Kakuma: de realiteit van een vluchtelingenkamp

Vang vluchtelingen in eigen regio op, zo bespaar je hen de gevaarlijke oversteek naar Europa. De suggestie klinkt steeds luider in de regeringskringen van Fort Europa. Maar wat voor een leven bieden zo’n vluchtelingenkampen eigenlijk? MO* zocht het uit tijdens een weekje in Kakuma, een van de oudste en grootste kampen van Afrika.
Je kan er internetten, een filmpje meepikken -The snake eater met Sylvester Stallone, bijvoorbeeld- of het nieuws op BBC World volgen, een hapje eten in het Ethiopisch restaurant Franco, bij Sarafina een gsm of nagellak kopen. Kakuma telt verder tientallen ziekenhuizen, scholen, kerken, moskeeën, rechtbanken, voetbalvelden, bibliotheken en gevangenissen, en op het kerkhof is de gsm-ontvangst het beste. Dit Keniaanse vluchtelingenkamp heeft op het eerste gezicht de allures van een Afrikaanse provinciestad, maar vergis je niet: dit is één grote wachtkamer van twintig vierkante kilometer. Honderdduizend vluchtelingen uit buurlanden Soedan, Somalië, Ethiopië, Eritrea en het Grote Merengebied wachten er op eten. Wachten op een brief van een verre ambassade. Wachten op een oplossing en een toekomst. Wachten. Al twaalf jaar lang.

Verdwaald in de geschiedenis


Riak arriveerde twaalf jaar geleden in Kakuma. Hij herinnert zich nog heel goed de dag dat hij zijn vader met zijn vier vrouwen, zijn zeventien broers en zussen, zijn dorp en kudde in Soedan moest achterlaten. Een jongen van negen was hij toen.
Riak: ‘Ik ben gewoon beginnen stappen. Weg van de oorlog die uitgevochten werd tussen de SPLA-guerilla in het zuiden en het fundamentalistisch islamitische regime van het noorden. Onderweg sloot ik me aan bij andere kinderen. We leefden van wilde vruchten en regenwater. We stapten maanden en duizenden kilometers naar een vluchtelingenkamp in Ethiopië.’
Toen de Ethiopische dictator Mengistu viel, werd deze kinderkaravaan -20.000 kinderen tussen 7 en 17 jaar- terug richting Soedan gedreven. De Lost Boys, zo werden ze door de pers gedoopt.
‘We moesten vluchten over de Gilo rivier. Ik kon gelukkig zwemmen, want waar ik woon zijn er veel rivieren. Maar veel andere kinderen zijn verdronken, werden opgegeten door krokodillen of door soldaten doodgeschoten.’
 Eenmaal in Soedan vluchtten de Lost Boys richting Kenia, om te ontkomen aan de honger, bommen uit regeringsvliegtuigen of SPLA-milities die hen als kindsoldaten wilden inlijven. Vijf jaar nadat hij uit zijn dorp was weggelopen, arriveerde Riak met 10.000 andere Soedanese kinderen in Kakuma. De Keniaanse regering en het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) besloten een vluchtelingenkamp in te richten voor deze verloren jongens. Riak kreeg een huis en eten, en mocht naar school gaan. Even leek het de hemel voor Riak en zijn vriendjes. Maar dat woord hoor je de nu 26-jarige Riak niet meer gebruiken.

Overlevingsrantsoen


Aan de uitgang van het voedseldistributiecentrum tonen twee Somalische vrouwen boos hun voedselrantsoen: een halve plastic fles met olie en een zak maïs. ‘Hier komen we maar een paar dagen mee toe en de volgende voedseldistributie is pas over twee weken! Hoe kunnen wij onze kinderen voeden zonder melk, groenten of vlees?’
Een oud vrouwtje raapt de verloren maïskorrels van tussen het zand en stopt ze in haar kanga. De twee vrouwen reppen zich naar de markt naast het distributiecentrum, waar ze een deel van hun voedselrantsoen verkopen om zo andere levensnoodzakelijke producten zoals melk, zeep, suiker en kleding te kopen of te ruilen.
In theorie moet UNHCR elke vluchteling voor 2200 calorieën voedsel per dag geven, maar de bewoners van Kakuma krijgen gemiddeld maar de helft. Al twaalf jaar worden ze in leven gehouden met maïs, graan, bonen, wat olie en zout. Landbouw is niet mogelijk in deze woestijnachtige Turkana-provincie: door het stof en de alles verbrandende zon heb je hier een meer nodig om één bloemkool te laten groeien. Bovendien is het een ongeschreven regel dat de vluchtelingen het niet beter mogen hebben dan de lokale gemeenschappen in de buurt van het kamp.
Het standaardantwoord van UNHCR op vragen over ondervoeding luidt: donormoeheid. Een paar jaar geleden moest UNHCR twintig procent bezuinigen. Door de uitzichtloze situatie in Kakuma is de interesse van internationale donors danig geslonken. Ze zien geen toekomst voor het kamp en snellen met hun geld liever het meer urgente en mediagenieke Darfour ter hulp. En met het vredesproces in Soedan hopen ze dat Kakuma zichzelf zal oplossen.

Arm, armer, armst


Verveling en depressie zijn, naast honger en malaria, de belangrijkste kwalen in het kamp. Veel jongeren zijn hier geboren of op jonge leeftijd gearriveerd. Ze hebben niet veel om handen en nog minder in het vooruitzicht. Zoiets eist zijn tol. Sinds enkele ngo’s sport en spelletjes introduceerden in het kamp, daalde de criminaliteit zienderogen. De spanningen tussen de acht nationaliteiten en de tientallen etnieën kunnen hier hoog oplopen. In 1999 haalden Dinka en Didinga hun speren boven. Resultaat: zes doden en 200 gewonden.
In juni 2003 drongen Turkana-bandieten ‘s nachts het kamp binnen en begonnen er te stelen, te verkrachten en te moorden. Armoede kent veel gradaties, want de “buren” van de vluchtelingen hebben het inderdaad nòg slechter dan hen. De relatieve “luxe” van het kamp werkt als een magneet op de 50.000 Turkana uit de hele regio.
Ikaru, het stamhoofd van de Turkana, die de prijs van een geit aan het bedisselen is op de markt in het kamp, beklaagt zich: ‘Plots stonden hier vreemden met auto’s. Ons land wordt kaalgevreten door de vluchtelingen die onze bomen kappen voor brandhout en bouwmateriaal. In ruil voor ons land mogen we sinds een paar jaar wel gratis naar de scholen en ziekenhuizen in het kamp. Water krijgen we ook en we kunnen ons vee hier verkopen. Maar de vluchtelingen zijn koningen in vergelijking met de Turkana.’

Dolle mina’s


De houten reclameborden met slogans zoals ‘Stop kindhuwelijken’ en ‘Rapporteer verkrachting’, maken duidelijk dat vrouw zijn hier geen pretje is. Meisjes en vrouwen worden verkracht als ze water en brandhout gaan halen een eindje buiten het kamp, of proberen hun voedselrantsoen aan te vullen door seks aan te bieden. Soedanese meisjes worden ten laatste op hun vijftiende uitgehuwelijkt, vaak aan een man uit Soedan die de traditioneel hoge bruidschat bijeenkrijgt. Het meisje weet vaak van niets en wordt gewoon op weg naar school ontvoerd. Vanaf dan is ze het persoonlijke bezit van haar man. Als ze haar huishoudelijke plichten verzuimt, gaan zijn handjes aan het wapperen. In de scholen zie je bijna alleen maar jongens. De meisjes moeten in het huishouden helpen, worden uitgehuwelijkt of mogen niet naar een gemengde school. Van de 29 procent meisjes die toch nog naar de lagere school mogen, blijft in het middelbaar maar twee procent over.
Josephine Juan Mogga en Edna Sunday Simon, twee vertegenwoordigsters van de vrouwen uit Equatoriaal Soedan, weten wel wat er moet veranderen, maar worden moedeloos als ze het lange traject voor zich zien. Josephine: ‘De meeste vrouwen hebben schrik om geweld te rapporteren. Dan keert je man en heel de gemeenschap zich tegen je en krijg je nog meer problemen.
Rechtstreeks bij UNHCR aankloppen als we verkracht zijn of problemen hebben, gaat niet. Je moet altijd langs een heel communicatiekanaal binnen het kamp passeren. Dat zijn allemaal mannen en zonder seksuele diensten doen ze niets voor je. Als je naar de politie of de traditionele rechtbank stapt, sturen ze je gewoon terug naar je man. Huiselijk geweld -zelfs als slaat je man je dood- is hier de gewoonste zaak van de wereld. De Soedanese cultuur en mentaliteit moeten veranderen en dat kan alleen via het onderwijs. Onze generatie is verloren, maar jongens én meisjes kunnen nieuwe waarden leren. Als we teruggaan naar Soedan, kunnen we daar verder vechten voor onze rechten.’

Het beloofde land


De Somali Bantus behoren tot de kleine groep van uitverkorenen die deze hel kunnen ontvluchten. Ze zijn de overlevenden van een slavenvolk dat in de zeventiende eeuw uit Mozambique en Tanzania naar Somalië werd gevoerd, waar ze nog altijd als slaven worden behandeld door de Somali Somali. Het woord genocide valt vaak in dit verhaal. De Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland hebben zich bereid verklaard na de kinderkaravaan van de Lost Boys ook 16.000 van deze Somali Bantus een nieuw leven te geven. Daar is de hele machinerie van de IOM, de Internationale Organisatie voor Migratie, voor nodig. Want arme, ongeletterde mensen die nog nooit een stad, vliegtuig, toilet, laat staan een belastingbrief van dichtbij hebben gezien, kan je moeilijk zomaar in New York of Michigan droppen.
Abdirahman, een diepzwarte jongen met lieve ogen die niets van de gruwel in zijn herinneringen verraden, wacht al anderhalf jaar op zijn definitieve afreisdatum en bestemming. Normaal gezien had hij al lang moet vertrekken, maar 11 september gooide roet in het eten.
‘Nooit wil ik nog terug naar Somalië, waar mijn volk beledigd, gemarteld en vermoord wordt. Als je kon lezen of schrijven, werd je gedood. De milities hebben mij gedwongen mijn moeder te verkrachten. Vaders moesten hun dochters verkrachten. Meisjes werden langs de weg in de bush getrokken. We moesten de soldaten hun achterste afvegen. Ik kan niet vergeten en wil ook niet vergeten.’ De gedachte aan een nieuw sprong in het duister maakt Abdirahman absoluut niet zenuwachtig. ‘Ik weet dat het heel koud is in Amerika, maar het is een vrij land waar ik genoeg eten zal hebben, kan studeren en werken.’
Zodra Abderihman zijn medische test ondergaan heeft en zijn vingerafdrukken voor de FBI zijn geregistreerd, kan hij naar de culturele heroriëntatieklas -een Amerikaanse inburgeringspoedcursus van zes dagen zeg maar. Daar leren deze Somali Bantu hun naam schrijven en tot dertig tellen. In het klasje hangen foto’s van Amerikaanse (sneeuw)landschappen en modefoto’s die hen tonen hoe ze zich horen te kleden in hun land van belofte. Verder leren ze hoe ze op een toilet moeten gaan zitten en doorspoelen, hoe ze een gasfornuis moeten bedienen, een deurklink openen of hoe ze een telefoon gebruiken. ‘Nu verloopt de vliegreis naar Amerika vlot’, vertelt Fosia, de Somalische lerares, ‘maar in het begin plasten ze op de grond in het vliegtuig, geraakten ze niet uit het toilet omdat ze niet wisten waarvoor de deurklink diende. De kinderen stonken naar urine.’
De Amerikaanse waarden worden erin gedramd: individualisme, privacy, stress, werken is beter voor je eigenwaarde dan van een uitkering leven. De baby’s en kinderen zullen over tien jaar doorsnee Amerikaanse tieners zijn, maar wat met de analfabete ouders? Fosia: ‘Ze passen zich sneller aan dan je zou denken. Ze worden ook sterk opgevangen door de Somalische gemeenschap in Amerika.’ Gelukkig, want de Bantu’s krijgen één maand volledige financiële steun en dan staan ze er alleen voor. Hun vlucht van 800 dollar moeten ze binnen de drie jaar terugbetalen en na vijf jaar kunnen ze Amerikaans staatsburger worden. Voor de VS een kwestie van puur altruïsme, of van minstens twee generaties heel goedkope arbeid?

Kapitalisme in Kakuma


De drukte in de Ethiopische marktstraat geeft de indruk dat Kakuma een bruisend economisch centrum is geworden in deze afgelegen streek. Dat is ook zo: Turkana-herders komen hier hun vee verkopen, de Turkana-vrouwen tabak en brandhout, handelaars komen van 500 kilometer ver om maïs te kopen die de vluchtelingen tegen dumpingprijzen aan de man brengen in een poging hun voedselrantsoen aan te vullen. Officieel is Kakuma een open gevangenis en mogen de vluchtelingen het kamp niet verlaten “tot een passende oplossing is gevonden”. Maar daar trekt niemand zich iets van aan. Op de asfaltweg aan de ingang van het kamp rijden de matatus -busjes- af en aan om mensen naar de dichtstbijzijnde stad Lodwar, de hoofdstad Nairobi of Juba in Soedan te brengen. Veel vluchtelingen sparen voor een ticket naar Nairobi om daar een tijdje geld te verdienen.
De zelfredzaamheid en het overlevingsinstinct van de vluchtelingen bedriegt. De hoeveelheid geld dat hier circuleert, blijft heel beperkt. Men schat dat vijf tot tien procent van de vluchtelingen een extra inkomen heeft buiten zijn voedselrantsoen. Beeld je daar niet te veel bij in. Een groepje vrouwen die met een microkredietlening van het Rode Kruis of Don Bosco een mini-handeltje opzetten en zo af en toe wat melk of een T-shirt voor hun kind kunnen kopen. De ongeveer 3000 vluchtelingen die voor de verschillende ngo’s werken en daar een “premie” van 30 euro per maand krijgen, acht keer minder dan een Keniaan krijgt voor hetzelfde werk. Of vluchtelingen die geld opgestuurd krijgen van familie in het buitenland.
Dat is bij Franco, een van de drie goed boerende Ethiopische zakenmannen in het kamp, net omgekeerd. Hij zendt elke maand geld naar zijn vrouw in Amerika. Centraal op de Addis Abbebastraat baat hij een gezellig Ethiopisch restaurant uit, compleet met tafelkleedjes, obers en CNN via de satelliet. Franco: ‘Ik ben uit Ethiopië gevlucht nadat ik door Mengistu werd gemarteld en gevangengezet. Als wiskundestudent had ik aan de universiteit politiek verzet georganiseerd. Toen ik drie jaar in het kamp zat, heb ik 50 euro geleend van het Rode Kruis om een klein theehuis te beginnen. Elke cent heb ik terug geïnvesteerd. Ik kan nog altijd niet geloven hoe groot de zaak op zeven jaar tijd geworden is.’
Vluchtelingen moeten weliswaar geen belastingen betalen, maar handel voeren blijft een hachelijke onderneming. Handelaars krijgen felbegeerde reisdocumenten van UNHCR waarmee ze, in tegenstelling tot de andere vluchtelingen, officieel het kamp mogen verlaten. Maar eens buiten het kamp geeft dit papier je niet veel bescherming. ‘Voor mijn aankopen moet ik naar Nairobi. Twee dagen reizen is dat, en onderweg krijg je te maken met overvallers en corrupte politieagenten. Ook in het kamp zelf ben ik niet veilig, mijn rijkdom steekt de andere vluchtelingen de ogen uit. Het liefst van al wil ik terug naar mijn land of naar Amerika, maar in de ogen van UNHCR kom ik niet in aanmerking voor politiek asiel of resettlement in Amerika omdat ik hier als zakenman geen “kwetsbaar persoon” ben.’

Strevers


De laatste schooldag is deze ochtend feestelijk gevierd, maar ‘s middags zitten John en Gabriel alweer ijverig te studeren in de fysicaklas van de Bohr Town School. John:’Hier kunnen we in alle rust en in de schaduw studeren. Ik kom hier ‘s morgens voor de school begint en ‘s middags blijf ik om boeken te lezen. ‘s Avonds zoek ik nog licht om te lezen.’
Jongeren in Kakuma doen er alles voor om naar school te kunnen gaan en goede punten te halen. Studiebeurzen om verder te kunnen studeren aan een Keniase universiteit vormen hun enige realistische mogelijkheid om weg te geraken van deze miserabele plek. Gabriel is verdiept in The Voter van Chinua Achebe, dat hij leest voor zijn examen literatuur, maar wil wel even zijn boek dichtslaan om te klagen over het slechte niveau van de scholen in Kakuma.
‘Klassen van tachtig leerlingen zijn geen uitzondering. Er zijn te weinig boeken en schoolmateriaal, te weinig leerkrachten en die hebben bovendien vaak zelf niet meer dan een middelbaar diploma.’
Weinig mensen hebben hier een toekomst, maar deze jongeren zijn er voortdurend mee bezig, ook al levert dat vooral veel frustratie op. ‘Als er vrede is in Soedan, wil ik zeker terug, maar eerst wil ik een diploma. Ik heb nooit geleerd om vee te houden of te boeren. Ik heb alleen mijn hersens om mijn familie te onderhouden en mijn land op te bouwen. Als ik terugkeer, wil ik eerst naar mijn dorp om voor mijn ouders te zorgen en hun huis en dorp op te bouwen. Maar dan ga ik naar de stad om te trouwen en te werken. Wat moet ik nog in een dorp aanvangen?’
Veel jongeren zijn hier gearriveerd toen ze nog klein waren -vaak zonder ouders- of zijn hier geboren. De band met hun traditionele cultuur is verwaterd. Veelal weigeren ze traditionele tekens van volwassenheid -de typisch Soedanese geslepen snijtanden of de initiatielittekens op het voorhoofd. Het Arabisch zijn ze vaak verleerd.
George Chemkang, een jongerenwerker van de Lutheran World Federation, spreekt van culturele erosie. ‘We proberen de traditionele cultuur te doen herleven door workshops traditionele dans, kunst, theater en debatten. Veel jongeren nemen de levensstijl van een grootstad als Nairobi en van de Amerikaanse films over en zijn niet meer geïnteresseerd in hun traditionele cultuur. Ook de traditionele relatie tussen mannen en vrouwen verandert hier totaal. Vrouwen kleden zich anders en leren -heel langzaamaan- dat ze ook rechten hebben. Wat gebeurt er als deze vluchtelingen terug gaan naar Soedan? Dat land zal nooit meer hetzelfde zijn.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift