Speurtocht naar de welvaartsknik

Heeft België het beste gehad? Volgens sommige berekeningen gaat onze welvaart al sinds enige tijd bergaf als je rekening houdt met ecologische en sociale problemen. “Maar het hangt er maar van af hoe je meet,” zegt Brent Bleys, een econoom van de VUB die verschillende versies van een Index van Duurzame Economische Welvaart voor België berekende.
Volgens een berekening met gegevens tot 2004 die Bleys in mei publiceerde, steeg de duurzame welvaart in België van 1970 tot 1980 en van 1985 tot 2000. Na 1980 en vooral sinds 2000 kwam er een duidelijke terugval. Nieuwe berekeningen met aangepaste indicatoren die Bleys nog niet publiceerde, geven een welvaartsgroei tot 1983, en daarna een langzame daling.

Groene economen zien in dergelijke knikken een illustratie van de “drempelhypothese”: de veronderstelling dat de groei van het Bruto Binnenlands Product maar blijft leiden tot een verbetering van de levenskwaliteit tot een punt bereikt is waar ecologische en sociale problemen roet in het eten gooien.

Maar Bleys is voorzichtig. “De periode van 2000 tot 2004 is te kort om daaraan een dergelijke conclusie te verbinden. En als je rekening houdt met andere methodologische bedenkingen bij de index die ik gebruik, is er zelfs nog helemaal geen daling te zien. De index is ontstaan uit een beweging van groene economen die het interessant vonden om met de drempelhypothese naar buiten te komen. Gevoelsmatig klopt de theorie ook wel, de vraag is alleen wanneer die onweerlegbare knik er zal komen.”

In onze portemonnee voelen we de gevreesde achteruitgang van onze welvaart in elk geval nog niet, want het Belgische BBP - de som van wat we met z’n allen produceren, verdienen of besteden - blijft voorlopig vrolijk stijgen. “Maar het BBP is een slecht meetinstrument voor welvaart”, zegt Bleys. “Het BBP houdt alleen rekening met de waarde van goederen en diensten die op de markt worden verhandeld. De negatieve gevolgen van die productie en consumptie blijven buiten beschouwing. Ook de positieve bijdrage van onbetaalde huishoudelijke arbeid blijft bijvoorbeeld helemaal buiten beeld.”

Amerikaanse onderzoekers ontwikkelden daarom eind de jaren 80 een index die een betere afspiegeling moest bieden van de evolutie van onze levenskwaliteit: de Index van Duurzame Economische Welvaart (ISEW). De berekening vertrekt van de totale consumptie-uitgaven, ook een belangrijke component van het BBP. Maar dat bedrag wordt in verschillende stappen aangepast om onder meer de effecten van milieuvervuiling, het gebruik van uitputbare natuurlijke hulpbronnen, de nadelige effecten van een ongelijke inkomensverdeling en de waarde van niet-betaalde huishoudelijke arbeid in te calculeren.

Bleys werkte dit jaar een methode uit om die ISEW ook voor België te bepalen. In mei publiceerde hij berekeningen die frappante welvaartsdalingen na 1985 en sinds 2000 lieten zien. “De terugval van 1985 en de jaren daarop heeft vooral te maken met de achteruitgang van de netto kapitaalgroei, zeg maar een daling van de investeringen. De toenemende kost van de aantasting van de ozonlaag en het stijgende verbruik van niet-hernieuwbare energiebronnen zijn bijkomende factoren”, zegt Bleys. “De recessie vanaf 2000 wordt in de eerste plaats veroorzaakt door een drastische verslechtering van de internationale investeringspositie van België: de evolutie van de aandelenmarkten doet het positieve effect van ons handelsoverschot teniet. Het overschot op de Belgische handelsbalans wordt bovendien de laatste jaren kleiner.”

“Maar eigenlijk moet je die kapitaalgroei en de investeringspositie ook buiten beschouwing laten”, zegt Bleys. “Mijn nieuwe berekeningen laten zien dat je dan tot andere resultaten komt, die meer in de lijn liggen van wat onderzoekers in onze buurlanden ook al vaststelden.”

Maar zelfs bij de langzame welvaartsafname die dan in beeld komt, plaatst Bleys kanttekeningen. “We moeten altijd voorzichtig omspringen met resultaten van ISEW-berekeningen”, waarschuwt Bleys. “Achter de berekeningsmethode gaan heel wat subjectieve keuzes schuil: wat brengen we allemaal in rekening, en hoe meet je al die elementen? De schatting van de kost van de aantasting van de ozonlaag en van de klimaatverandering wordt bijvoorbeeld vastgemaakt aan cumulatieve uitstoothoeveelheden: die waarden kunnen dus nooit verminderen. Op die manier krijg je bijna automatisch een steeds grotere kloof tussen het BBP en de index van duurzame economische welvaart. Er is dus nog zeker werk aan de methodologie van de index.”

Stilaan komt er meer aandacht voor alternatieve manieren om onze welvaart te meten. Bleys was eind vorige week uitgenodigd op een forum van de Belgische Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling over het “herdefiniëren van onze welvaart.” In Nederland schuift de Derde Kamer, een initiatief om het publieke debat over belangrijke thema’s te stimuleren, ook alternatieven voor het BBP naar voren.

Wordt de ISEW-index ooit een echt beleidsinstrument? “Tot nu toe blijft het werk nog vrij academisch”, geeft Bleys toe. Het is nog helemaal niet duidelijk hoe een eventueel alternatief voor het BBP als belangrijkste graadmeter van onze welvaart er zou moeten uitzien. “De discussie gaat tussen de voorstanders van één enkele index – makkelijk te communiceren en goed voor bewustmaking – en de pleitbezorgers van een set van indicatoren die veel bruikbaarder is voor beleidsdoeleinden.”

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift