“Energiebeleid moet vraag uit ontwikkelingslanden volgen”

Ontwikkelingslanden moeten zelf bepalen welke vormen van energie ze willen. “Hun vraag is veel belangrijker dan onze wens om in duurzame energie te investeren”, zei Lesha Witmer, voorzitter Commissie Duurzaam Samenleven van de Nederlandse Vrouwen Raad (NVR) gisteren (13 september) tijdens het publieksdebat ‘Energie voor de armen’ in Den Haag.
Meer dan 150 vertegenwoordigers van de private sector, ngo’s, universiteiten en onderzoekscentra debatteerden gisteren over de vraag hoe Nederland het beste invulling kan geven aan de doelstelling om in 2015 tien miljoen mensen in ontwikkelingslanden van moderne energie te voorzien. Volgens Witmer wordt daarbij nog steeds te weinig naar de wensen van mensen in ontwikkelingslanden gekeken. “We onderschatten te vaak dat mensen in het Zuiden zelf in staat zijn keuzes te maken. Hun vraag is veel belangrijker dan onze wens om in duurzame energie te investeren.”

Allereerst moet er volgens Witmer een duidelijk draagvlak in de gemeenschap bestaan. Een eis vóór investering zou eigenlijk een duidelijk, officieel rapport van lokale civiele organisaties moeten zijn. “Vooral vrouwen hebben gevoel voor verantwoordelijkheid en kiezen in de praktijk doorgaans voor duurzame energie. Ze zien het klimaat niet als factor die telt, maar ze letten op betaalbaarheid en beslissen uit veiligheidsoverwegingen voor hun omgeving. Ze weten zelf wat goed voor ze is, vooropgesteld dat ze op basis van goede informatie in staat zijn geweest de afweging te maken” aldus de voorzitter. Nederland zou zich vooral moeten richten op kennisoverdracht over duurzame energie.

“Energie is essentieel voor economische ontwikkeling”, zei Ibrahim Togola uit Mali, de directeur van het Mali-Folkecenter. “Energie is immers de katalysator voor economische ontwikkeling. Een land dat de energieproductie onder de knie heeft, is tevens meester over de economische ontwikkeling”. Volgens Togola hebben de meeste Afrikaanse landen veel natuurlijke hulpbronnen. “Het merendeel importeert olie, maar een economie gebaseerd op het gebruiken van olie brengt Afrika nergens. De nadruk moet liggen bij duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.” Togola denkt dat zonne- en windenergie het meest geschikt zijn voor het opwekken van energie bij economische activiteiten op kleine schaal, zoals het opladen van batterijen of het gebruik van waterpompen in afgelegen gebieden.

Van de 800 miljoen mensen die in Afrika bezuiden de Sahara wonen, hebben 500 miljoen mensen geen toegang tot elektriciteit. Dit is 64% van de bevolking. Zo’n 340 miljoen Afrikanen leven van minder dan een dollar per dag. Vijftig procent van de Afrikanen leeft op het platteland waar het gebrek aan economische activiteiten tot stijging van de armoede leidt, vooral bij jongeren.

“Het is niet alleen een Afrikaans probleem” verzekerde de Nederlandse minister Van Ardenne van Ontwikkelingssamenwerking. “Twee miljard mensen wereldwijd hebben geen elektriciteit en 2,6 miljard mensen zijn dagelijks afhankelijk van traditionele, ongezonde en inefficiënte vormen van energie. Toegang tot energie voor armen wordt in volstrekt onvoldoende mate gerealiseerd en een verdere aantasting van het milieu wordt niet voorkomen. Dat moet veranderen.”

‘Duurzame energie waar het kan, fossiele energie waar het moet’ is de leidraad waarmee dankzij Nederlandse hulp inmiddels 4,5 miljoen mensen ‘op een verbeterde en duurzame manier kunnen koken en waardoor 1,5 miljoen mensen elektrisch licht in hun huis krijgen’. In Azië kunnen in totaal 1,3 miljoen mensen veilig koken door de plaatsing van biogasinstallaties; 150.000 mensen worden voorzien van verlichting. In Afrika worden verbeterde houtkachels neergezet waarop in de toekomst ruim drie miljoen mensen kunnen koken. Ook worden zonnepanelen geleverd die elektriciteit opleveren voor bijna een half miljoen mensen.

Het Nederlandse beleid is maatwerk, zei Van Ardenne. “Hier past geen one size fits all-oplossing. Kleinschalige, duurzame en gedecentraliseerde systemen bieden vaak meer uitkomst voor koken, verlichting en voor sociale en economische activiteiten. De kaders moeten zó zijn dat de armen, met name vrouwen en het milieu niet buiten beschouwing worden gelaten.”

De Wereldbank heeft vorig jaar aangekondigd haar investeringen, waaronder die voor energie, de komende jaren te verdubbelen. “Wereldbankprojecten zijn vaak grootschalig en vrijwel volledig gestandaardiseerd” zegt Frank van der Vleuten van ETC Energy. “Het accent ligt te weinig op de lokale betrokkenheid. Laat maar eens zien hoeveel arme mensen je met dat beleid bereikt hebt en wat ze daar van vinden. Eigenlijk hoef je maar te kijken naar waar mensen wonen. Over het algemeen is dat ver weg, op het platteland. Er zijn grote afstanden, zowel geografisch als cultureel. We moeten decentraal aanbieden. Mensen zijn het niet gewend om zaken te doen met westerse bedrijven. Hoe kunnen ze bijvoorbeeld invloed uitoefenen op welke energie ze geleverd krijgen? We moeten de mensen in het zuiden de mogelijkheid geven om hun eigen energiebehoefte duidelijk te maken.”

Van Shamiel Adams, projectcoördinator Baobabconnections bij de non-profit organisatie Both Ends, komt eenzelfde soort waarschuwing. “We moeten oppassen met een te conventionele benadering. De rurale, arme gemeenschappen hébben al ervaring met het werk van de Wereldbank en ngo’s en die ervaringen zijn niet altijd positief. Daarbij ben ik bezorgd over de verwachtingen die we bij de mensen doen rijzen. We moeten voorzichtig zijn en nagaan of niet slechts de rijken rijker worden, in plaats van dat de armen voordelen uit het proces halen. We moeten niet doelloos laveren, maar juist leren luisteren naar ontwikkelingslanden.” IPS

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

randomness