Portret: Belgisch-Congolese cineaste Monique Mbeka Phoba

Een hoofd vol verhalen

In het kader van vijftig jaar onafhankelijkheid kregen we het afgelopen jaar heel wat “Congo” over ons heen. Een parel in die overvloed van variabele kwaliteit is het werk van de Belgisch-Congolese cineast Monique Mbeka Phoba. ‘Ik kijk al dertig jaar naar beelden van Congo op de Belgische televisie. Ik heb de indruk dat het steeds om dezelfde beelden, archieven en commentaren gaat. Nochtans is er zo veel te vertellen over hoe Congo wordt aangevoeld, zowel door Belgen als Congolezen. Je zou haast denken dat men daar bang voor is.’

Ze heeft drie namen met ronkende betekenissen. Monique staat voor ‘uniek, alleen’. Mbeka betekent ‘opoffering’. En Phoba verwijst naar een specifieke boom in het Congolese Mayombe-woud, gekend om zijn onwaarschijnlijk dikke stam waar geen bijl tegen bestand is. Nooit waren drie namen zo goed gekozen.

Het is niet toevallig dat ik Monique Mbeka Phoba voor het eerst ontmoet in de zogenaamde “goedkope” tentoonstelling Ligablo in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek. In tegenstelling tot de meeste andere tentoonstellingen staan in Ligablo simpele en dagdagelijkse gebruiksobjecten centraal om het verhaal van vijftig jaar onafhankelijk Congo te vertellen. Het werk van Phoba ademt dezelfde filosofie uit: intimistische verhalen over Afrika die behalve interessant ook herkenbaar zijn voor de mensen over wie het gaat.

Als deelnemende artieste aan de tentoonstelling toont ze haar laatste film, Entre la Coupe et l’Election (2007). Het is een documentaire die ze samen met jong opkomend filmtalent in Kinshasa maakte, tegen de achtergrond van de presidentsverkiezingen van 2006. Centraal staan de Léopards, het Congolese elftal dat in 1974 als allereerste zwart-Afrikaans team deelnam aan het FIFA Wereldkampioenschap Voetbal.

We belanden spontaan in een geanimeerd gesprek over Vlamingen (haar echtgenoot is er een), films maken, zwart zijn in België en het gebrek aan diversiteit in onze media. Later, tijdens twee rasechte Belgische winteravonden vol natte sneeuw en ijzige wind, zetten we bij haar thuis in hartje Brussel het gesprek verder. Mbeka Phoba gunt me een blik in haar huiselijk leven. Haar dochter zet thee en vertrouwt me toe dat ze liever in Congo of ergens anders in Afrika de winter zou doorbrengen. Haar tienerzoon schuifelt zo stil mogelijk door het huis om ons gesprek niet te verstoren. Hun hond Robert doet net het tegenovergestelde.

Mbeka Phoba is, zoals vele Afrikaanse vrouwen, gezegend met een leeftijdsloos gelaat. Ze is 48 jaar geleden in België geboren, haar ouders zijn beiden Congolees. ‘Als diplomatendochter heb ik nauwelijks in Congo gewoond en kende ik mijn land niet goed.’ Haar vader, een van de eerste ambassadeurs van Congo in België, neemt zijn familie mee naar Frankrijk, Iran, Congo en Duitsland. Ook zijn liefde voor boeken geeft hij door aan zijn dochter. Op haar negende schrijft ze haar eerste gedichten, wanneer ze de middelbare school verlaat haar eerste gedichtenbundel.

Meer voor haar ouders dan voor zichzelf gaat Mbeka Phoba in Brussel economie studeren. Wat haar echt animeert in die studententijd is de campusradio. Monique gaat aan de slag als journaliste en werkt mee aan uitzendingen over Afrika. Zo komt ze in contact met iemand van de Ateliers Varan, een Franse organisatie die er prat op gaat mensen in drie maanden documentaires te leren maken. De oprichter is de Franse filmmaker Jean Rouch (1917-2004). Hij kreeg in 1978 de vraag vanuit Mozambique om hun onafhankelijkheid in beeld te brengen omdat ze zelf niet over gekwalificeerde cineasten beschikten. In plaats van het zelf te doen, leidde Rouch de mensen ter plaatse op zodat ze hun geschiedenis zelf en van binnenuit konden vertellen. Na de Varan-opleiding in Parijs is Mbeka Phoba klaar om haar eerste documentaire in elkaar te steken.

Tussen twee ontmoetingen in bekijk ik een aantal van haar films. Vaak komen Mbeka Phoba en andere filmmakers zelf in beeld en lichten ze een tipje van de sluier over hoe de film tot stand is gekomen. ‘Het making of-element,’ noemt ze het. ‘Net zoals Spike Lee ben ik allergisch aan mensen die de indruk willen wekken dat films maken zo exceptioneel of onoverkomelijk is. Dat is de echte les die ik heb meegekregen in de Ateliers Varan: als je echt iets wil, is het mogelijk. Iedereen heeft de capaciteiten om op een of andere manier zijn of haar verhaal te vertellen. Dat wil ik ook meegeven in mijn films.’

België heeft de Congolezen nooit echt willen opleiden. Dat verklaart mee de chaos vandaag in het land.

 

Niet alleen Moniques gezicht is tijdloos, ook de energie en het geduld waarmee ze me meeneemt doorheen haar filmografie. Doorspekt met anekdotes en praktische details spint ze verhalen die het intieme en het alledaagse verbinden met de grote politieke en sociale kwesties van onze tijd. Dat maakt ook haar verhalen een beetje tijdloos. Haar tante langs moeders kant begrijpt haar werk het beste: ‘Wij hebben vaak geen bibliotheek, videotheek of uitgebreide archieven. Het werk van Monique compenseert dat een beetje. Ze legt onze verhalen vast voor het nageslacht.’

Familieverhalen zijn een andere bron van inspiratie in Mbeka Phoba’s werk. Die van andere families, zoals het verhaal over Anna l’enchantée, een zeventienjarige zangeres die opgroeit met 31 broers en zussen in een polygame familie met vijf echtgenotes in Benin. Maar de cineaste duikt ook in haar eigen familiegeschiedenis. Geïnspireerd door haar grootvader maakte ze in 1998 Rêve d’Indépendance, over het vergeten beroep van medische assistenten in Belgisch Congo. ‘Het herinnert ons eraan dat België de mensen nooit echt heeft willen opleiden. In landen als Senegal zijn er drie of vier generaties universitairen. In Congo is dat onmogelijk. Het verklaart mee de chaos vandaag in het land.’

Haar films gaan vaak over democratie. In haar eerste film, Revue en Vrac (1991), zoomt ze in op de opkomende opiniepers in het toenmalige Zaïre. Mobutu had net het einde van de dictatuur aangekondigd en de intrede van de vrijheid van meningsuiting. ‘Onlangs werd de film nog eens vertoond in Congo. De mensen in de zaal huilden omwille van de hoop die uit de film spreekt en het contrast met de situatie vandaag.’

In Deux petits tours et puis s’en vont…? (1997) verfilmt ze de presidentsverkiezingen in Benin. De prent wordt bekroond met de tweede prijs voor videodocumentaires op het Afrikaans Filmfestival FESPACO. Maar belangrijker nog is dat Mbeka Phoba erin is geslaagd bloot te leggen waarom de Beniners vrijwillig hun ex-dictator terug aan de macht hielpen. De andere kandidaat was hen te technocratisch en slaagde er niet in om contact te leggen met zijn bevolking. Dan maar liever de dictator terug. Ik vraag haar of verkiezingen werkelijk democratie brengen in Afrika. ‘Democratiseert het Europa, is misschien een eerste vraag’, kaatst ze de bal terug. ‘Neem nu België. In Benin kan een chauffeur van de moto-taxi uitleggen wat er aan de hand is in zijn land, hoe hij kan protesteren en welke stappen hij daarvoor moet ondernemen. Dat is democratie. Dat iedereen de bestaande instellingen onder de knie heeft, die kent en kan hanteren. Het feit dat het bij ons enkel via specialisten gaat, is een probleem.’

Bewust van haar eigen beperkte kennis van bepaalde culturele en traditionele gebruiken in Afrika, vertelt Mbeka Phoba haar verhalen steeds met het nodige respect en de drang om te begrijpen veeleer dan te oordelen. Zo maakt ze een prent over hekserij in Congo, Sorcière la vie (2006), zonder dat ze daarvoor schuimbekkende personages op het scherm doet verschijnen. In plaats daarvan laat ze heel discreet een kind aan het woord dat beschuldigd wordt van hekserij: ‘Sinds het voorval denk ik dat mijn moeder niet meer van me houdt.’ De film laat minstens een even grote indruk na.

Vooral in de zoektocht naar middelen kruipt veel energie, zegt Mbeka Phoba. Bovendien moet ze als Afrikaanse vrouw vaak tegen vooroordelen opboksen. ‘In België, maar ook in Afrika. Als er geen blanke achter je project staat, geloven ze niet dat het een succes zal worden.’

Ik vraag haar waar ze de energie blijft halen. Haar antwoord is vrij nuchter: ‘Ik ben nu al 48 jaar. Als ik had willen stoppen, had ik dat eerder moeten doen.’ Ze slaat wel een nieuwe richting in: ‘Ik heb net mijn Master in scenarioschrijven behaald. Nu ga ik me meer toeleggen op fictie en romans. Ik zit met een hoofd vol verhalen.’ Maar eerst nog een documentaire maken. Over de visie van de Congolezen op de Belgische communautaire kwesties. Een frisse kijk op die toestand zal alvast geen kwaad kunnen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur