Wie wil er integreren in een brandend huis?

Wie migreert, wil elders thuis komen. En wie niet verhuist, zal toch moeten veranderen. In dat complexe landschap van internationale migratiebewegingen worden meer simplismen geproduceerd dan goed is. De Brits-Pakistaanse schrijver Hanif Kureishi -een “ervaringsdeskundige” terzake- schreef een schitterend essay over de worsteling met eigenheid en inburgering. Het teken van de regenboog verschijnt deze maand in de bundel Dromen en daden. MO* mocht het inkorten en bewerken tot onderstaande bijdrage.
He gave Noah the rainbow sign,
No more water, the fire next time!

(Uit een negrospiritual)

1 Engeland


Ik ben in Londen geboren en heb een Engelse moeder en een Pakistaanse vader. Mijn vader, die in Londen woont, is in 1947 van Bombay naar Engeland gereisd om er te worden opgeleid door de voormalige koloniale machthebber. Hij is er getrouwd en nooit meer teruggegaan. De andere leden van zijn grote familie, zijn broers, hun vrouwen, zijn zusters, verhuisden na de afscheiding van Pakistan van Bombay naar Karachi.
In mijn jeugd ontmoette ik mijn Pakistaanse ooms regelmatig als ze voor zaken in Londen waren. Het waren belangrijke mannen, vol zelfvertrouwen, en ze namen me mee naar hotels, restaurants en cricketmatches  vaak per taxi. Maar ik had geen flauw idee hoe het er in dat andere werelddeel aan toeging en hoe mijn talrijke ooms, tantes en nichten en neven daar leefden. Toen ik een jaar of tien was, zette een onderwijzer met een resoluut gebaar een paar foto’s van Indiase boeren in lemen hutten voor mijn neus en zei tegen de klas: ‘Hanif komt uit India.’ Ik vroeg me af of mijn ooms op kamelen reden. Toch zeker niet in hun nette pak? Zaten mijn neefjes, die in ieder ander opzicht zo op mij leken, halfnaakt als kleine Mowgli’s in het zand gehurkt, met hun vingers te eten?
Halverwege de jaren zestig werd er in Engeland om Pakistani gelachen, op de televisie werd de spot met hen gedreven en ze werden uitgebuit door politici. Ze hadden de slechtste banen, voelden zich niet thuis in Engeland en sommigen hadden moeite met de taal. Er werd op hen neergekeken en ze waren er niet op hun plaats.
Van jongs af deed ik mijn best de Pakistaanse kant van mezelf te ontkennen. Ik schaamde me. Het was een vloek waar ik van af wilde. Ik wilde gewoon net als iedereen zijn. Ik begreep het verhaal wel in de krant over een zwarte jongen die, omdat hij had gezien dat verbrande huid wit werd, in een badkuip met kokend water sprong.
Ik had een vriendje waarmee ik hele dagen op straat zwierf. Dat vriendje, dat later Johnny zou worden in mijn film My Beautiful Laundrette, kwam op een dag bij me thuis. Het was een schok.
Hij droeg een spijkerbroek van zulk stevig materiaal dat hij bijna rechtop bleef staan. Die werd boven zijn schoenen opgehouden door ‘Union Jack’-bretels, sterk als een strop, en liet een stuk been zo wit als een melkfles bloot. Het was alsof hij een paar centimeter gegroeid was door zijn Doc Martens-kistjes met stalen neuzen en zolen dik als kaassandwiches. Daar hoorde zijn Ben Sherman-hemd bij, met een plooi midden op de rug. Zijn haar, dat nergens langer was dan een centimeter, stak als spijkers uit zijn hoofd. Hij werkte deze onbeweeglijke creatie elk uur bij met een scherpe stalen kam, die ook dienstdeed als dolk.
Hij kreeg algauw de bijnaam Pleeborstel, hoewel je hem dat niet in zijn gezicht zou zeggen. Tot voor kort was hij een engelachtig jongetje geweest met een blonde kuif, die met zijn moeders liefhebbende spuug was gladgestreken, altijd met een schone zakdoek op zak, bovendien een goede kornetspeler bij de Air Cadets, maar nu had hij zich een volkomen ander, uitdagend gedrag eigen gemaakt.
Toen deze stoottroeper bij mijn moeder op de stoep stond te dansen op de maten van Skinhead Moonstomp, dat hij aan één stuk door kermde, sloeg haar de schrik zozeer om het hart dat ze op bed moest gaan liggen.
Het leek mij beter met P.B. mee te gaan en buiten wat rond te zwerven voordat mijn vader thuiskwam van zijn werk. Maar het was anders dan eerst. We konden niet meer zonder onderbreking een normaal gesprek voeren.
Pleeborstel was een personage geworden. Tot zijn intense vreugde groetten gelijksoortig geklede onbekenden Pleeborstel op straat alsof ze zich in een door oorlog verscheurd land bevonden en tot dezelfde legereenheid behoorden. Plotseling mochten we de bioscopen niet meer in. De Wimpy Bar, waar we uren met een milkshake hadden gezeten, weigerde ons toe te laten. Omwille van ons zelfrespect voelden we ons gedwongen om achterom te lopen en aan de achterkant een baksteen door de ruit te gooien.
‘s Avonds nam P.B me mee wanneer hij en de andere jongens bij elkaar kwamen. We klommen over het hek rond het park en slenterden naar het voetbalveldje, naar de doelpalen. Hier troffen de jongens elkaar om Pakistani op te jagen en in elkaar te slaan. De meesten van hen zaten bij mij op school. Met de anderen was ik opgegroeid. Ik kende hun ouders. Zij kenden mijn vader.
Ik trok me terug van het park en de jongens naar een veiliger plek in mezelf. Ik ging wat ik mijn “tijdelijke” periode noem in. Ik wachtte nog slechts tot ik hier weg kon, de Londense voorstad achter me kon laten, om een ander soort leven op te bouwen met betere mensen.
In de afzondering van mijn slaapkamer, waar ik naar Pink Floyd, de Beatles en de John Peel Show luisterde, begon ik de toespraken van politici op te schrijven, de woorden die bijdroegen aan het ontstaan van de neonazistische houding die ik om me heen zag. Ik noemde dit ‘de boekhouding bijhouden’.
In 1965 zei Enoch Powell: ‘We moeten niet de wenselijkheid uit het oog verliezen van een gestage stroom van vrijwillige repatriëring van die elementen die niet succesvol of niet assimileerbaar blijken.’
In 1967 zei Duncan Sandys: ‘Het fokken van miljoenen halfbloedjes zal slechts een generatie van onaangepasten voortbrengen en nationale spanningen creëren.’
Televisiekomieken maakten Pakistani tot doelwit van hun humor. Hun grappen waren in hoge mate politiek, want ze droegen bij tot een bepaald wereldbeeld. Door rassenhaat te reduceren tot een grap en er iets leuks van te maken, gebeurden er twee dingen: er werd uitdrukking gegeven aan een collectief standpunt (dat was goedgekeurd omdat het op de BBC kwam) en in miljoenen Engelse huiskamers werd minachting iets om trots op te zijn. Ik werd daardoor bang om televisie te kijken  het was te gênant, te vernederend.
Ik schaamde me diep en was doodsbang om met die verachtelijke vreemdelingen te worden geïdentificeerd. Ik vond het bijna onmogelijk om antwoord te geven op vragen naar waar ik vandaan kwam. Het woord “Pakistani” was een belediging geworden. Ik wilde niet dat dit woord in verband met mezelf werd gebracht. Ik vond het onverdraaglijk om mezelf te zijn.
De Engelsen klaagden onophoudelijk dat de Pakistani niet wilden assimileren. Dat wilde dus zeggen dat ze vonden dat Pakistani precies als zijzelf moesten zijn. Maar natuurlijk zouden ze hen zelfs dan nog afwijzen.
Het waren de Engelsen die assimileerden: ze assimileerden Pakistani naar hun wereldbeeld. Ze vonden hen smerig, onwetend en niet-menselijk  ze verdienden de beledigingen en het geweld.
Ik kon in die tijd met niemand overweg. Ik was bang en vijandig. Ik verdacht mijn blanke vrienden ervan dat ze me racistisch konden beledigen. En inderdaad deden velen van hen dat op een onschuldige manier. Ik berekende dat ik vanaf mijn vijfde minstens één keer per dag racistische scheldwoorden naar mijn hoofd had gekregen. Ik kon geen onderscheid meer maken tussen opmerkingen die werkelijk kwetsend waren, en andere, die “grappig” waren bedoeld.

2 Pakistan


De man had gehoord dat ik graag over Pakistan wilde praten en dat dit mijn eerste bezoek aan zijn land was. Hij bleef op een vriendelijke manier aandringen om ergens rustig met me te gaan praten. Maar er praatte al iemand met me.
Ik was weer op zo’n feestje in Karachi, in een enorm huis, met in de ene hand een glas whisky en in de andere een papieren bord. Ik had me terloops tegen een vriendin van de familie laten ontvallen dat ik niet tegen het huwelijk was. En nu beval deze vriendin in alle ernst een jonge vrouw bij me aan die met een echtgenoot in Engeland wilde gaan wonen. Ik voelde me slecht op mijn gemak toen de koppelaarster een tijd probeerde af te spreken waarop wij drieën elkaar konden ontmoeten om te onderhandelen.
Ik ging in Karachi naar drie feestjes per week. Toen ik me deze avond eindelijk los kon maken van die vrouw, bevond ik me in gezelschap van landeigenaren, diplomaten, zakenmensen en politici: machtige mensen. Dat vond ik prettig. In Engeland had ik dit soort mensen niet kunnen benaderen en ik wilde over hen schrijven.
Ze dronken flink. Iedere liberaal in Engeland weet dat je in Pakistan gegeseld kunt worden voor het drinken van alcohol. Maar voor zover ik het kon beoordelen, zou niet één van deze Engels sprekende, internationale bourgeoisie voor wat dan ook worden gegeseld. Elk had zijn favoriete, betrouwbare illegale drankverkoper die met grote snelheid op een gammele motorfiets, de jajem achterop gebonden, de kuilen in het wegdek van Karachi omzeilde.
Drank kopen was net zo gevaarlijk en duur als het in Londen was om cocaïne te kopen, maar hier had je het voordeel dat, aangezien de jajemmarkt zo scherp concurrerend was, de drankverkopers ook videobanden bij je thuisbezorgden en je kamer binnenstormden op weg naar de televisie met veelgevraagde kopieën van The Jewel in the Crown, The Far Pavilions en een bijzonder populair programma dat Mind Your Language heette, waarin Indiërs en Pakistani als volslagen karikaturen werden uitgebeeld.
Iedereen, behalve de massa, had een video. Ik begreep wel waarom, want in Pakistan was de televisie bijzonder eigenaardig. Zo werd het nieuws er nu in het Arabisch gebracht, een taal die maar weinig mensen in Pakistan beheersten. Er werd me uitgelegd dat de reden hiervoor was dat de koran in het Arabisch was, maar verder zei iedereen dat het was omdat generaal Zia de kont van de Arabieren wilde likken.
Ik beleefde een lichte identiteitscrisis. Ik was in Pakistan zo warm ontvangen, ik raakte zo opgewonden over wat ik er zag, en voelde me zo thuis bij al mijn ooms, dat ik me afvroeg of ik hier niet beter af was dan daarginds. Als ik met een vleugje ironie vertelde dat ik Engelsman was, werd er gelachen. Iedereen lag meteen slap. Waarom zou iemand met een bruin gezicht, een moslimnaam en een grote bekende familie in Pakistan aanspraak willen maken op dat koude, zielige eilandje aan de rand van Europa, waar je altijd je naam moest spellen? Vreemd genoeg kreeg ik door anti-Engelse opmerkingen patriottische gevoelens, maar ik had die patriottische gevoelens alleen als ik niet in Engeland was.
Ik kon mezelf echter niet toestaan om me al te zeer Pakistani te voelen. Ik wilde niet toegeven aan die valsheid, die sentimentaliteit. Zoals iemand op een feestje tegen me zei, geprovoceerd door het feit dat ik een spijkerbroek aanhad: ‘Wij zijn Pakistani, maar jij, jij zal altijd een Paki zijn’  het slangscheldwoord dat Engelsen voor Pakistani gebruiken en de reden waarom ik op geen van beide landen rechten kon doen gelden.
Ten slotte lukte het de man mij alleen te spreken te krijgen. Hij was een vriend van mijn intellectuele oom. Ik had een heleboel ooms, maar Rahman gaf de voorkeur aan die ene intellectuele, die Rahmans speciale verdriet begreep en zichzelf ook als een marginale figuur zag.
Rahman, in de vijftig, voormalig luchtmachtofficier, was liberaal, bereisd, en getrouwd met een Engelse vrouw, die nu met een Pakistaans accent sprak.
Hij zei tegen me: ‘Ik zal je wat zeggen, dit land wordt genaaid door de religie. Die begint zelfs geld verdienen in de weg te staan. En nu we zijn begonnen aan deze voortdurende terugval, zoals je zeker wel weet, want het is duidelijk. Pakistan is een van de belangrijkste landen waaruit je weg moet gaan. Onze patriotten zijn elders. We verachten en benijden hen. De rest van ons  onze klasse, jouw familie  verkeert in Hobbes’ zondige staat: onzeker, angstig. We klampen ons uit noodzaak aan elkaar vast.’ Hij werd optimistisch: ‘We hadden zoals Japan kunnen zijn, een tragisch oosters land dat tegenwoordig vooruitstrevend en geïndustrialiseerd is.’ Hij lachte en zei toen dubbelzinnig: ‘Maar alleen God houdt dit land bijeen. Je moet het overal rondvertellen: we maken een grote sprong achterwaarts.’
De zwaarste klap voor Rahman was het dansen. Hij hield van de wals en de foxtrot. Maar nu was het verboden om lichamelijk plezier, sensualiteit en ritme te uiten. Je kon het zien op de televisie als er iets was gecensureerd. Als in een westers programma de paren opstonden om te dansen werd het beeld afgebroken en vervolgens zag je ze weer gaan zitten. Rahman vond dit onverklaarbaar, een zinloze wreedheid, bijna nog willekeuriger dan al die andere dingen.
De islamisering bouwde geen ziekenhuizen, geen scholen, geen huizen, maakte het water niet schoon en installeerde geen elektriciteit. Maar het gaf richting, identiteit. Het land zou in handen zijn van het goddelijke, of liever gezegd, in handen van degenen die zichzelf hadden uitverkozen om die ene goddelijke opdracht te interpreteren. Onder de tirannie van het priesterdom en met medewerking van het leger zou Pakistan de belichaming van de islam worden.
Er zou voortaan geen onderscheid meer bestaan tussen ethische en religieuze verplichtingen, en vergissingen zouden op elk gebied uitgesloten zijn. Er bestond alleen nog onzekerheid ten aanzien van de interpretatie. De theorie zou bestaan uit de eeuwige en universele principes die Allah had voorgeschreven en verplicht had gesteld voor de mensen; de eerste drie generaties moslims zouden het voorbeeld zijn en Pakistan de praktijk.
ontmoette een gezette, emotionele advocaat van begin dertig, die een enorme, extroverte charme bezat. Zijn vader was rechter. Zelf was hij intelligent en welbespraakt, en een trotse vertegenwoordiger van de andere “nieuwe geest” van Pakistan. Hij dronk, rookte en neukte niet. Uit vrije wil. Hij bad vijf keer per dag. Hij werkte aan één stuk. Hij was vastbesloten een goede moslim te zijn omdat de islam de reden was waarom dit land eigenlijk bestond. Hij was niet toegeeflijk, behalve in religieus opzicht, en hij leefde in overeenstemming met zijn geloof. Ik mocht hem meteen.
We aten in een duur restaurant. Het had in Londen of New York kunnen zijn. Het eten was uitstekend, zei ik. De advocaat was het daar niet mee eens en schudde met volle mond zijn grote hoofd. Het was beslist niet goed, het was beslist verwerpelijke rotzooi. Maar ik begreep dat hij dat alleen om ideologische redenen zei, want hij at met smaak. Hij zei dat hij uitsluitend omwille van mij in dit restaurant was.
In de dorpen kreeg je beter te eten. Alleen de massa bezat deugden, zij wist hoe je moest leven, hoe je moest eten. Hij zei dat die uitgedroogde mannen, die marginale mannen met wie ik omging en die ik zo aardig vond, een ergerlijke klasse zonder waarden vormden. Misschien, veronderstelde hij, terwijl hij stevig doorat, was ik zo op hen gesteld omdat ik Engels was. Door hun opvoeding, hun intellectuele snobisme, waren ze onislamitisch. Ze begrepen niets van de massa en spraken Engels om zich van het volk af te sluiten. Gingen de beste banen niet naar mensen die in het buitenland hadden gestudeerd? Hij was die verwesterde oudere mensen beu die afgaven op hun land en de religieuze aard ervan. Ze waren besmet geraakt door het Westen, ze kenden hun eigen land niet en hoe sneller ze vertrokken en door racisten in andere landen in elkaar werden geslagen, hoe beter.
De advocaat en ik gingen weer naar buiten. Het was er druk, de straten waren vol wandelende mensen. We zagen dansende kamelen en een tentoonstelling van Pakistaanse handelswaar. De advocaat schreed overal schreeuwend tussen door. De tentoonstelling stond vol met in Pakistan gemaakte imitaties van westerse spullen: badkamers in chocolade- en aardbeienkleuren, televisies met stereo’s eraan vast, ventilatoren, airconditioners, kachels, en een speelhal vol buitenaardse wezens. De advocaat begon zich op te winden.
Dit waren westerse spullen, van geen enkel nut voor de massa. De massa had geen water, wat moesten ze met aardbeikleurige badkamers? De massa wilde de islam, geen buitenaardse wezens of… of verkiezingen. ‘Zijn verkiezingen westers?’ vroeg ik. ‘Hebben ze die dan niet in India?’ ‘Nee, die zijn westers,’ zei de advocaat. ‘Waar zouden ze nodig voor zijn onder de islam? Er hoeft maar één partij te zijn  de partij van de rechtschapenen.’
Derdewereldintellectuelen en revolutionairen uit een vroeger tijdperk, mensen als Fanon en Guevara, zouden aanvankelijk blij en vervolgens teleurgesteld zijn geweest met deze energieke advocaat. Al dat gepraat over bevrijding  eindelijk erkenning van de deugden van de zwoegende massa, de strijd tegen het neokolonialisme, de burgerlijke vazallen ervan en de Amerikaanse bemoeienissen  die hele herkenbare reutemeteut over vrijheid en strijd eindigt naar het idee van de advocaat met het hele land op de knieën, in gebed. Nu het land er een begin mee heeft gemaakt voor zichzelf te zorgen, bevindt het zich… in de achtste eeuw.
Ik kwam in het huis van mijn oom een kamer binnen. Op de veranda, half verborgen achter een gordijn, zat een oude vrouwelijke bediende in de afleggertjes van mijn nicht te bidden. Ik bleef staan om naar haar te kijken. Wanneer ik ‘s ochtends nog in bed lag, veegde zij met een paar bijeengebonden takken de vloer van mijn kamer. Ze was minstens zestig. Op het versleten bidkleedje leek ze nu erg nietig, terwijl rondom haar het heelal oneindig, immens was, maar God was boven haar. Ik voelde dat zij dat erkende wat groter was dan zijzelf, zich nederig voelde tegenover het oneindige, en dat ze haar eigen onbeduidendheid inzag en voelde. Het was een moment van waarachtigheid, geen leeg ritueel. Ik wilde dat ik zo kon bidden.
Misschien wilde deze vrouw werkelijk een maatschappij die alleen háár morele en religieuze overtuigingen representeerde en geen andere, in plaats van een pluriform, liberaal mengsel, een maatschappij waarin haar eigen geestesgesteldheid, haar gewoonten, manier van leven en gehoorzaamheid aan God gevestigd waren met volledig wettig en constitutioneel gezag. Maar het was niet zo dat haar dat ooit was gevraagd.
Pakistan wilde Engeland ook niet laten gaan. Ondanks de advocaat uit Lahore, ondanks alles, dachten Pakistani vaak aan Engeland. Maar het Engeland van vandaag, het alom aanwezige racisme en als gevolg daarvan het lijden van de Pakistani, was voor hen een ander, vreemder verhaal. Wanneer ik daarover begon, kreeg ik verrassende reacties. Degenen die in Engeland waren geweest, vertelden vaak dat ze beledigd of in elkaar geslagen waren of getreiterd waren op het vliegveld. Maar zelfs deze mensen namen standpunten in die veelal overeenkwamen met die van degenen die er niet waren geweest.
Het kwam doordat de Engelsen de Pakistani niet begrepen omdat ze alleen maar de arme mensen uit de dorpen zagen, de analfabeten, de boeren, de Pakistani die niet wisten hoe je een wc moest gebruiken of met mes en vork moest eten, omdat ze arm waren. Als de Engelsen hén eens konden zien, de rijken, de geschoolden, de intelligenten, dan zouden ze niet zo vijandig zijn. Dan zouden ze inzien wat een beschaafde mensen Pakistani eigenlijk zijn. En dan zouden ze hen wel mogen.
Wat hier eigenlijk mee werd bedoeld, was dat de armen die naar het Westen waren geëmigreerd om te ontsnappen aan de verstikking door de rijken in Pakistan, het racisme in Engeland verdienden omdat ze werkelijk verachtelijk waren. De Pakistaanse bourgeoisie deelde de minachting van de Engelsen voor de emigranten uit de arbeiders- en boerenklasse van Pakistan.
Het was interessant om te zien dat de Engelse arbeidersklasse (en niet alleen de arbeidersklasse natuurlijk) dezelfde woorden bezigde om haar verachting voor Pakistani uit te drukken  klachten over domheid, luiheid, onbetrouwbaarheid, gebrek aan hygiëne  als hun eigen Engelse bourgeoisie voor hen gebruikte. Maar ze zagen de overeenkomst niet.
Racisme gaat hand in hand met klasseverschillen. Racisme is onder andere een vorm van snobisme, het verlangen om jezelf cultureel en economisch beter te vinden en het verlangen om die superioriteit aan den lijve te ervaren en ervan te genieten door middel van haat en geweld. En als die superioriteit in klasse en cultuur onzeker is of niet erkend wordt door de Ander  zoals wel het geval zou zijn door de bediende en de meester in het stabiele klassestelsel in Pakistan  maar in twijfel wordt getrokken, zoals met de Engelse arbeidersklasse en de Pakistani in Engeland, dan moet hij fysiek gedemonstreerd worden. Dan weet iedereen waar hij aan toe is  de klasse is zichtbaar gemaakt, net zoals iedere snob zijn superioriteit demonstreert door te pronken met rijkdom, kennis of voorouders.
Vandaar dat sommige leden van de bourgeoisie in Pakistan die het vertrouwde repertoire aan minachtende woorden gebruikten voor hun eigen armen (en trouwens ook voor de Engelse armen), er niets van begrepen toen ik uitlegde dat Engelse racisten geen onderscheid maken in hun racisme  zij verachten alle Pakistani en schoppen wie er toevallig het dichtst in hun buurt is. Voor de Engelsen zijn alle Pakistani eender; racisten vragen niet of je een chauffeur, televisie en privé-scholen hebt voor ze je huis in brand steken. Maar sommige Pakistani waren van mening dat dit hun door hun eigen armen was aangedaan.

3 Engeland


Toen ik overwoog in Pakistan te blijven om mijn verleden meer in mijn leven te integreren, waardoor ik een completer mens zou worden, kwam onvermijdelijk de gedachte bij me op dat dat helemaal niet kon. Miste ik Engeland al niet te erg? En was ik het gebrek aan progressiviteit en mogelijkheden in Pakistan al niet beu?
Ik zou daarom altijd weer naar Engeland terug moeten gaan. Ik kwam thuis in… mijn land.
Het kost me moeite dat te zeggen. “Mijn land” is geen vanzelfsprekend begrip voor me. Ik vind het nog steeds moeilijk om de vraag ‘Waar kom je vandaan?’ te beantwoorden. Ik heb me nooit met Engeland willen identificeren. Ik ga nog liever naakt de straat op dan dat ik opsta voor het volkslied. De pijn van die periode in mijn leven, in het midden van de jaren zestig, draag ik nog steeds bij me. En toen ik oorspronkelijk dit stuk schreef, zette ik het in de derde persoon: ‘Hanif zag dit’, ‘Hanif voelde dat’, omdat ik het te moeilijk vond mezelf rechtstreeks bezig te houden met wat ik in die tijd voelde, omdat ik er niet opnieuw bij wilde stilstaan. En misschien ben ik daarom wel gaan schrijven: om sterke gevoelens in zwakke om te zetten.
Maar ondanks alles blijf ik een soort identificatie met Engeland voelen.
Het is vreemd om naar het land van je voorouders te reizen en erachter te komen hoeveel je gemeen hebt met de mensen die daar leven, maar je tegelijkertijd toch te realiseren hoe Engels je bent, de mate waarin, zoals Orwell zegt, ‘de niervetpuddingen en de rode telefooncellen je ziel zijn binnengedrongen’. Dát wilde je nou niet bepaald ontdekken. Maar je ontdekt inderdaad ook dat soort dingen. En je ontdekt hoe weinig keus je hebt wat je achtergrond en de plaats waar je thuishoort betreft. Je kijkt ernaar uit om terug te gaan, je denkt vaak aan Engeland en aan wat het voor je betekent  en je denkt er vaak over na wat het betekent om Engels te zijn.
Twee dagen na mijn terugkomst ging ik met mijn wasgoed naar een wasserette en gaf het aan de vrouw die er werkte, waarop ik te horen kreeg dat ze kleren van buitenlanders niet aanraakte; ze wilde niet dat ik zelfs maar in de buurt van haar stomme wasserette kwam. Van ernstiger aard was het volgende. Ik las in de krant dat er een brandbom was gegooid in het huis van een Pakistaans gezin. Er was een kind gedood. Zulke dingen gebeuren natuurlijk vaak. Het is de varkenskop door het raam, de klodder spuug in het gezicht, de kinderen bij wie met scheermesjes de initialen van racistische organisaties in hun huid werden getatoeëerd, alsook beleefdere vormen van haat.
Ik was ziedend. Ik dacht: wie wil er zo graag Engels zijn? Of zoals een zwarte Amerikaanse schrijver zei: wie wil er zo graag in een brandend huis integreren?
Ik ken inderdaad Pakistani en Indiërs, hier geboren en getogen, die denken dat hun positie het gevolg is van de diaspora: ze zijn in ballingschap en wachten op terugkeer naar een betere plek, waar ze thuishoren, waar ze welkom zijn. En daar zullen ze volledig “huishoren” Daar zal het thuis voor hen zijn en zal er vrede zijn.
Het is niet zo verwonderlijk dat er mensen zijn die in dit idee van “huis”geloven. Het alternatief voor dat geloof is meer conflict hier, meer zelfhaat, de niet-aflatende strijd tegen racisme en de voortdurende aanpassing aan het leven in Engeland. En de zwarten in Engeland weten dat ze al meer dan genoeg zijn aangepast.
Beschaafde blanke Engelsen hebben er geen flauw idee van hoe weinig de zwarten die hier wonen merken van die verdraagzaamheid. Geen flauw idee van het geweld, de vijandigheid en de minachting die zwarte mensen iedere dag ondervinden, zowel van de zijde van de staat als van het individu in dit land. Het moet ondertussen duidelijk worden gemaakt dat zwarten geen behoefte hebben aan “verdraagzaamheid” op een specifieke, neerbuigende manier. Er is geen behoefte aan zo’n paternalistische tirannie, omdat de Engelse maatschappij zelf zich ingrijpend moet veranderen.
Ik zeg er nadrukkelijk bij dat het gaat om aanpassingen van de zijde van de Engelsen.
Het zijn de Engelsen, de blanke Engelsen, die moeten leren dat Engels-zijn niet meer is wat het geweest is. Het concept is vandaag de dag veel ingewikkelder en zit vol nieuwe elementen. Engeland en de keuzes waarvoor het staat, moeten daarom op een nieuwe manier worden gezien, en na al die tijd moet men op een nieuwe manier Engels zijn. Er moet veel en goed worden nagedacht en gediscussieerd over de noodzaak hiervan, en zelfonderzoek worden gedaan ernaar en naar wat deze “nieuwe manier van Engels-zijn” inhoudt en hoe moeilijk het zal zijn om die te bereiken.
Als deze kans niet wordt aangegrepen om met hernieuwde kracht tot een ruimere definitie van de eigen identiteit te komen  met als enig alternatief de mislukking om werkelijk mens te zijn  dan zullen een groter isolement, schisma, verbittering en rampen het gevolg zijn.
De twee landen, Engeland en Pakistan, hebben jarenlang bij elkaar gehoord, meestal in het voordeel van Engeland. Ze kunnen nu niet uit elkaar worden gerukt, zelfs niet als dat wenselijk zou zijn. Hun toekomst zal met elkaar verweven zijn. Wat dat moreel betekent, en of het met geweld wordt bestreden door domme blanken en gekenmerkt door ongelijkheid en onrechtvaardigheid, of begrepen, aanvaard en vermenselijkt  daarover beslissen wij allemaal samen.
Die beslissing betreft niet een kleine groep onbeduidende mensen die neerbuigend kunnen worden aangeduid als “minderheden”. Ze betreft de richting waarin de Engelse maatschappij zal gaan. Het gaat om haar waarden en om hoe humaan ze is als zich echte problemen en mogelijk een breuk voordoen. Het gaat om het respect van de maatschappij voor het individu, de macht die ze aan diverse groepen toekent en wat het eigenlijk wil zeggen wanneer ze zichzelf ‘democratisch’ noemt. De toekomst ligt in onze handen.
Het volledige essay getiteld Het teken van de regenboog kunt u lezen in Kureishi’s nieuwe essaybundel Dromen en daden, Hanif Kureishi - vertaling: Marijke Koch, Uitg. Anthos, ISBN: 90 414 066 62, ca. € 21,90

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2945   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift