Stratego in de Sahel

Grondstoffen, corruptie, armoede en de terugkeer van de Toearegsoldaten uit Libië deden Mali op zijn grondvesten schudden. In buurland Niger lijken dezelfde elementen niet hetzelfde effect te hebben. MO* vroeg mensen in de hoofdstad Niamey en daarbuiten naar hun kijk op de zaak.

  • MO*/Olivia Rutazibwa Werkmijn in de goudmijn nabij Tera, Niger. MO*/Olivia Rutazibwa

De stad wordt gewekt door het staccato van dikke regendruppels op de daken. Een enkele bliksemschicht onderbreekt de monotonie van de grijze lucht. Het is regenseizoen in Niger. De blutsen en kuilen van de diepokerkleurige wegen in Niamey vullen zich met schuimend water. Maar na een halfuurtje zonneschijn verrijst de stad alweer in al haar stoffige glorie.

Volgens Oumarou Hachimou heeft Niger zijn pr-status niet mee. Behalve kunstenaar is hij ook redactiehoofd van Niger24, een plaatselijk privémediabedrijf met een eigen tv, radio en website. Hij geeft me een grondige rondleiding in de studio’s, waar ook programma’s van een internationaal Chinees nieuwsagentschap worden uitgezonden. Niger staat op het lijstje van landen die beter gemeden worden vanwege het gevaar van ontvoering of terroristische aanslagen. Hachimou vindt dat een schromelijke overdrijving.

‘We zijn niet sterk in communicatie en dat heeft zijn invloed op het beeld dat we de wereld insturen’, zegt hij. ‘Maar in feite hebben we alles hier. We zijn een groot, mooi land en om vier uur ’s nachts kun je hier in de hoofdstad nog op je gemak een sandwich eten.’ Het feit dat ze te weinig middelen hebben om goed te communiceren betekent niet dat de Nigerezen niet op de hoogte zijn van wat er elders in de wereld gebeurt. ‘Er zijn hoofdsteden met zones waar de politie niet eens in mag. Dat is iets dat je hier zelden zult vinden. Wij hebben dus nog een staat.’

Wiens veiligheid?

Er is een duidelijke militaire aanwezigheid in de straten van Niamey. Soldaten bewaken de rotondes en de overheidswijken waar ministeries en ambassades zijn gevestigd. De belangrijkste straten van de stad worden zonder meer afgezet als de president erdoor moet. Wie toeristische kiekjes wil maken in het stadscentrum wordt even gauw weer op andere ideeën gebracht door de patrouillerende militairen. Internationale functionarissen mogen van hun eigen organisaties de hoofdstad niet verlaten en worden ook in het weekend geacht hun walkietalkie op zak te hebben.

Al deze veiligheidsmaatregelen staan in schril contrast met de rust die er onder de bevolking heerst. Terwijl ze zelf geen groter gevoel van onveiligheid ervaren, zijn het toch de gewone Nigerezen die de prijs betalen voor de strengere veiligheidsmaatregelen. Pele, garagehouder, voormalig voetbalster en occasioneel medewerker van ROTAB, een lokale ngo die zich toespitst op transparantie, corruptie en de mijnsector, vertelt hoe de bewoners van een wijk in Niamey er op zeker ogenblik hun buik vol van hadden. ‘Door de blokkades in hun wijk konden de ziekenwagens er niet meer snel door en moesten mensen kilometers omrijden om het ziekenhuis te bereiken.’ Hij heeft het over zwangere vrouwen en hun baby’s die zo onnodig gevaar liepen of zelfs het leven lieten. De overheid heeft uiteindelijk moeten zwichten voor het protest van de buurtbewoners en de blokkade moeten opheffen.

De strengere veiligheidsmaatregelen zijn het gevolg van twee simultane bomaanslagen die in mei Niger opschrikten, gericht tegen respectievelijk een militaire post in de noordelijke stad Agadez en de uraniummijn van de Franse gigant Areva in het nabijgelegen Arlit. Eenentwintig mensen lieten er het leven bij. Enkele dagen later bevrijdden islamisten op spectaculaire wijze 22 van hun kameraden uit de centrale gevangenis van Niamey. De operatie kostte twee bewakers het leven. In de afgelopen jaren deden er zich sporadisch nog meer aanslagen of ontvoeringen voor op Nigerees grondgebied. Andrew Lebovich noemt in een artikel in het magazine Foreign Affairs de ontvoering van twee Canadese diplomaten in 2008 (zij werden na enkele maanden weer vrijgelaten in Mali) en die van zeven buitenlandse Areva-medewerkers in 2010, van wie er vandaag nog steeds vier worden vastgehouden. Een bevrijdingspoging door Franse speciale troepen van twee Fransen die in 2011 in hartje Niamey uit een restaurant waren ontvoerd, liep dan weer faliekant mis en de twee gijzelaars kwamen om het leven.

Op geen enkel moment was daarbij volgens Oumarou Hachimou de bevolking het doelwit. Hij doet de aanslagen af als iets dat van buitenaf komt. ‘De Boko Haram uit Nigeria, de ontvoeringen en het terrorisme, het maakt allemaal geen deel uit van onze wereld want het gaat om mensen die van elders komen. Het gaat niet om eisen van Nigerezen.’ Hij geeft toe dat zijn land met een veiligheidsprobleem zit: ‘We zijn een land met poreuze grenzen, omdat we weinig middelen hebben’, stelt hij. ‘En de middelen die we hebben, willen we eerder gebruiken om voedsel te zoeken dan om onze grenzen op de millimeter te bewaken.’

De aanslagen worden bovendien in verband gebracht met de militaire deelname van Niger aan de interventie in Mali. Hachimou van Niger24: ‘Onze president heeft volgens mij te veel gepraat. We hebben de prijs betaald omdat hij de stoere taal van een Obama of Hollande wilde hanteren door te stellen dat we hen koste wat kost zouden verslaan.’ Niger was het eerste land in de regio dat troepen stuurde, al ging het maar om een klein contingent van vijfhonderd man in plaats van de aangekondigde tweeduizend. Vandaag zijn die intussen vervangen door een andere groep soldaten, die onder VN-vlag zullen strijden.

‘Op korte termijn heeft dat het land in gevaar gebracht, gelet op onze beperkte middelen’, denkt Souleymane Illiassou Magagi. Hij is secretaris-generaal van de vakbond voor het overheidspersoneel van de mijnsector. ‘Op lange termijn zal het misschien veiligheid brengen, als we erin slagen deze bedreigingen onder controle te houden.’ Er is een zekere consensus in het land dat de crisis in Mali Niger direct aanbelangt en ook op politiek niveau was er nagenoeg eenstemmigheid over de beslissing om troepen naar Mali te sturen.


Het wespennest van de Sahel.

Niger is mali niet

Op het eerste gezicht heeft Niger immers dezelfde problemen die de Malinese staat naar de rand van de afgrond dreven: Toearegopstanden, grote voorraden van natuurlijke rijkdommen waar verschillende internationale grootmachten op teren of azen, corruptie en gepersonaliseerde overheidsinstellingen tegen een achtergrond van onmetelijke armoede en hoge bevolkingsgroei.

Toch zijn de twee landen voor velen ook totaal onvergelijkbaar. Een internationaal ambtenaar in Niamey ziet drie grote verschillen: de verhouding tot de Toearegs, de ontwikkeling van het noorden en de etnische versmelting van het Nigerese volk. ‘Mensen kennen elkaar in Niger’, stelt Tidjani Alou. Hij is hoogleraar politieke wetenschappen van de universiteit van Niamey en voormalig ambtenaar op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hachimou legt het mechanisme van de integratie in Niger uit: ‘Als je verderstudeert of je bent ambtenaar, dan word je naar een andere regio gestuurd’, preciseert hij. ‘Vaak gebeurt het dus dat mensen ter plekke trouwen en zo zijn er overal in het land verwantschappen. Bovendien hebben we ook geen gigantische bevolking.’ Die versmelting heeft volgens Tidjani ook een effect gehad op hoe de bevolking de opstanden heeft beleefd. ‘Terwijl in Mali de Toearegs werden weggejaagd uit Bamako, is er in Niger op het hoogtepunt van de rebellieën nooit een vergelijkbare angst geweest. Mensen maken een onderscheid tussen rebellen, leger en gewone bevolking.’

Net zoals in buurland Mali zijn de Toearegopstanden niet iets recents. Ontevreden over de postkoloniale grenzen die hun woongebied doorkruisten en over de exploitatie van grondstoffen, zoals uranium, in hun achtertuin, uitten de Toearegs al in de jaren zestig en zeventig geregeld hun ongenoegen. Eenmaal deel van de nieuwe staten zoals Mali en Niger, voelden ze zich bovendien achtergesteld bij de andere bevolkingsgroepen. ‘De Toearegs hadden geen goede banen. Die kwamen enkel de Hausa toe. Toearegs werden behandeld als wilden’, aldus Toeareg Mohamed (36), die zelf ooit de wapens opnam tegen de overheid.

De toearegfactor

We zitten op een tapijt in het gras bij het museum annex de zoo in hartje Niamey. Mohameds neef, ook Mohamed (22), zet thee en zorgt voor een vlotte vertaling tussen mijn Frans en hun Toearegs, zodat er geen belangrijke details verloren gaan in ons gesprek. Beiden werken als zilversmeden in de ambachtenhal van het museum in Niamey, maar zijn afkomstig van de Agadez-regio in het noorden. De oudste Mohamed trok begin jaren negentig op zijn vijftiende naar Libië op zoek naar werk en belandde zo ongewild in het huurlingenleger van de Grote Leider.

‘Ik ging naar Libië omdat we gehoord hadden dat er daar werk was. Velen waren ons voorgegaan en kregen militaire opleidingen om dan voor Khadaffi te gaan vechten. Omdat de anderen het deden, was het normaal dat wij hetzelfde zouden doen.’ Op de leeftijd van de jonge rekruten werd niet al te nauw gekeken. ‘Dat we vijftien waren, maakte hun echt niet uit, zolang we gezond en sterk waren, kwamen we in aanmerking.’ Na deelname aan Khadaffi’s militaire expedities in Tsjaad en Libanon rees de vraag onder de Toearegsoldaten waarom ze niet in eigen land voor hun rechten streden. Ze lanceerden een offensief tegen het Nigerese leger, Mohamed was erbij. ‘We waren met twintigduizend’, herinnert hij zich. Hij vermeldt barre levensomstandigheden maar ook loyaliteit onder de Toearegs en hun grote leiders, die nu eens bij hen waren en dan weer de buurlanden en het Westen afschuimden op zoek naar steun en zichtbaarheid voor hun zaak.

‘Telkens als er opnieuw over de mijncontracten moet worden onderhandeld, komt er een staatsgreep: dat is hoe de mensen het zien.’

In 1995 kwam er een einde aan de rebellie, omdat de Toearegleiding en de overheid een akkoord vonden. ‘Ze zijn ingegaan op onze vraag’, zegt Mohamed. ‘Er zijn Toearegministers, er zijn Toearegs in de gendarmerie en in het leger.’ Mohamed keerde naar huis terug en nam de draad van het civiele leven weer op als juwelenmaker. Hij staat altijd klaar voor zijn volk als hij daarvoor opgeroepen zou worden, maar van het leven als militair en de gewapende oplossing heeft hij na zijn avonturen in de jaren negentig zijn bekomst. Aan de jongste opstand, in 2007, nam hij dan ook niet deel, al had het oordeel van zijn moeder daar vast en zeker ook iets mee te maken. ‘Zij wilde absoluut niet dat ik opnieuw ging vechten, ze zou het me niet vergeven hebben als ik het toch gedaan had. Ze is de enige persoon ter wereld die me zou kunnen tegenhouden als ik iets in mijn hoofd heb’, geeft hij schaapachtig toe. ‘Het leven voor de Toearegs is beter nu. Er is rust.’

De Toearegs in Niger zijn inderdaad een belangrijke economische kracht. Velen van hen kwamen niet met lege handen uit Libië terug en ze wisten onder meer een uitgebreid transportnetwerk uit te bouwen in het land.

De grondstoffen in Niger zijn meer verspreid over het land en vele ervan bevinden zich in het noorden. In buurland Mali is er ook een vermoeden van rijkdommen in het uitgestrekte noorden, maar tot op vandaag is er nog nauwelijks iets concreet ontgonnen. Volgens de internationale diplomaat leidde dat ertoe dat de bevolking in het noorden van Niger, waaronder de Toearegs, in tegenstelling tot hun gemarginaliseerde buren in Noord-Mali, een grote economische impact en onderhandelingsmarge hadden en hebben. Een van de elementen in de vredesakkoorden met de Toearegrebellen voorzag in een verder doorgedreven decentralisatie van de macht in Niger en die is er ook gekomen. ‘De Nigerese overheid heeft door de jaren heen een oprechte wil getoond om tot een vergelijk te komen met de Toearegrebellen,’ zegt de westerse functionaris .

Ook professor Tidjani beaamt dat de Nigerese overheid de rebellieën steeds au sérieux heeft genomen. ‘Het Nigerese leger bestaat bovendien echt als het op veiligheid aankomt’, zegt Tidjani. Toen de Nigerese Toearegstrijders na de val van Khadaffi gewapend huiswaarts keerden, was de overheid er bovendien snel bij om hen te verwelkomen, op voorwaarde dat ze hun wapens zouden afstaan. Zij die dat niet wilden trokken verder naar Mali.

Far west

In het zuidwesten van Niger, vlak bij Tera aan de grens met Burkina Faso, bezoek ik met Pele en Naomie –ook zij is een medewerkster van ROTAB– de elf maanden oude goudmijn Kantou. Ik weet niet precies wat ik moet verwachten, maar het geïmproviseerde marslandschap met putten, bergjes en hutjes had ik zelf niet kunnen verzinnen. Die dag zijn er niet zo heel veel werkers omdat de ramadan net afgelopen is en velen nog op familiebezoek zijn. Bovendien maakt het regenseizoen het graafwerk in de nauwe putten met glibberige wanden extra gevaarlijk.

Als we aankomen is er net een verhitte discussie aan de gang tussen een groepje mijnwerkers. Een gezette man met een wijnrood glanzend gewaad beslecht met luide stem het dispuut. Amadou Mouni Maigha is de zoon van de kantonchef en wat hem betreft is bijgevolg heel de mijn van hen. Hij doet het hele getrapte betalingssysteem uit de doeken: ‘Op een gegeven moment waren we met meer dan 10.000 mensen. Iedereen mag hier graven, alle nationaliteiten. Je maakt je hutje zoals wij, jij kiest waar je graaft, maar als je goud vindt, moet je ons een grondbelasting betalen. De wet bepaalt: tien procent.’ In plaats van dat geldelijk te betalen, moeten gouddelvers van elke tien zakken die ze naar boven halen er een afstaan aan Maigha. De kleine werknemers krijgen kost en inwoning van bazen die de helft van de vondsten incasseren. De overblijvende vijftig procent moeten de gravers onderling verdelen.

‘Toen ik hier arriveerde, trof de vastenmaand mij’, zegt een van de delvers me in het Frans, met een sterk Ivoriaans accent. Djibril is een Nigerees uit Ivoorkust. De berichten over goud lokten hem naar Niger, en bovendien was hij benieuwd naar het land van zijn ouders. Samen met zijn neven schuimt hij de goudmijnen af. ‘We worden niet per dag betaald, maar als God wil dat we goud vinden, dan wordt het verdeeld onder de baas en de arbeiders.’ Dat is al even niet meer gebeurd, maar Djibril blijft er laconiek onder, ook over zijn veiligheid: ‘Met de regen is het een gevaarlijke periode om te graven. We werken zonder bescherming, maar als je tijd gekomen is, dan is het zo.’

De hele mijn is nog in aanbouw, de regels worden al doende opgesteld, ook wat de veiligheidsvoorschriften betreft. ‘In het begin was er geen reglement’, zegt Maigha. ‘Nu wel, en we hebben al zes maanden geen valpartijen gehad.’ Instortingen of valpartijen in de vaak tachtig meter diepe putten en onderliggende gangen hebben steevast de dood tot gevolg. Er zijn soldaten van het Nigerese leger aanwezig om de veiligheid te verzekeren, maar veel verder dan dat lijkt de hand van de overheid niet te reiken. Inkomsten voor de overheid uit de goudwinning zijn daarom nagenoeg onbestaande. De overheid probeert de mijnen aan regels te onderwerpen, maar dat gaat niet zonder slag of stoot. ‘Er gaan stemmen op om sommige mijnen te sluiten, maar ze zullen zien dat dat niet gaat gebeuren’, zegt Maigha trots. ‘Mensen gaan niet weg omdat ze hier in één klap rijk kunnen worden.’

Rijke armoede

Petroleum, goud, uranium… Ondanks al zijn bodemrijkdommen behoort Niger tot de armste landen ter wereld. De petroleum, in 2011 ontdekt, is vooral in handen van de Chinezen. Uranium in die van de Fransen. Frankrijk haalt negentig procent van zijn elektriciteit uit kernenergie op basis van uranium. Dertig procent daarvan komt uit Niger. In Niger daarentegen staat uranium maar voor vijf procent van de nationale inkomsten.

‘Het is heel eenvoudig’, legt vakbondsman Souleymane Magagi uit: ‘Niger is aandeelhouder in de uraniummijnen van Areva. Dat betekent dat de inkomsten gebaseerd zijn op een verdeling van de winsten. Als er geen winsten zijn, is er weinig te verdelen.’ Het grootste probleem is volgens Magagi dat ze geen controle hebben over de uitgaven van Areva. ‘De voedselvoorziening voor die bedrijven, tot het mineraalwater toe, wordt afgenomen van Franse bedrijven. Die overdreven kosten worden mee in rekening gebracht. Het geld gaat dus massaal terug naar Frankrijk. Dertig procent van de uiteindelijke winsten zijn dan voor Niger, maar voor de staatsbegroting komt dat neer op nog niet eens vijf procent. Dat is verschrikkelijk voor het Nigerese volk. Er zou zo veel overgenomen kunnen worden door Nigerese bedrijven’, zucht Magagi.

Leiders die in het verleden het tij wilden doen keren, is het niet goed vergaan. ‘Het verhaal dat hierover de ronde doet bij mensen is dat er, telkens als er opnieuw over de mijncontracten moet worden onderhandeld, een staatsgreep komt,’ zegt Ali Idrissa, hoofd van ROTAB, laconiek. ‘De Afrikaanse leiders slagen er dus niet in weerstand te bieden aan de grootmachten en volgen hun dictaat. De bevolking oogst enkel de inbeslagneming van haar land, de ziekten die exploitatie ervan met zich meebrengt, de chemicaliën van de uranium- en de goudwinning, en van petroleum weet iedereen welke funeste gevolgen die heeft voor het milieu.’ Hij vermeldt enkele presidenten uit de jaren zeventig en tachtig, maar het meest terugkerende voorbeeld is dat van voormalig president Tandja. ‘Tandja had om nieuwe uraniumprijzen gevraagd en Niger verkocht in die tijd voor het eerst zelf uranium. Het was ook in de periode dat er petroleum werd gevonden. Toen kwam de staatsgreep.’

Vakbondsman Magagi is niet de eerste die de jongste staatsgreep in 2010 koppelt aan Tandja’s kille relatie met Frankrijk. Officieel greep het leger in omdat Tandja zijn mandaat onconstitutioneel wilde verlengen. ‘Er zijn uiteraard geen harde bewijzen voor de betrokkenheid van Frankrijk bij de staatsgreep’, geeft Moussa Tchangari van de organisatie Alternatives toe. ‘Staatsgrepen hebben de neiging in een sfeer van geheimhouding te verlopen.’ Voor Tchangari worden de vermoedens van een Franse hand in de zaak versterkt door wat er zich in de afgelopen jaren in de regio heeft afgespeeld. Hij noemt Mauritanië, Ivoorkust, Tsjaad en zelfs Nigeria als dominoblokjes die opnieuw in Franse of pro-westerse handen kwamen of bleven tegen de achtergrond van de komst van nieuwe spelers zoals China.

Maar er is beterschap op komst. Zowel Tchangirai als Ali Idrissa ziet een groeiend bewustzijn onder de bevolking. Met ROTAB lobbyt Idrissa bovendien bij de overheid en de mijnbedrijven om beter toe te zien op de veiligheid van de arbeiders, en voor eerlijker contracten. Het werk begint vruchten af te werpen. Vakbondsman Magagi wijst erop dat de Nigerezen vooral meer opgeleide mensen nodig hebben die betere contracten kunnen bedingen. ‘We hebben ook een eigen onderzoeksinstituut nodig. In Algerije en Nigeria hebben ze dat. Het betekent misschien niet dat de mensen er meteen beter van worden, maar op zijn minst belandt het geld al in de schatkist van de overheid.’

Internationale organisaties zoals de EU ondersteunen projecten die de transparantie en de onderhandelingstechnieken van de Nigerezen moeten versterken, maar aan de rol van grootmachten zoals Frankrijk wordt niet expliciet getornd. ‘Het is voor ons onmogelijk om hierin positie in te nemen, Frankrijk is een soevereine staat. Alles zou veel eenvoudiger zijn als het volgens de regels van de kunst gebeurde,’ geeft de westerse diplomaat toe, ‘maar Niger moet dat zelf afdwingen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift