Europa ontwaakt als economische wereldmacht

Toen zes landen in 1952 het verdrag voor de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal ondertekenden, durfde niemand voorspellen dat daar veertig jaar later ’s wereld grootste economische machtsblok zou uit ontstaan. De uitbreiding van de Europese Unie met tien nieuwe lidstaten gaat gepaard met wederzijds wantrouwen en twijfel of de Unie van 25 er ooit in zal slagen de louter economische integratie te overstijgen.

1 mei 2004 gaat de geschiedenisboekjes in als de datum waarop het ijzeren gordijn dat Europa 45 jaar lang verdeelde tussen “kapitalisten” en “communisten” definitief werd begraven. Voortaan zijn er enkel nog “Europeanen”. Hun aantal groeide in een klap aan van 378 miljoen mensen in 15 landen tot 453 inwoners van 25 staten. Eurostat, het bureau voor statistiek van de Unie, meldt een gecombineerd bruto nationaal product van 12,1 biljoen dollar, een fractie meer dan de VS. De EU wordt daarmee ’s wereld grootste economische machtsblok.

Of de economische reus ook bruikbare politieke instellingen krijgt, zal blijken in juni wanneer de Europese staats- en regeringsleiders zich buigen over het ontwerp voor een Europese grondwet. De hervormingsnoodzaak is groot, maar toch was lidmaatschap voor veel landen een absolute prioriteit, zo stelt de Portugese econoom Luis Sarfield Cabral. “EU-lidmaatschap is een steun in de rug voor jonge democratieën”.

De uitbreiding is niet vrij van onzekerheden. Voorstanders van meer politieke integratie vrezen dat de Unie van 25 landen een veredelde vrijhandelszone wordt. De kleine landen maken zich zorgen over de mogelijkheid dat een “directoraat” van grote lidstaten het voor het zeggen krijgt. De Zuid-Europese landen tenslotte vrezen de concurrentie van de nieuwkomers, die lage lonen combineren met een hoge scholingsgraad en productiviteit.

In 1990 waren de nieuwe EU-leden nog centraal geleide planeconomieën. In de aanloop naar de toetreding werd bedrijven en banken geprivatiseerd, de handel vrijgemaakt en politiek en justitie grondig hervormd. Qua aantal auto’s, computers en mobiele telefoons hebben de Oost-Europese landen nog een achterstand op Portugal, de rode lantaarn onder de oude EU-leden. Op andere vlakken is er van achterstand geen sprake

De voormalige socialistische republieken besteedden heel wat aandacht aan de culturele ontwikkeling van hun bevolking. Dat uit zich, naast in het aantal concerten, theater- en dansvoorstellingen, in de leesgewoonten. In Hongarije leest 46,5 procent van de bevolking elke dag een krant, tegenover slechts 18 procent in Frankrijk of 8 procent in Griekenland. Inzake investeringen in onderzoek scoren Slovenië en Tsjechië met ongeveer 1,5 procent van het BNP beter dan Italië (1 procent) of Portugal (0,7 procent).

Het grootste verschil blijft het nationale minimumloon: alleen Malta heeft met 664 dollar per maand een loonniveau dat in de buurt komt van dat van Portugal, Spanje en Griekenland. De verschillen zorgen in West-Europa voor ongerustheid over een “invasie van goedkope arbeidskrachten”.

Ook in het oosten is er niet echt sprake van liefde op het eerste gezicht. De Estse dokter Marko Kallo loopt niet warm voor Brussel, “maar slechter dan de Sovjetunie kan het niet zijn”. De Poolse smid Henryk Janka klinkt bitter; “Mijn beroep is op weg te verdwijnen en voor Polen geldt hetzelfde. We hebben echter geen andere keuze. Geef mij maar de EU wanneer het alternatief een alliantie met Rusland is” (MC).

Mario de Queiroz

xml=7

ref: eu if ip

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift