Een leven zonder onderpand

Mijn zuster zag zichzelf uit het vliegtuig stappen. Officiële verwelkomers zouden haar ontvangen, haar bij de hand nemen en schouderklopjes geven. Ze zou een nieuw leven beginnen in dit modelland, verwarmd door de aanmoedigende glimlach van haar nieuwe landgenoten.
Hanan al-Shaykh is een vooraanstaande stem in de Arabische literatuur. Romans zoals Het verhaal van Zahra en Beiroet Blues bezorgden haar een plaatsje onder de zon van de wereldliteratuur. Ze publiceerde onderstaand kortverhaal naar aanleiding van de polarisering waarin de wereld terechtkwam na 11 september 2001. Een brokje literatuur waarin de roze bril van de immigrant niet erg vast op de neus staat.
Ik ben ditmaal degene die Amerika bezoekt, maar ik herinner me nog goed hoe Amerika terechtkwam in onze wijk en in ons huis. Ik was een kind, en ik herinner me hoe ik alle hoofden die zich er gretig over bogen en alle handen die het probeerden aan te raken, opzij duwde. Het was een rood satijnen kussen met het beeld van een goedgezinde vrouw erop. Zij droeg een kroon op haar hoofd en ze hield een lamp of een toorts in haar hand. Het kussen werd vergezeld door een prentbriefkaart waarop hoge gebouwen stonden, die eruit zagen zoals de houten art deco kolom in onze zitkamer, waarvan ik het glazen hart ooit éénmaal zag oplichten.
Mijn neef stuurde Amerika naar ons thuis, nadat hij er voor luchtvaartingenieur ging studeren. Toen hij vier jaar later terugkeerde, werden ter ere van hem schapen geslacht. Hij was op slag een beroemdheid. Alle aandacht richtte zich op ons huis, alsof we met zijn allen beroemd geworden waren.
We zijn nu jaren later, en ik kom mijn zuster bezoeken in Amerika, in een staat vol palmbomen. Zodra we geland zijn, hoor ik mij moeders bittere zuchten, en ik vraag me af waarom de zon niet beschaamd is te schijnen. Mijn moeder zucht uit de diepste diepten van haar hart, alsof ze hoopt op die manier een onderkomen te vinden voor mijn zuster en haar drie kinderen. Overmorgen zullen ze dakloos gemaakt worden. Mijn moeder weet niet wat dat is. Zij is nooit zonder huis geweest in Beiroet, ondanks de oorlog en ondanks het geweld. ‘Het is alsof wij geboren zijn met ons huis op onze rug, zoals schildpadden’, zegt ze.
Mijn neefjes en nichtje doen hun best om al hun spullen te verzamelen, maar wat moeten ze met hun posters en met de muren die hun muziek en hun stemmen weerkaatst hebben? Mijn zuster loopt rond om kleren en boeken op te rapen, alsof ze koren oogst, ze pikt schoof na schoof op, maar voor haar ogen ziet ze nieuwe aren uit de grond schieten. Tussen haar kleren en handtassen zie ik een riem die ooit van mij was. In plaats van me te verheugen in de herinneringen aan de gelukkige dagen in Beiroet die dat kledingstuk oproept, voel ik me triest: nu heeft ook die riem geen kast om in te liggen.
Mijn neefjes roepen tegen mijn zuster omdat ze papieren weggooit, ze vallen uiteen van ouderdom, maar de kinderen hadden ze in een hoekje klaargelegd om mee te nemen. Hun kabaal alarmeert mijn moeder, en mijn zuster dreigt ermee de politie te roepen. Het enige effect daarvan is dat iedereen eraan herinnerd wordt dat het uitgerekend de politie was die het bericht bracht dat ze de flat moesten ontruimen, na een klacht van de buren. Dat was niet de eerste keer. De kinderen van mijn zuster kunnen zich enkel ontspannen als ze naar rapmuziek luisteren. Dat ritme herstelt hun evenwicht. Het zijn zelf getalenteerde muzikanten die hun eigen teksten schrijven en ze op muziek zetten. Als dit een andere buurt geweest was, dan zouden hun ongevraagde concerten gezien worden als voedsel voor de ziel van iedereen die het zou horen.
In het verleden stuurde mijn zuster me zo nu en dan foto’s van mijn nichtje en mijn neefjes. Amerikanen, behalve hun Arabische ogen. Vraag me niet hoe Arabische ogen eruit zien. Ze hebben iets zoekends, misschien, met een tikkeltje ondeugendheid, misschien. Ik glimlachte erbij, en stelde me voor hoe ze door de mist huppelden, lunch boxes onder de arm, baseball petjes op hun hoofd, popcorn knabbelend in een wolk van koekjes en kauwgum die uitgesproken geur van hun schoolkastjes. Hun kamers beeldde ik me in als speelgoedwinkels, en later als kelders waarin de tieners die ze dan geworden waren zich zouden verschuilen met hun dromen en puisten.
In werkelijkheid zie ik hier voorzichtige uitdrukkingen, ogen die verveeld maar opstandig staan, en de kamers waarin de kinderen leven zien er eerder uit als garages of tijdelijke schuilplaatsen, waar het lichaam kan rusten maar de ziel niet.
De klok tikt. Tik tak. Tik tak. Mijn moeder klimt boven op haar zeven grote koffers en bedekt hen met een laken, zodat ze kan vergeten dat ze bestaan. Ze heeft al spijt dat ze geschenken gekocht heeft voor de buren, vrienden, verwanten en de lokale bakker in Beiroet, die allemaal iets uit Amerika verwachten, al was het maar een wegwerpasbak van MacDonald’s. Iedereen wil wat uit Amerika, herbruikbare luiers bijvoorbeeld, alsof de darmen niet zullen doen wat ze verondersteld worden te doen als ze maar blootgesteld worden aan het verkeerde soort textiel. Mensen willen spreien, geneesmiddelen, kinderspeelgoed, nagellak, ponnetjes, schoenen van alle maten en kleuren. Ik zie het zo gebeuren, hoe mijn moeder alles in het midden van de zitkamer gooit bij haar terugkeer: ‘Vooruit. Pas ze. Neem ze als ze goed zitten.’
Mijn moeder legt haar hand tegen haar voorhoofd, alsof ze probeert er een naam uit te vissen, iemand in Amerika om te contacteren. Tevergeefs. Mensen hier zijn als zijdewormen die in hun cocon gehuld zijn. Waarom is Amerika leeg? Waar zijn de mensen? Ik wil de eigenaar van dit gebouw zien. Mijn moeder bezweert mijn zuster met hem te praten: ‘Hij is toch ook een mens. Je kan hem smeken aardig voor je te zijn, omwille van je kinderen, en je toch te laten blijven. We zullen hem vertellen dat dit land voor je echtgenoot niet méér betekende dan vrouwenborsten, blond haar en alcohol, van zodra hij voet op Amerikaanse bodem zette. We zullen vertellen hoe hij je achterliet voor zo’n del, en hoe moeilijk het dus wel is voor jou om je kinderen op te voeden. We kunnen de eigenaar beloven dat je kinderen geen instrumenten meer zullen bespelen en dat ze geen muziek meer zullen beluisteren vanaf nu. Tenslotte is dit het land van de vrijheid… en die vrijheid moet toch ook reiken tot in de straten en huizen, zoals bloed en zuurstof het hele lichaam bereiken?’
Mijn moeder is zo tevreden met haar vergelijking dat ze haar blijft herhalen, tot mijn zuster zegt dat ze moet zwijgen. Zij hangt aan de telefoon en probeert een andere flat te vinden. Het haalt niets uit: mijn zuster is intussen een bekende voor de meeste verhuuragentschappen, ze is als een kat die haar jongen voortdurend van de ene plek naar de andere brengt. Na ontelbare pogingen gooit ze de telefoon dicht.
‘Onderpand, onderpand. Dat is alles waarnaar ze vragen. Dat heeft me vroeger parten gespeeld en er is nog niets veranderd.’
zag mijn zuster zichzelf uit het vliegtuig stappen. Officiële verwelkomers zouden haar ontvangen, haar bij de hand nemen en schouderklopjes geven. Ze zou een nieuw leven beginnen in dit modelland, verwarmd door de aanmoedigende glimlach van haar nieuwe landgenoten. Amerika was het land van de dromen, uitgestrekt tot in het oneindige, anders dan alle andere landen ter wereld. Er waren geen achterhaalde wetten. Zijn grondwet was gebaseerd op gelijkheid en rechtvaardigheid. Nu voelt ze zich als een vis, gevangen in een net, als ze geen onderpand kan bedenken. En als ze wel een manier vindt om voor dat onderpand te zorgen, dan wordt dat een schuld waarin ze zal verdrinken. Schulden die op haar neerregenen van alle kanten eenmaal die bal aan het rollen gaat.
Haar handen zijn gebonden. De bureaucratie heeft zijn gif in haar aderen geïnjecteerd en haar vastberadenheid gesmoord. Als immigrante moet ze cash op tafel kunnen leggen, of ze is eraan. Zij, die naar het land van de dromen kwam zoals Venus uit de zee verrees, naakt op haar lange haren na. Zij had geen referenties die haar toelieten een bankrekening te openen, geen permanent adres, geen kennissen met invloed of status of huizen, die haar krediet en steun hadden kunnen geven tot ze op eigen benen kon staan, haar de middelen hadden kunnen geven om een flat te huren, een auto te kopen, een bankrekening te openen.
Ze moest op slag een baan vinden en dat was onmogelijk. De concurrentie voor werk was zoals een oorlog, ze wist meteen hoe hard de maatschappij was waarin ze leefde. Ze pleitte voor een beetje tijd, om te wennen aan de omgeving, de nieuwe cultuur, de ongewone manier van leven. Het versterkte allemaal haar gevoel van onzekerheid en beroofde haar van haar zelfvertrouwen. Het ene sollicitatiegesprek volgde op het andere.
Dat hele proces herhaalt zich nu voor de ogen van mij en mijn moeder. Uiteindelijk is er een positieve reactie van een van de verhuuragentschappen en enkele uren later arriveert een bediende van het kantoor om het contract te onderhandelen. Mijn moeder en ik zijn opgezet met het feit dat deze vrouw zelf naar hier komt, maar mijn zuster ziet het als een slecht teken: ‘Ze wil er zeker van zijn dat ik geen dakloze ben.’
De vrouw zit in het midden van de kamer, laptop op de schoot, ze kijkt verontrust rond. Ze weigert de koffie van mijn moeder en vraagt mijn zuster of ze echt wel een baan heeft, want ze probeerde het kantoornummer maar niemand nam op. Mijn zuster antwoordt dat ze vandaag niet op kantoor was. Mijn moeder komt tussen: ‘Ziek’, legt ze uit, en ze wijst naar haar hart.
‘Als je moeder ziek is, zal zij dan ook bij u inwonen?’
Mijn zuster antwoordt dat mijn moeder enkel op bezoek is, en dat ze volgende week vertrekt.
‘Bent u daar zeker van? Misschien verandert uw moeder van mening en blijft ze in de Verengde Staten.’
‘Ik?’ onderbreekt mijn moeder opnieuw? ‘Hier blijven? Ik ga nog liever dood.’
De vrouw begrijpt niet wat mijn moeder bedoelt, en ze vraagt mijn zuster haar rijbewijs te tonen. Mijn zuster antwoordt onbeholpen: ‘Ik heb geen wagen. Ik kan niet rijden.’
‘Hoe gaat u dan naar kantoor? U vertelt me net dat u een baan hebt!’
‘Ik neem de bus.’
‘Wat? Met de bus? Alleen oude mensen nemen de bus.’
De vrouw kijkt de lege kamer rond. Ze gelooft niet wat ze hoort, ze probeert de waarheid te vinden tussen de overblijvende spullen en mijn moeders zeven koffers. Dan vraagt of beter ondervraagt ze mijn zuster opnieuw: ‘Kan dat wel, dat u geen wagen hebt?’
‘Kent u de grap van die man die een boete kreeg van de politie omdat hij betrapt werd op wandelen?’
‘De vrouw glimlacht niet. Ze vraagt de namen van de mensen waarmee mijn zuster werkt. Mijn zuster bloost en wordt zo rood als een granaatappel, zeker als de vrouw een borgsom van vier maanden huur eist in plaats van twee maanden, aangezien er geen onderpand is.
Nadat de vrouw verdwenen is, zucht mijn moeder. ‘Als die taxichauffeur in Beiroet eens wist wat jou en je kinderen overkomt. Ik weet niet eens waarom ik je bezoek. Ik wist dat je je op drijfzand begaf, dat je beetje bij beetje zou wegzakken, dat je er nauwelijks in zou slagen je hoofd boven de oppervlakte te houden. Als hij eens wist wat er echt omgaat in Amerika… maar hij zou het nooit geloven.’
De taxichauffeur sloeg van afgunst met zijn hand tegen zijn voorhoofd toen hij hoorde dat zijn passagiers een retourticket hadden naar de States, en een geldig visum.
‘Waarom redt jouw foto met Reagan ons niet?’ vragen we grappend aan mijn moeder. Het is een foto van haar met een poster van Reagan op de achtergrond. Het ziet er zo echt uit, dat sommige mensen in Beiroet geloven dat ze bevriend is met hem en ze vragen haar om haar invloed aan te wenden zodat ze een visum kunnen krijgen.
We slapen, of liever: we sluiten onze ogen om te rusten, zodat we knopen kunnen doorhakken.
Mijn moeder en zuster vinden een onderkomen bij een vriend. Mijn neefjes bezweren ons dat zij bij een vriend kunnen blijven, maar ze slapen op het strand, zoals ze al zo vaak gedaan hebben, verwarmd door de heldere sterren en beweend door de ochtenddauw.
Mijn nicht slaapt in de wagen van een vriend. Het hart van mijn moeder staat in vuur en vlam, en is tegelijk ijskoud. Ik verlies mijn jeugdherinnering van een oude Amerikaanse vrouw met oorringen als kleine vogels in hun kooitjes. Zij staarde verbaasd naar de Romeinse ruïnes in Baalbek en ik wou dat mijn eigen grootmoeder ook zo door de wereld kon reizen. Ik vergeet het gevoel van de “cowboys”, zoals wij jeans noemden, die mijn vader geleend had van een vriend die een kledingzaak had. Hij liet me beloven dat ik ze enkel op het schoolfeestje zou dragen. Uiteindelijk durfde ik ze helemaal niet dragen, maar was ik al gelukkig met het bekijken en betasten van die broek. Telkens ik ernaar keek, zeg ik een stukje Amerika dat voor me uit liep, en dat zich niets aantrok van de kreten ‘Schaamte!’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2945   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift