Servië klaagt “uitverkoop” Kosovo aan

Servië heeft jarenlang geïnvesteerd in de ontwikkeling van Kosovo en dus kan een onafhankelijk Kosovo niet zomaar het geld op zak steken uit de privatisering van overheidsbezit. De Servische media en politici klagen de “uitverkoop” van Kosovo aan en voelen zich verraden door de internationale gemeenschap.
Woensdag beginnen in Wenen nieuwe gesprekken over de toekomst van Kosovo, voorlopig nog een Servische provincie met een meerderheid van 90 procent etnische Albanezen. Sinds de NAVO-bombardementen tegen Servische doelwitten in 1999 wordt de provincie door de Verenigde Naties bestuurd. Ter discussie staat een plan van de speciale VN-gezant Martti Athisaari dat op termijn kan uitmonden in onafhankelijkheid voor Kosovo.
Servië haalde tot nu toe vooral historische en culturele argumenten aan om zich te verzetten tegen de afscheiding. Kosovo speelt een belangrijke rol in de Servische geschiedenis en ook de Servisch-orthodoxe kerk heeft er haar hoofdkwartier. De laatste tijd komen steeds vaker economische argumenten op tafel. Servië heeft sinds de Tweede Wereldoorlog meer dan 23 miljard euro in Kosovo geïnvesteerd, zo luidt het, en dus is een groot deel van het Kosovaarse patrimonium eigenlijk Servisch bezit.
Het VN-bestuur in Kosovo begon in 2006 met de privatisering van 300 bedrijven in Kosovo. Volgens de Servische media leverde die operatie tot nu toe 265 miljoen euro op. “Dit was een mono-etnische privatiseringsoperatie”, schimpt de Servische krant Politika, “Al het eigendom ging voor een te lage prijs naar etnische Albanezen, zonder rekening te houden met de Servische investeringen in het verleden”.
“Dat is niet juist”, zegt de economische analiste Misa Brkic, “Alle republieken van het voormalige Joegoslavië hebben bijgedragen tot het fonds voor onderontwikkelde regio’s. Zij vragen hun eigendommen niet terug. De tijden zijn veranderd en het leven gaat verder.”
Anderen wijzen erop dat het met Kosovo economisch bergaf is gegaan toen Belgrado in 1989 een einde maakte aan de autonome status van de provincie. De mijnbouw en de zware industrie kwamen in een crisis terecht en de Albanese arbeiders werden van de ene dag op de andere op straat gezet. Ook nu nog heeft de elektriciteitsproductie nog niet het peil van voor de jaren tachtig bereikt. De helft van de Kosovaren zit zonder werk, hoewel de economie in 2006, dankzij de privatiseringen, met 5 procent groeide.
In de Servische media circuleren intussen lijsten van wat in Kosovo als Servisch bezit moet worden beschouwd. Het gaat om 1.358 eigendommen die deel uitmaken van de post, de spoorwegen, de elektriciteitsmaatschappij en de luchthaven van Pristina. Volgens de krant Politika is ongeveer 58 procent van het vastgoed in Kosovo “Servisch bezit”.
Volgens de econome Brkic moet Servië de zaak wat minder emotioneel en wat meer marktgericht aanpakken. “Als ik eerste minister was zou ik aansturen op een nauwe economische samenwerking tussen de twee landen. Kosovo is onze dichtste afzetmarkt voor meer dan 100.000 exportproducten. Het hele gebied heeft dringend voedsel en goederen nodig. Toch blijft de grens tussen Kosovo en Servië nog hermetischer dicht dan het voormalige IJzeren Gordijn.”

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2540   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift