deskundigheid te geven. Integendeel, de studenten worden aangemoedigd zich te bekwamen in de technische wetenschappen óf sociale wetenschappen. Ondanks de toenemende roep om interdisciplinair onderwijs kenmerken de biotechnologie-opleidingen zich nog steeds door een bijna volledige technische opleidingsstructuur. Slechts 2 à 3 procent van de opleidingstijd wordt besteed aan sociale dimensies en veelal slechts in de traditionele betekenis - verwijzend naar de brede ethische gevolgen van biotechnologie. Praktisch wordt in de opleiding nog steeds ontkend dat biotechnologie een geheel is van sociale en technische dimensies. De reconstructie van biotechnologie lijkt dan ook primair via een verdere politisering van het publieke onderzoek en onderwijs gerealiseerd te moeten worden.

De auteur is socioloog en hoofddocent aan de Leerstoelgroep Technologie en Agrarische Ontwikkeling (TAO) aan de Universiteit van Wageningen.

Bibliografie

Achterhuis H., Natuur tussen mythe en techniek, AMBO/Baarn 1995.

Beck U., The reinvention of politics: Towards a theory of reflexive modernization. In: Beck U., Giddens A., Lash S. (eds) Reflexive Modernization, Polity press, Cambridge 1994.

Hajer M., Schwarz M., Contouren van de risicomaatschappij. In: U.Beck, De wereld als risicomaatschappij. Essays over de ecologische crisis en de politiek van de vooruitgang. De Balie, Amsterdam 1997.

Richards P., Ruivenkamp G., New tools for conviviality: social shaping of biotechnology. In: P. Descola and G. Palssen, eds, Nature and society: anthropological perspectives. London, Routledge, 1996.

Ruivenkamp G., Biotechnology as a socio-technical ensemble - closing remarks and reflection. In: J. Wirz, E. Lammerts van Bueren (ed.), The future of DNA, Kluwer Academic Publishers, Dordrecht 1997.

Ruivenkamp, G.,’Biotechnologie op maat in de Nederlandse landbouwsector: Een evaluatierapport. W.L.T.O.-publication, Haarlem 1994.

Ruivenkamp, G., ‘De invoering van biotechnologie in de agro-industriële produktieketen: De overgang naar een nieuwe arbeidsorganisatie’ (The introduction of biotechnology into the agroindustrial chain of production. Changing over to a new form of labour organisation). Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht, October 1989.

Ruivenkamp, G., ‘The impact of biotechnology on international development: Competition between sugars and sweeteners”. In: Vierteljahresberichte des Forschungsinstituts der Friedrich-Ebert-Stiftung, Nr. 103, March 1986, Special issue on “New technologies and Third World Development”.

Ruivenkamp, G., ‘Biotechnologie: Een revolutie van bovenaf’ (Biotechnology: A revolution from above), in: NIO-Kroniek, Nr. 37, Amsterdam April-Mei 1985.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift