De Europese Titanic is lek

Ontwikkelingshulp is geen groot thema voor de Europese verkiezingen deze maand, ook al is de Europese Unie wereldwijd de grootste donor van ontwikkelingsgeld. Helaas lijkt het EU-hulpbeleid soms op een op drift geslagen schip zonder duidelijke koers. Ontwikkelings-ngo’s pleiten voor meer Europese middelen, maar zijn ze bereid zelf meer transparantie te bieden?
Aan de ingang van het pittoreske Guatemalaanse dorp Cuilco staat een bord met de boodschap: ‘Project voor Onderwijs, Gezondheid en Voeding - Gefinancierd door de Europese Commissie.’ Het bord vermeldt ook dat het de niet-gouvernementele organisatie ORT Deutschland is die het Europese manna tot in Cuilco bracht. Een inspecteur van het Luxemburgse ministerie van Buitenlandse Zaken las deze mededeling en lanceerde een onderzoek. De Europese antifraudedienst Olaf stelde later vast dat ook ORT Luxembourg in eigen land financiering ontvangen had voor exact hetzelfde project in exact hetzelfde Guatemalaanse dorp. Die Luxemburgse ngo had het ministerie van Buitenlandse Zaken nooit ingelicht over het feit dat het project ook al door de Europese Commissie gefinancierd werd.
Het Luxemburgse ministerie contacteerde EuropeAid -de in 2001 opgerichte EU-dienst voor ontwikkelingssamenwerking, naar analogie van het Amerikaanse USAid- over de zaak en diende klacht in bij het parket tegen de voorzitter van ORT-Luxembourg. Dat was wat pijnlijk want het ging om een ‘voornaam persoon’ uit het kleine Luxemburgse wereldje, met een hoog te houden reputatie. De voorzitter verklaarde dat hij nooit iets geweten had van de aanvraag bij de Europese instanties door een andere ngo. Olaf schakelde in 2001 uiteindelijk de justitiële autoriteiten in vier landen in: de openbaar aanklagers in Brussel, Luxemburg, Frankfurt en het Serious Fraud Office in Londen. Van de Belgische justitiële autoriteiten, die het onderzoek uiteindelijk coördineerden, is sindsdien weinig meer vernomen. ‘Terwijl deze zaak zo klaar als een klontje is’, aldus een speurder. Geen van donoren was zich ervan bewust dat ook andere weldoeners dit project financierden.
Een speurder: ‘Ze hadden voor dit project een miljoen euro nodig en kregen anderhalf miljoen. De ngo gebruikte een soort Robin Hood verdediging: “We namen dit geld van de rijken om het aan de armen te geven.” ORT bleek lokale afdelingen en partners in Afrikaanse landen ook opdracht te geven financiering te vragen voor projecten waar de ngo elders al financiering voor had gekregen. Ten slotte werd ook vastgesteld dat EuropeAid nog nooit enige controle op deze projecten had uitgeoefend. ORT, dat zijn hoofdkwartier heeft in Genève, is naar eigen zeggen één van de grootste ngo’s ter wereld voor wat het faciliteren van onderwijs en trainingen betreft. Het motto van deze al in 1880 in tsaristisch Rusland opgerichte organisatie is ‘help mensen zichzelf te helpen’.

Geen schandalen, aub


De Europese Unie voorzag in 2002 voor EuropeAid een budget van 6,5 miljard euro. Neem daarbij de miljarden die de lidstaten afzonderlijk uitgeven, en Europa is de grootste donor voor ontwikkelingshulp ter wereld. (zie kader: Duizelingwekkende getallen) Een flinke brok van dat geld wordt gekanaliseerd via ngo’s. Het is dus niet overbodig om goed toe te zien op het gebruik van die gelden.
Het verhaal van de scheef schaatsende ORT is helaas geen geïsoleerde voorbeeld. Van de 563 nieuwe fraudeonderzoeken die in het werkjaar 2002-2003 door Olaf werden geopend, hadden er 123 te maken met “buitenlandse hulp” Het betreft gesjoemel met hulp aan de nieuwe lidstaten, en steeds vaker met hulp aan ontwikkelingslanden- goed voor 371 lopende onderzoeken. Dat is niet weinig. De Europese Commissie besteedt dan ook steeds meer aandacht aan fraude met ontwikkelingshulp, en spaart daarbij ook de ngo’s niet. Voor Olaf vormt onderzoek naar de financiering van bepaalde ngo’s zelfs een prioriteit, zeker als er een verband wordt vermoed tussen ontwikkelingshulp en georganiseerde misdaad. Dergelijk onderzoek naar fraude met ontwikkelingsgeld is relatief nieuw.
Openlijk spreken over fraude met ontwikkelingsgeld ligt zeer gevoelig, zeker als er ngo’s bij betrokken zijn. Schandalen of concrete veroordelingen kunnen immers heel snel het draagvlak voor de hulpbusiness bij de publieke opinie ondergraven. Dat aandacht voor problemen in verband met ontwikkelingshulp ook helend kan werken, bleek in eigen land naar aanleiding van de Abos-schandalen. Toen De Morgen-journalist Douglas De Coninck medio jaren negentig zijn reeks publiceerde over het Abos (de toenmalige administratie belast met uitvoering van het Belgische ontwikkelingsbeleid) was er in eerste instantie ook veel kritiek die wees op de schade die bonafide organisaties zouden oplopen door de sfeer van verdachtmakingen. Toen de ergste storm was gaan liggen, werd het duidelijk dat het op lange termijn een goede zaak was dat de door politiek en bedrijfsleven vervuilde Abos-stal eens goed werd uitgemest.

Doorkijkorganisaties


Wereldwijd vormen ngo’s stilaan een belangrijke machtsfactor. Hun aantal groeide van amper 5000 in de jaren zeventig tot ruim 50.000 nu. Het gaat dan niet alleen niet om organisaties rond ontwikkelingssamenwerking, het spectrum reikt van kleine onafhankelijke actiegroepen tot internationale milieu- en dierenrechtenorganisaties. Ze zijn een vast onderdeel van de ontwikkelingsbusiness geworden. Volgens auteur en onderzoeker Marc Vandepitte groeien ‘heel wat van deze liefdadige ngo’s uit tot ware multinationals met budgetten van miljoenen dollars. De totale jaarlijkse omzet van deze ngo’s bedraagt volgens de VN meer dan tien miljard.’ Dat betekent dat de goededoelenorganisaties twintig procent van de vijftig miljard dollar die de wereldgemeenschap jaarlijks aan hulp uitgeeft voor hun rekening nemen.
Jan Mulder, Nederlands europarlementslid, zei in juni 2003 tijdens een debat in het Europees parlement: ‘De niet-gouvernementele organisaties blijken in de praktijk vooral gouvernementeel geld te krijgen. In 2002 gaat er 1,5 miljard euro naar ngo’s. Dat is best veel. Daarom hebben we besloten 5 procent van begrotingslijnen voor ngo’s in 2004 voorlopig te bevriezen. We zullen vanuit het Europees Parlement nauwer gaan toezien op de financiering van ngo’s.’
Mulder heeft zelf bijna een kwart eeuw voor ngo’s gewerkt in Afrikaanse landen. ‘Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe het er aan toe kàn gaan.’ Daarmee bedoelt Mulder dat er niet altijd even bewust met geld voor armoedebestrijding wordt omgegaan. De verhalen over ontwikkelingswerkers die leven als neokolonialen zijn legio en alle ethisch bewuste en hard werkende hulpverleners kunnen daar niet altijd tegenop. Dat wanpraktijken in veel gevallen lange tijd kunnen doorgaan, heeft te maken met een sterk ontwikkeld wij-tegen-de-rest-van-de-wereld gevoel.
Zelfs mensen die misbruiken bij hun eigen organisatie vaststellen, houden hun mond omdat de doelstellingen van hun club nobel zijn én omdat ze weten dat de buitenwereld genadeloos zal reageren als een en ander openbaar zou worden. Dat geldt zelfs voor volkomen legale toestanden, zoals de (riante) jaarsalarissen die humanitaire of medische organisaties soms uitkeren. Begin 2004 vertelde Gosse Bosma, directeur van de Nederlandse Vereniging van Fondsenwervende Instellingen, in de Volkskrant dat de liefdadigheidsmanagers in Nederland al snel meer dan 150.000 euro per jaar verdienen.
‘We zijn volledig afhankelijk van het publieksvertrouwen. Eén affaire kan ertoe leiden dat het publiek zegt: ik vertrouw de hele boel niet meer. Om dit te voorkomen moeten we met de billen bloot.’ Voor alle duidelijkheid: de Vlaamse collega-directeuren moeten het meestal met een derde van de Nederlandse brutolonen stellen. Toch geldt ook in Vlaanderen dat een zo groot mogelijke transparantie cruciaal is, willen de Noord-Zuidbeweging hun controlerende en mobiliserende taak op een geloofwaardige manier blijven uitoefenen. En dat hun inbreng nodig is, staat buiten kijf.

Water naar de zee


Geld geven is één zaak, zorgen dat dat geld goed besteed wordt is er een andere. En daarvoor moet er meer gebeuren dan eventuele fraude tegengaan. Terwijl de wereldgemeenschap niet in staat blijkt om 100 miljard dollar bijeen te brengen -het bedrag dat volgens de VN nodig is om honger en extreme armoede uit de wereld te helpen- zwelt de financiële stroom vanuit het Zuiden naar het Noorden volgens sommige onderzoekers aan tot wel 3600 miljard dollar. Dat enorme bedrag is het resultaat van de opgetelde verliezen ten gevolge van verslechterde ruilvoet, dalende grondstofprijzen, schuldaflossingen, kapitaalvlucht, lage lonen, braindrain, belastingontwijking van bedrijven… Structureel verandert er aan de armoede en de onderontwikkeling dus weinig tot niets en de pijnpunten in de Noord-Zuidverhouding blijven nog steeds dezelfde: de landbouwsubsidies in het Noorden, de beperkte markttoegang in zowel Noord als Zuid, slecht bestuur, corruptie, het gebrek aan sociale rechten in arme landen en aan mondiale, democratische inspraak in internationale instellingen.
De EU is wel vóór ontwikkelingshulp, maar doet zo goed als niets om tot een structurele aanpak van het probleem te komen. De hulp legt uiteindelijk toch onvoldoende gewicht in de schaal om structurele veranderingen te veroorzaken. Mieke Molemans, voorzitter van 11.11.11, noemt het ‘ongelooflijk triest’ dat de politieke wereld het vraagstuk van herverdeling kennelijk niet al te serieus neemt, ondanks de mooie intenties van toppolitici als Verhofstadt: ‘De politieke wereld zou moeten erkennen dat ze momenteel op mondiale schaal onvoldoende macht kan uitoefenen over de economische actoren, inclusief instellingen als IMF, WTO en Wereldbank.Want hoe je het draait of keert, armoedebestrijding bestaat in de eerste plaats uit voldoende fatsoenlijk betaalde jobs. Daar laten politici te veel vrij spel aan economische actoren.’
Toch blijft het ook een heel belangrijke vraag of de kwantitatief grote inbreng van Europa in de ontwikkelingssamenwerking ook kwalitatief vruchten afwerpt in het Zuiden. De Europese Commissie doet pas recent pogingen om de effectiviteit van haar programma’s te meten. De Europese Rekenkamer probeert het zo nu en dan. In 2003 publiceerde deze een speciaal verslag over de hulp aan India, bijna een half miljard euro tussen 1990 en 2001. De Rekenkamer pleit in dat rapport voor meer realisme, meer controle en een juiste strategie om projecten na verloop van tijd op eigen benen te laten staan.
Wil de Europese Commissie zogenaamde sectorale programma’s steunen -geld geven dat de lokale overheid binnen een bepaalde sector naar eigen goeddunken kan besteden- dan moet de Commissie ook controleren wat er met dat geld gebeurt, zo stelt de Rekenkamer nog. Tot slot pleit ze voor een coördinatie tussen alle donoren, in plaats van het huidige, versnipperde beleid waarbij iedereen met zijn eigen projecten bezig is.

De kleren van de keizer


In 2002 publiceerde Mirjam Van Reisen, ontwikkelingsdeskundige en directeur van adviesbureau European External Policy Advisory (EEPA) het rapport Tackling Poverty. Het rapport onderzoekt de effectiviteit en de omvang van de Europese hulpstroom. Conclusie: zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak schiet de EU tekort. Op basis van ervaringen uit de praktijk en rapporten van de OESO kwam Van Reisen tot de vaststelling dat de hulp-euro’s de armen in de wereld onvoldoende bereiken.
Een algemene conclusie van haar rapport was dat het op papier bestaande Europese ontwikkelingsbeleid amper vertaald werd in concrete hulpprogramma’s. De onderzoekster merkt ook op dat het EU-hulpbeleid (Directoraat-Generaal Ontwikkeling onder Europees commissaris Poul Nielson) ondergeschikt is gemaakt aan het buitenlandse beleid (DG Externe Relaties van Europees commissaris Chris Patten). Het gevolg daarvan is bijvoorbeeld dat hulp steeds meer gericht wordt op het indammen van migratie en dus op landen die rond de Europese buitengrenzen gelegen zijn, in Oost-Europa en de Middellandse Zee. Dat zijn landen die het niet breed hebben, maar ze behoren niet tot de categorie van Minst Ontwikkelde Landen.
Volgens Van Reisen wordt de Europese hulp steeds meer geconditioneerd. Dat wil zeggen dat een ontwikkelingsland pas hulp krijgt als het ook allerlei beleidsafspraken op het vlak van bijvoorbeeld migratie, terrorisme- en drugsbestrijding ondertekent. Van Reisen:’Of dat goed is of niet, hangt af van de formulering en inhoud van die koppeling. Zo is het bijvoorbeeld geen slechte zaak om hulp stop te zetten voor een land waar de mensenrechten massaal worden geschonden.’ Het is best mogelijk dat de toekomstige Europese minister van Buitenlandse Zaken ontwikkelingshulp nog meer zal gebruiken als instrument in zijn strategische buitenlandpolitiek of voor het onderbouwen van defensieve belangen op de korte termijn. Zoals het Amerikaanse UsAid al vele jaren wordt ingezet voor de strategische belangen van de VS, dreigt EuropeAid dat te gaan doen voor de EU.
De Britse en Duitse koepels van ontwikkelings-ngo’s (BOND en Venro) delen die vrees. Volgens hen is de kans groot dat ontwikkelingsgeld in de toekomst vooral ten goede zal komen van de nieuwe leden van de Europese Unie en de rijkere ontwikkelingslanden. De Minst Ontwikkelde Landen worden het kind van de rekening, waarschuwen ze. De autonomie van ontwikkelingssamenwerking dreigt helemaal verloren te gaan.
Het kan ook anders. ‘Het EU-ontwikkelingsbeleid wordt momenteel als een minder urgent onderwerp beschouwd, terwijl het juist een cruciaal element zal vormen voor het buitenlands beleid van de EU’, zei de Nederlander Koos Richelle, directeur-generaal van het DG Ontwikkeling in het najaar 2003 tijdens een toespraak. Hij somt verschillende redenen op.
Ten eerste vormen gelijkwaardigheid, internationale solidariteit, menselijke ontwikkeling en burgerschap belangrijke waarden en principes die het hart van de Europese beschaving vormen. En: ‘Om zijn model te behouden en te versterken heeft de EU politieke stabiliteit (vrede) nodig en derde landen die in staat en bereid zijn om Europese producten te kopen (markten).
Ontwikkelingssamenwerking levert op beide fronten wat op.’ Ontwikkelingshulp moet, zo stelt Richelle, de oorzaken van mondiale instabiliteit en onzekerheid aanpakken, economische groei bevorderen, de positieve effecten van globalisering bevorderen en de negatieve verzachten. De Europese hulp dient dus een brede agenda door tegelijk zowel de internationale ontwikkelingsdoelstellingen als de politieke en economische belangen van de EU te realiseren. Het klinkt allemaal erg mooi. Gelukkig zijn er genoeg ngo’s aan de slag om de mooipratende EU geregeld een spiegel voor te houden, zodat men ook in Brussel kan zien dat de keizer vaak naakt is. Zelfs als zijn kleren miljarden euro per jaar kosten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

randomness