Breyten Breytebach: 'Liefde is de hele ruimte tussen oorlog en vrede, tussen hemel en hel'

Een gesprek over alle kleuren van de liefde, niet enkel over het bedrieglijke roze van de sentimentele illusie, dat was de opdracht voor deze special. We zochten dus een gesprekspartner die niet alleen liefde maar ook haat, niet alleen zachtheid maar ook geweld ervaren heeft. Iemand die de verschillende lagen van de liefde uitgespit, onderzocht, ervaren en verwoord heeft. Een dichter, met andere woorden. Het toeval -of beter: het poëziefestival ‘Dichters in het Elzenveld’- bracht Breyten Breytenbach naar Antwerpen. Zijn artistieke werk ademt een intense levensdrang uit en bovendien belandde hij in de kerkers van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime wegens zijn liefde voor een Viëtnamese vrouw. Opgeteld maakte dat van hem de gedroomde gesprekspartner, vonden wij.

Of de dichter een catalogus van de liefde heeft, vraag ik. Om het ijs te breken. Want Breytenbach begint zeer tegen zijn zin aan het interview. We zitten elk op een grote, eiken stoel in een middeleeuws salon in het statige Elzenveld, op royale afstand van elkaar. Niet meteen een goede uitgangspositie om tot intieme gesprekken over de liefde te komen. En, neen, hij heeft geen dergelijke catalogus. ‘Ik ben momenteel wel bezig met het samenstellen van een overzicht van alle liefdespoëzie die ik ooit geschreven heb. Daardoor merk ik hoe breed een thema als de liefde gaat, als een landschap in Transvaal: het is de liefde voor je ouders, voor je omgeving, voor je land en voor de schoonheid daarvan, voor het landschap, voor het licht, voor het ritme van het land, voor vrijheid, voor de taal -en dat is een heel intiem gegeven, want de taal is de weg waarlangs al die andere vormen van liefde zichtbaar worden voor jezelf. Taal geeft je greep op de manier waarop je iemand bemint en hoe dat verandert. Taal laat je toe te begrijpen hoe liefde kan grenzen aan vertrouwdheid maar ook aan het mysterie.’

Breyten Breytenbach is een losgerukte man, een blanke Afrikaner die zijn liefde voor zijn moedertaal niet kon en niet wou koppelen aan de aanvaarding van rassenscheiding en uitbuiting. Hij moest zijn land ontvluchten, hij keerde clandestien weer maar werd gevangengenomen. Hij kan nooit meer terug naar de onschuld en het vredige verleden. Dat klinkt door in zijn opsomming van mogelijke liefdes: er zit veel nostalgie in verweven. ‘Dat klopt’, zegt hij, ‘De uitdrukking van de liefde is meestal ook een uitdrukking van verlies. Hoezeer je een moment of een ontmoeting ook kunt smaken en vieren, toch besef je hoe tijdelijk, hoe fragiel en hoe teder dat moment is en hoe de tijd je ontglipt. Hoe onmogelijk het is om een ervaring -ook de meest intense ervaring van liefde- vast te houden in woorden of zelfs in gevoelens.’

‘Want ik ben van jou en nu gewassen van alle schande / van jou waar dolfijnen zich windzacht wenden in de palmen / van jou geheel vrijgelaten in de tuinen van de nacht’, schreef Breytenbach in 1976, het jaar van de leerlingenopstand in Soweto, terwijl hij in de gevangenis zat. En die dichter twijfelt nu hardop aan de kracht van woorden? ‘Ik weet dat woorden de pijn van het verliezen niet kunnen genezen. Ze kunnen datgene dat verloren ging niet terugbrengen. Woorden versterken het gevoel van vluchtigheid dat de liefde omgeeft. Tegelijkertijd is er de bijna magische kracht van de kleur en de geur van woorden die de werkelijkheid omvormen en die een eigen kracht uitstralen -bijna zo sterk als de ontmoeting met een geliefde of met een landschap. Een gedicht schrijf je niet om de fundamentele problemen van liefde en verlies op te lossen, maar om uitdrukking te geven aan deze werkelijkheden. Voor mij is die ervaring even onmisbaar als vliegen voor een vogel.’

Twee verschillende zaken

De kille ruimte lijkt intussen gekrompen tot een warm en menselijk formaat. Het aristocratische Engels van Breytenbach heeft zijn afstandelijkheid verloren en krijgt steeds vaker een glimlach om de mond en licht in de ogen. Ook de suppoosten en de poetsvrouwen, die op de meest onverwachte plaatsen deuren open en dicht laten gaan en in beleefde stilte passeren, worden deel van de intensiteit van het gesprek. ‘Het woord ‘liefde’ is problematisch’, zegt Breytenbach, ‘omdat het zo sterk cultureel gekleurd is. In het Westen roept het woord eerder lichamelijke aantrekkingskracht tussen man en vrouw op, terwijl liefde net zo goed thuishoort in de mystieke literatuur. Je hebt de romantische liefde van de troubadours, de liefde van een ouder voor een kind, de passie voor een man of een vrouw. Maar liefde betekent ook: compassie, mededogen, als poging om echt te weten te komen wat de beleving is van anderen. Mededogen is een heel diepe vorm van liefde.’

Dat betekent dat liefde niet noodzakelijk samenhangt met schoonheid, zeg ik. Ik bedoel: met de schoonheidsidealen en uiterlijke vormen van de modetrends. ‘Schoonheid en liefde zijn twee totaal verschillende zaken. Elke cultuur brengt haar eigen schoonheidsideaal voort. Tegelijk geloof ik dat elke mens een heel diepe behoefte heeft aan schoonheid. Zoals de mens de behoefte heeft aan een ervaring van iets dat hem overstijgt, om zichzelf te kunnen overtreffen. Iemand die beroofd wordt van de gewone, dagelijkse ervaringen van schoonheid -zoals mooie muziek of schilderijen- leert om ook in het lelijke de schoonheid te ontdekken. Het aanvoelen van de muren van een gevangenis, bijvoorbeeld, of de anders zo vreselijk klinkende, weergalmende geluiden in de lange gangen. Voor wie in die gevangenis opgesloten zit, kunnen die zaken net zo mooi worden als schilderijen van Chagall of muziek van Beethoven.’

Het is, met andere woorden, niet de zichtbare schoonheid waarnaar wij verlangen, maar de ontroering? (Heerlijk, vind ik, dat je tijdens een gesprek in het Engels even door kan schuiven naar een woord als ‘ontroering’ dat voor Breytenbachs Afrikaans even helder is als voor mijn Nederlands.) ‘We weten allemaal dat we het gezicht van een oude vrouw uit Kosovo even mooi of zelfs mooier kunnen vinden dan de verschijning van bijvoorbeeld Kate Moss. De schoonheid van de vrouw die decennia van ontbering en recente ervaringen van verdrukking en oorlog achter zich heeft, ligt in het feit dat ze ons ontroert. En dat is véél belangrijker dan uiterlijke schoonheid. Ik zou niet kunnen zeggen dat armoede mooi is, maar ik ben wel op plaatsen geweest waar mensen hun armoede uitdrukten op een zeer waardige manier en daardoor toch weer erg mooi werden. De wijze waarop zo iemand beweegt of zich binnen het landschap gedraagt, de manier waarop men met bijna niets toch probeert zichzelf mooi te maken, dat spreekt zo sterk over de waardigheid van die mensen, dat het begrip schoonheid daardoor een volkomen nieuwe dimensie krijgt. Waardigheid is een sleutelwoord en het verwijst niet naar het gevoel van belangrijk te zijn, maar van iets waard te zijn. Is er iets mooiers dan een oude, arme man of vrouw die zichzelf mooi maakt, ook al weet hij of zij dat de dood achter de volgende bocht wacht? De mens die probeert schoonheid te creëren in het aangezicht van de dood. Dat is mooi omdat het een vorm is van moed én aanvaarding, van waardigheid en schoonheid. Een uitdrukking van liefde, als het ware.’

Porno en spiritualiteit

Tijdens de stilte die ontstaat na die laatste zinnen, realiseren we ons blijkbaar gelijktijdig dat we dreigen los te komen van de grond van het gesprek, van de klei en de wortels van de liefde. We keren terug naar het vertrekpunt met de vaststelling dat -alle mooie bespiegelingen ten spijt- ‘liefde’ meestal verwijst naar een relatie tussen twee mensen, met alle erotische en passionele betekenissen die daarbij horen. Breytenbach neemt dat opstapje echter meteen weer voor een springplank naar hogere sferen. ‘In de tantrische spiritualiteit, een spirituele ontwikkeling binnen het Tibetaanse boeddhisme, is de verbeelding en de beoefening van de erotische liefde een spirituele oefening. Ook als je in India erotische taferelen afgebeeld ziet op tempels, dan is het wel duidelijk dat die afbeeldingen méér verbeelden dan simpele seks. De meditatie en kennis die nagestreefd worden, maken de erotiek zelf echter niet leeg van spirituele betekenis.’ En dan duikt de dichter, als een valk, uit de hoogte loodrecht naar beneden. ‘Het is misschien vergezocht, maar niet onmogelijk om te zeggen dat Playboy en Penthouse vandaag eenzelfde functie vervullen als de basreliëfs in India of de tantrische schilderijen in Tibet.’ Hoezo? Sinds wanneer is porno een spirituele oefening? ‘Porno heeft vandaag natuurlijk niet de hooggestemde intentie die in de hindoetempels en boeddistische kunst wel aanwezig was. Bij porno wordt seks gescheiden van zijn eerste en fundamentele functie. Wat in de historische voorbeelden een verheerlijking van de lichamelijke liefde was, wordt vandaag een commercialisering ervan. Wat verdwijnt, is het relationele. Het spel van aantrekken en afstand nemen, verwachting en ontgoocheling is een zo essentieel onderdeel van erotiek, dat je zonder dat relationele aspect geen erotiek meer overhoudt maar macht. De functie van pornografie zou dan ook kunnen zijn dat ze die macht zichtbaar en ervaarbaar maakt.’

De macht van de liefde

Net nu we het heikele onderwerp van pornografie bespreken, komt een Nederlands koppel en even later een Duitse uitgeefster bij rond de tafel zitten. Er is een uitgebreide lunch voorzien. Maar Breytenbach is intussen helemaal opgegaan in de vele lagen van de liefde, al betekent dat bij hem niet meteen dat hij straalt van romantiek. ‘Het is belangrijk om te erkennen dat in elke liefdesrelatie ook elementen van een machtsspel zitten. Dat wordt meestal ontkend en in elk geval veel te weinig onder ogen gezien. Met als gevolg dat we onszelf én de andere iets wijsmaken. We denken dat we door liefde bewogen worden, terwijl het vooral gaat om de macht die we ontlenen aan de relatie. Er is meer machtsstreven en meer wreedheid in de mens dan we bereid zijn onder ogen te zien. Daarom is het niet onmogelijk dat liefhebben en pijnigen samengaan. Je hebt bijvoorbeeld flagellanten in het katholicisme of in sommige stromingen van de islam. Je hebt asceten die dagen en weken vasten, zittend tegenover een icoon van het heilige. Al die mensen geloven dat ze die zelfverminking uit pure, mystieke liefde doen. Ik denk dat het meer te maken heeft met het wanhopige verlangen jezelf te ontstijgen of met het verlangen naar macht of aanzien. Moeten we dat verwerpen? Ik geloof van niet, want het zijn allemaal pogingen om zicht te krijgen op wat het betekent mens te zijn en veel van de lagen van dat menszijn blijken nu eenmaal niet zo fraai te zijn.’

Als ex-gevangene weet Breytenbach waarover hij spreekt, natuurlijk. ‘Je mond is koud en oud van de wemelende vloeken van de tong- / je neus geïnstitutionaliseerd door de stank van onfrisse lijven / en zure bedorven adems van bruingangers en andere rioolgasten- / je grein of gecastreerde breintje aanvaardt de promiscuïteit / het alleen zijn maar nooit privé.’ Heeft hij in de gevangenis het absolute tegengestelde ervaren van wat liefde is? ‘Liefde is een heel complex gegeven, waarin niet alleen overgave zit, maar ook de behoefte om te veroveren -of om veroverd te worden. In meer extreme gevallen wordt dat dan de behoefte om te onderwerpen of om jezelf te onderwerpen. Maar liefde betekent ook dat je jezelf en de andere tot zalige ervaringen wilt brengen, dat je méér wilt doen dan je spontaan zou kunnen. Liefde is de hele ruimte tussen oorlog en vrede, tussen hemel en hel. Daarom is het ook de behoefte om je eigen eindigheid en beperktheid op te heffen. Liefde is het streven naar eeuwigheid en onveranderlijke schoonheid, het verlangen ook naar trance -het opgaan in een wereld die deze wereld niet is. De mooie kanten van de liefde werden echter in bijna alle culturen en in alle tijden eenzijdig uitvergroot, geïdealiseerd, zodat liefde uiteindelijk vaak een illusie geworden is. Liefde als een soort strohalm waaraan de mensheid zich vastklampt om te kunnen geloven dat we beter zijn dan we in feite zijn.’

De christelijke liefde, die oproept ‘je vijand te beminnen’, zit volgens Breytenbach dan ook gevaarlijk dicht bij een illusie. ‘Het zou prachtig zijn indien we onze vijanden zouden liefhebben, maar ik vrees dat het voor de meeste mensen minder een deugd is dan een psychologische verdringing. Indien je deze oproep van Christus benadert als een dogma -iets dat je moét doen- dan zorgt ze niet voor een persoonlijke ommekeer, maar voor hypocrisie: je doet jezelf anders voor dan je in werkelijkheid bent. Bovendien is er het probleem van de wederkerigheid. Als jij je vijand bemint, kan dat dan liefde zijn als hij die niet beantwoordt? Is het mogelijk iets of iemand te beminnen in het volle bewustzijn dat wederkerigheid onmogelijk is? Ik weet het niet.’

Het woord is te klein

De toestromende gasten voor de lunch keuvelen rustig onder elkaar, terwijl het gesprek afgerond wordt. Ik probeer een samenvattend orgelpuntje te plaatsen. Of die wederkerigheid misschien net het verschil maakt tussen liefhebben en ‘aangetrokken worden tot’, ‘verlangen naar’, ‘ontroerd worden door’, ‘verhangen zijn aan’? Maar een dichter wil van geen samenvattingen weten, natuurlijk. Ook niet als hij ze zelf aanbrengt. ‘Is dat onderscheid zo duidelijk te maken? Je hoort mensen toch vaak zeggen: ‘Ik hou van die muziek’. Wat ze bedoelen is toch dat ze ontroerd worden door de schoonheid van dat kunstwerk en dat ze er daarom van houden. Die ervaring van schoonheid is in zekere zin een ervaring van wederkerigheid. ‘Ik hou van dit schilderij’ betekent namelijk ook dat ik er van hou op een manier waarop niemand anders dat zou kunnen. Er moet een soort persoonlijke relatie zijn tussen mij en dat schilderij. Je kan toch ook een erotische relatie hebben met een voorwerp -een steen, een boom, een doek- of niet? Liefde is altijd een te klein woord voor de veelheid aan menselijke ervaringen die ermee aangeduid worden. En tegelijk is het te groot voor de verwarde en tegenstrijdige gevoelens die eronder schuilgaan.’

Is ‘houden van muziek’ een gevoel dat ik onder de hoofding ‘liefde’ zou plaatsen? Ik ben er nog volop mee bezig als ik in de wagen stap en de radio aan zet. Alsof de presentator op me heeft zitten wachten, kondigt hij een zestiende-eeuwse pavane aan, uitgevoerd door Jordi Savall en Hespèrion XX. Mijn lievelingsmuziek. Ik blijf stil zitten en laat de woorden van Breytenbach even meedansen op de muziek die zo uit de kamers van het Elzenveld zou kunnen komen: ‘De liefde wordt omringd door een hele pavane van bewegingen en handelingen: een oogopslag, een aanraking, brieven, verdriet, verlangen. Het is een ritueel, een viering van verlangen en verlies.’ Twee minuten viertien seconden duurt de pavane. Ik hou van die muziek.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur