Vlaming houdt van derde wereld

Een recent onderzoek beweert dat het bijzonder goed gaat met de solidariteit die de gemiddelde Vlaming opbrengt voor het Zuiden. Vooraleer de verworpenen der aarde aan het feesten gaan, legde MO* de cijfers toch even op het rooster.
80 procent van de Vlamingen vindt dat het Noorden het Zuiden niet mag laten vallen. 51 procent zegt dat ons land de hulp aan het Zuiden moet vermeerderen. Twee derde vindt dat de rijke landen de Tobin-taks moeten doorvoeren, en er is ook grote bijval voor de kwijtschelding van de schuldenlast bij ontwikkelingslanden. Wie beweert dat Vlamingen steeds meer rond hun eigen dorpsplein draaien, heeft het blijkbaar mis. Die conclusie dringt zich op bij het doornemen van een recente enquête, die de koepel van de Vlaamse Noord-Zuidorganisaties, 11.11.11, liet uitvoeren. Onderwerp van het onderzoek: hoe groot -of klein- is het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in Vlaanderen. In april werden duizend Vlamingen telefonisch ondervraagd over hun kennis, houding en gedrag tegenover ontwikkelingssamenwerking. De barometer staat op schoon weer voor de ontwikkelingsorganisaties, en ook Marc Verwilghen wrijft zich in de handen.

Foutmarges


‘Je moet cijfers en enquêtes altijd nuanceren’, zegt Ignace Pollet, die samen met Patrick Develtere het HIVA-onderzoek (cel duurzame ontwikkeling - KU Leuven) leidde. ‘Gezien het grote aantal weigeraars bij de mensen die we opbelden, moet je er vanuit gaan dat de mensen die hebben meegewerkt aan onze enquête al positiever staan ten opzichte van ontwikkelingssamenwerking.’ Een vertekening van de werkelijkheid dus, die ook blijkt uit de politieke voorkeuren bij de respondenten. Mensen met een voorkeur voor Agalev, blijken oververtegenwoordigd, en de Vlaams-Blokaanhang was minder aanwezig dan in de samenleving. ‘Het kan dus zijn dat het percentage mensen dat pro ontwikkelingssamenwerking is, in werkelijkheid vijf tot tien procent lager ligt dan de enquête weergeeft. Maar foutmarges moet je bij elk onderzoek incalculeren. Jammer, maar je kan mensen nu eenmaal niet verplichten om mee te werken.’
Jaak Billiet, socioloog aan de KU Leuven, twijfelt sterk aan de wetenschappelijke betrouwbaarheid van het onderzoek. ‘Als je kijkt naar het grote aantal weigeraars, 3500 non-respons tegenover 991 respons, dan kan je hier onmogelijk op een wetenschappelijk verantwoorde manier conclusies uit trekken. Je hebt een minimumrespons nodig van 65 procent, pas dan mag je spreken van een betrouwbaar onderzoek. En hier is dat slechts 30 procent.’
Los van nuance en het incalculeren van welke foutmarge dan ook, scoren de ngo’s opvallend goed in de enquête. ‘Ze verdienen een pluim op hun hoed voor hun sensibilisatiebeleid. De thema’s van de ontwikkelings-ngo’s blijken opvallend goed te scoren bij de bevolking’, aldus Pollet.

Grote kennis Tobin-taks


17,5 procent van de ondervraagden kan uitleggen wat de Tobin-taks betekent, wat bijzonder veel is voor zo’n complex -en bovendien recent- ontwikkelingsthema. Anderzijds is het aantal mensen die wisten wie op het moment van bevraging de staatssecretaris was, laag: slechts 20,5 procent kende -na vier jaar legislatuur- de naam van Eddy Boutmans. Voor 11.11.11 is het alvast een teken aan de wand. De koepel vindt dat de officiële ontwikkelingssamenwerking weinig bakt van een degelijk communicatiebeleid. ‘
De burger blijkt een groter vertrouwen te hebben in de ngo’s dan in de officiële ontwikkelingssector. Dat zegt veel over het belang dat mensen hechten aan ngo’s, maar het zegt nog meer over het ontbreken van duidelijke en open communicatie door de overheid’, zegt Jozef De Witte, algemeen secretaris van 11.11.11. ‘Een prachtig staaltje van hoe het niet moet, is het magazine van de overheid, Dimensie-3. Het blad lijkt zo weggelopen uit de jaren zeventig, zowel wat betreft taal, redactionele aanpak als vormgeving. Uit onze enquête blijkt trouwens dat weinig respondenten weten dat het percentage van het bruto nationaal product dat naar ontwikkelingssamenwerking gaat, tussen nul en één procent ligt. De overheid laat de opdracht om over al dan niet ingewikkelde ontwikkelingsthema’s te communiceren en het maatschappelijk draagvlak te verbreden te veel over aan de ngo’s.’

Daadwerkelijke solidariteit


De Vlaming heeft niet alleen zijn houding tegenover ontwikkelingssamenwerking bijgestuurd, hij was in 2002 ook behoorlijk gul in zijn giften voor de Derde Wereld en zette zich dat jaar bijzonder actief in voor de goede zaak. Volgens de HIVA-enquête zette zes procent van de Vlamingen zich in als vrijwilliger voor ontwikkelingsorganisaties. Cijfers uit een jaarlijks onderzoek naar sociaal-culturele ontwikkelingen in Vlaanderen door de Administratie Planning en Statistiek, een dienst van de Vlaamse Gemeenschap, geven een ander beeld over de Vlaamse inzet. In 2001 werd een steekproef gehouden (mét hoge respons), waarbij 1446 Vlamingen gepeild werden over eventueel lidmaatschap van een derdewereldbeweging of vredesorganisatie.
Eén procent stelde actief lid te zijn, en drie procent noemde zichzelf passief lid.
Dat het HIVA-onderzoek op zo’n onwaarschijnlijk hoog cijfer uitkwam wat betreft de inzet van de Vlamingen, kan volgens 11.11.11 te verklaren zijn door het feit dat dat vrijwilligerswerk wel heel breed werd geïnterpreteerd: van geldinzamelacties tot het bijwonen van een vergadering en deelname aan een manifestatie. Bovendien hebben mensen bij enquêtes de neiging hun feitelijk gebrek aan daden te vergeten, terwijl ze hun intenties weergeven als gerealiseerde zaken. Dit soort vertekeningen speelt beslist ook een rol bij de hoge scores van het geefgedrag en ethische consumptie in Vlaanderen.

De Belg in internationale context


Vlamingen scoren duidelijk beter op de solidariteitsschaal dan ze zelf gedacht hadden, maar hoe goed doen we het vergeleken bij andere landen? Eveline Herfkens, speciaal gezant van VN-Secretaris Kofi Annan voor de Millenniumdoelstellingen en voormalig staatssecretaris Internationale Samenwerking in Nederland, vindt dat de Belgen weinig redenen hebben om zichzelf op de borst te kloppen. Tijdens een lezing in Brussel dit jaar sneerde ze dat België van heel Europa het zwakste draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking heeft, en dat terwijl hier al dertig jaar veel geld wordt uitgegeven aan ontwikkelingseducatie. Die gegevens haalde ze uit een recent rapport van de OESO, Publieke Opinie en ontwikkelingssamenwerking (2003).
De Eurobarometer, een regelmatig weerkerend Europees onderzoek, bevestigt dit. De Belg volgt de trend van de Europeanen om meer belang te hechten aan ontwikkelingssamenwerking, maar scoort beduidend lager dan het Europese gemiddelde. Volgens het OESO-rapport doet Nederland het zeer goed, omdat het land veel aandacht en vooral veel meer middelen besteedt aan het in stand houden en vergroten van het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Van de OESO-landen heeft Ierland het grootste draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking. Om het draagvlak te vergroten adviseert het rapport de OESO-landen zich te richten op de Millenniumdoelstellingen, met als voornaamste doelstelling de halvering van de armoede in de wereld tegen 2015. Hoe het moet als blijkt dat die ronkende Millenniumdoelstellingen niet gehaald worden, vermeldt het OESO-rapport niet.

DE OVERHEID GAAT COMMUNICEREN!

MO* legde de kritiek van 11.11.11 over het communicatiebeleid voor aan de beleidscel Ontwikkelingssamenwerking. Woordvoerster Isabelle Maduda-Lukebamoko reageert.

Ontwikkelingssamenwerking is nu eenmaal een thema dat moeilijker verkoopt aan het publiek en de media. Minister Verwilghen heeft, sinds zijn mandaat, ontwikkelingssamenwerking toch al meermaals op de publieke agenda kunnen zetten. Het voordeel dat hij heeft tegenover zijn voorganger, Eddy Boutmans, het grote verschil ook, is dat hij een “bekende kop” is, zelfs voor de Waalse bevolking. Maar het is belangrijker om de realiteit op het terrein te tonen dan uit te pakken met politieke doelstellingen. De burger wil resultaten in onze partnerlanden zien, en moet daarbij -in mensentaal- het volledige plaatje krijgen, ook informatie over cijfers en budgetten dus. En daarbij moeten we ook gebruik maken van perskanalen die een breed publiek bereiken.

Is ontwikkelingssamenwerking toch niet het saaiere broertje van de politieke familie?

Ontwikkelingssamenwerking is niet minder sexy dan andere beleidsdomeinen, wel minder bekend. De regering zelf heeft het belang van dit departement al onderstreept, door een minister aan het hoofd ervan te zetten. Dat is een belangrijk signaal aan de bevolking.

Wat zijn de krijtlijnen voor een nieuwe communicatieaanpak?

Naast het opentrekken van ons informatiebeleid, willen we de communicatie met onze partners aanscherpen, de Belgische Technische Coöperatie, de ngo’s, de coöperanten in het buitenland, en uiteraard ook Buitenlandse Zaken. Minister Verwilghen is met minister Michel naar New York gegaan, maar dat wil niet zeggen dat ontwikkelingssamenwerking de agenda van Buitenlandse Zaken moet volgen. Minister Verwilghen is meegegaan in het kader van multilaterale relaties en om goede contacten uit te bouwen. De coherentie tussen de twee departementen is belangrijk, al beseffen we dat het niet altijd zonder spanningen zal verlopen.

De OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) vindt dat er te weinig nationale onderzoeken gebeuren die het maatschappelijk draagvlak van ontwikkelingssamenwerking verifiëren.

We hebben al een ballonnetje opgelaten om een enquête te laten uitvoeren, maar als dat op een goede wetenschappelijke manier moet gebeuren, is dat een zeer dure zaak.



Opvallend


>Slechts drie procent van de ondervraagden wist dat Mieke Vogels bevoegd was voor de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking.
>Bijna negen op de tien respondenten vindt de kloof tussen het arme Zuiden en het rijke Westen onaanvaardbaar groot.
>Een goede 44 procent vindt dat armoede in het Zuiden een gevolg is van godsdienst of cultuur van een bevolking.
>Ontwikkelingssamenwerking scoort het best in zijn klassieke vorm: waterputten (92,1 procent), onderwijs en noodhulp (90,1 procent), gezondheidszorg (87,4 procent). Politiek werk zoals steun aan plaatselijke vakbonden en sociale organisaties scoort met 43,6 procent duidelijk veel minder. Alleen het stimuleren van eerlijke handel krijgt met 86,7 procent zeer veel bijval als nieuwe actievorm.
>Meer dan 60 procent van de Vlamingen zou in 2002 geld hebben gestort of gegeven voor de Derde Wereld.
>Twee op de tien respondenten koopt meermaals (meer dan een enkele keer per jaar) fairtrade-producten in het warenhuis. Een goede drie procent van de Vlamingen koopt wekelijks of bijna elke week fairtrade.
>Jongeren, hoger geschoolden en leden van maatschappelijke verenigingen staan meer welwillend tegenover ontwikkelingssamenwerking. Arbeiders en ouderen minder.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2771   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur