Nieuwjaarsbrief aan onverdraagzame landgenoten

Beste links progressieve Vlaming, hoe verdraagzaam zijn wij nog?

© Brecht Goris

 

Alle lezers zij een Gelukkig Nieuwjaar gewenst.

We kunnen wat vriendelijke wensen goed verdragen, als een warme jas op winterse dagen. Heremijntijd, wat kan het koud zijn op deze opwarmende aarde. Ga maar eens na:

President Troef treedt steeds meer buiten zijn oevers. Hongarije voert een slavenwet in. In Katowice weigert België noodzakelijke klimaatambities te onderschrijven. In Jemen sterven tienduizenden kinderen van honger. Syrië blijft een inferno.

Charles Michel dribbelt zo driftig van rechts naar links dat hij struikelt over zijn eigen benen. In Genua stort de Ponte Morandi in, tweeënveertig doden. Brazilië kiest een volbloed fascist tot president.

Roept daar iemand dat ik de helft verzwijg? Meer dan de helft, geachte lezers, veel meer en het is niet dat ik iets wil verzwijgen, alleen, wanhoop snijdt me de adem af. Vul dus aan naar believen. De lijst is niet eindeloos, maar wel heel erg lang.

Echter.

Ik wil het hier over iets anders hebben, iets kleiners, op het eerste gezicht toch. Het zal misschien wat bond-zonder-naam-achtig klinken. Maar het is kenschetsend voor deze tijd. Zowel de koning der Belgen, onze eigen Flup, als de Nederlandse koning Willem-Alexander, als de Duitse bondspresident, Frank-Walter Steinmeier, konden er niet over zwijgen in hun kerstboodschap.

‘In hoever dulden mensen die zichzelf graag links noemen nog het gezelschap van mensen die heel andere ideeën hebben?’

Hoe verdraagzaam zijn wij nog?

In hoever dulden wij nog het gezelschap van mensen die heel andere ideeën hebben dan wijzelf? Ik wil dit toespitsen op mensen die zichzelf graag links noemen of progressief en bijgevolg ook verdraagzaam.

Enkele maanden geleden voerde ik een uiterst kort gesprek met een mevrouw die zonder de geringste twijfel zichzelf beschouwt als links en progressief en verdraagzaam. Het ging zo.

‘Zeg’, vroeg ik, ‘wat vind jij van Zuhal Demir?’

‘Met permissie’, antwoordde zij, ‘maar ik vind Zuhal Demir een kutwijf.’

Haar antwoord sneed me de adem af, zie boven. Allerlei gedachten schoten ordeloos door mijn hoofd. Demir is stevig intelligent. Demir is stevig rechts. Demir werkt stevig. Demir weert zich stevig in een debat. Wat zou er mis zijn met Demir? Dat ze rechtse dingen zegt? Dat ze gekozen heeft voor de Vlaamse nationalisten? En ik die dacht dat je in een goeie democratie wat rechts nodig hebt en wat links en vooral veel centrum.

Let wel, dit tweeregelige gesprekje vond plaats lang voor de N-VA haar walgelijke campagne tegen het Marrakech-compact lanceerde en dus ook lang voor de voorzitter begon aan zijn lange mars door de leugens over Marrakech. Ja, leugens, ik heb de tekst van dat ding toevallig gelezen en ik was het op een aantal punten gloeiend oneens (bijvoorbeeld punt 8 onder de rubriek Our vision and guiding principles, een eenzijdig optimistische voorstelling van migratie). Maar dit blijft: op een paar details na werd de voorzitter niet gehinderd door enige kennis van zaken.

Nog een keer let wel.

De N-VA is echt niet mijn ding. Aangezien ik ervan overtuigd ben dat meertalige landen (bijvoorbeeld België, Zwitserland, de oude Dubbelmonarchie, de eerste Tsjecho-Slowaakse republiek tijdens het interbellum) een voorsprong hebben op ééntalige landen, geloof ik niet dat ons aller heil van Vlaamse onafhankelijkheid kan komen. Maar veel zwaarder weegt dit: de sociaal-economische ideeën van de N-VA zijn onversneden rechts.

De voorzitter wil aan het handje van VOKA lopen, van de Vlaamse werkgevers dus, hij heeft het zelf gezegd. Ik schaar mij vrijwel zonder uitzondering aan de kant van het vakbondsfront. Ik verdedig door dik en dun de sociale zekerheid en vooral de rechten van de werklozen. Ik ben vóór hoge belastingen met sterke progressiviteit. De correlatie hoge belasting –hoge ontwikkeling – hoog gezondheidspeil– lage armoede is toch wel heel erg sterk. En de fiscale paradijzen mogen vandaag nog dicht. Waterdicht.

Dus let op uw tellen. Wie mij wegens wat nu volgt zou beschuldigen van enige affiniteit met de N-VA, die dwaalt of is te kwader trouw.

Toen ik op de voorpagina van De Standaard (14 december 2018) deze kop zag: Assita Kanko wordt kopstuk voor de N-VA, wrong zich onder mijn schedeldak ogenblikkelijk een knoedel in elkaar van mijn geijkte uitdrukkingen voor totale verrassing. Wat heb ik nou amme fiets hange nou breekt mijn klomp krijg de klere (uit mijn Hollandse tijd), endaddinaakas straffen toebak ’t es on aa naa ça alors (uit mijn geboortegrond), daar heb ik het niet van terug dit gaat boven mijn petje (uit mij ABN-jaren).

Want weet, geachte lezers, ik ben een onvoorwaardelijke bewonderaar van mevrouw Kanko. Meer dan een kwart eeuw geleden hadden we bij de binnenlandredactie televisie een woord voor zulke mensen, vrouwen en mannen door elkaar (de rest had je toen nog niet zo). Wij noemden die mensen: klasbak. Om een idee te geven, uit uiteenlopende beroepen: Eddy Merckx was een klasbak. Hugo Claus was een klasbak. Edith Piaf was een klasbak. Angela Merkel is een klasbak.

Assita Kanko is een klasbak.

Daarom schreef ik in MO* op 13 oktober 2014: … het kan toch niet zo vreselijk moeilijk zijn geweest de briljante, drietalige Assita Kanko op te vissen, al zit ze in geen enkel parlement? Ik maakte me in dat stuk kwaad omdat de nieuwe regering, Michel I, bestond uit louter bleekgezichten en omdat er nauwelijks vrouwen in zaten.

Ik had een paar keer de eer en het genoegen rechtstreeks met haar te praten. Wat een intelligentie. Wat een slagvaardigheid. Wat een luciditeit.

‘Assita Kanko is een vierentwintig karaats klasbak. En nu dus dit. Assita Kanko als volwaardig Vlaams nationalist’

Ik hoorde en zag haar verhalen in de televisie-uitzending Alleen Elvis blijft bestaan. Het hoort bij de beste televisie die ik ooit mocht zien. Assita Kanko sprankelde. Assita Kanko sloeg me plat. Alleen al de waardigheid én de emotie waarmee ze sprak over haar genitale verminking blies elk comfortabel cultuurrelativisme finaal van tafel.

Kortom, Assita Kanko is een vierentwintig karaats klasbak. Voor wie het niet mocht weten, vierentwintig karaat is zuiver goud.

En nu dus dit. Assita Kanko als volwaardig Vlaams nationalist.

Een paar weken later vestigde iemand mijn aandacht op een zinnetje in een andere krant (De Morgen, 24 december 2018). Annemie Struyf spreekt. Ze is bevriend is met Assita Kanko:

‘Onlangs zei iemand uit mijn kennissenkring: “Zeg, die vriendin van jou, je gaat ze nu toch wel laten vallen, zeker?” Een vriendin laten vallen omdat ze bij een andere partij dan waar je misschien zelf voor zou kiezen? Dat heeft me geschokt.’

Annemie Struyf is terecht geschokt.

Denk nu even terug aan de linkse mevrouw die Zuhal Demir een kutwijf noemde. Ik zou nog andere voorbeelden kunnen noemen, allemaal voorbeelden van linkse, progressieve, zichzelf als verdraagzaam beschouwende mensen die woedend cq. triest cq. verbijsterd reageren als hun medeburgers van buitenlandse herkomst hun gading vinden in de N-VA. Zoals Nabilla Ait Daoud, schepen van Antwerpen. Zoals Nadia Sminate, uittredend burgemeester van Londerzeel.

Waarom toch die ontzetting? Omdat die mensen (het zijn allemaal vrouwen, hoe zou dat nou komen?), omdat die vrouwen niet hun gading vinden bij Groen of sp.a of PvdA? Waarom zouden ze dat moeten?

‘Wij, progressieven en linksen en verdraagzamen, wij weten wat goed is voor die arme allochtonen’

De mensen die zichzelf links of progressief inschatten en toch de keuze van die vrouwen veroordelen zijn geheide paternalisten. Wij, progressieven en linksen en verdraagzamen, wij weten wat goed is voor die arme allochtonen. Wij zullen hun wel de hand boven het hoofd houden. Wij ontfermen ons over de weerloze slachtoffers van de endemisch discriminerende, onverdraagzame, o zo vreselijk rechtse Vlaamse samenleving.

Geschiedenis kan leerzaam zijn. Die linkse, progressieve, verdraagzame mensen nemen dezelfde neerbuigende en zelfgenoegzame houding aan als de katholieke, deftige burgerdames en de vrome bezadigde burgerheren uit de negentiende eeuw. Deze diepgelovige dames en heren waren er heilig van overtuigd dat ze het droevige lot van den werkmensch doorgrondden. Zij deden aan goede werken. Zij schonken afgedragen kleren. Zij zorgden voor welvoeglijke ontspanning. Want anders, anders … zouden hun brave, stille armen weleens in de verleiding kunnen komen om te luisteren naar die schreeuwende, bruutzakken van socialisten. O Jezus Maria Jozef! Charles Woeste wist beter wat goed was voor de arbeiders dan de arbeiders zelf. Punt. Niet Eedje Anseele, vuile volksopruier van de Vooruit in Gent. En al zeker niet dat geëxalteerde warhoofd uit Aalst, priester Daens.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Vandaag idem dito, maar dan ter linkerzijde.

Links en progressief gaan zich te buiten aan paternalisme.

Links en progressief koesteren een koppig verzwegen neokolonialisme.

Links en progressief hangen blind een eurocentrisch superioriteitsgevoel aan.

Links en progressief weigeren dat te erkennen.

Ze zijn niet in staat dat alles te erkennen, want ze kunnen zich dat niet permitteren. Erkennen ze het wel, dan zakt de bodem weg onder hun linkervoet. Paternalisme immers, neokolonialisme, etnocentrisme, dat alles hoort thuis bij rechts, nietwaar, dat moet en zal het monopolie zijn en blijven van rechts, het rechts dat zij verafschuwen, het rechts dat zij diep verachten.

Als intelligente, dynamische, vrijgevochten vrouwen als Assita Kanko en Zuhal Demir en al die anderen tóch kiezen voor de N-VA, dan borrelt bij links en progressief een zurige cognitieve dissonantie naar boven. Woeste kreten weerklinken. Verbreek de vriendschapsbanden. Kutwijf.

‘Democratie betekent dat je het debat aandurft met mensen die echt andere meningen verdedigen dan die van jezelf’

Verdraagzaamheid heeft alleen betekenis als je meningen duldt die haaks staan op die van jezelf. Die je ergeren. Die je dwingen tot nadenken, al was het maar om ze welsprekend te kunnen weerleggen. Democratie betekent dat je het debat aandurft met mensen die echt andere meningen verdedigen dan die van jezelf. Rood tegen geel. Geel tegen groen. Geen teergroene of bleekroze afkooksels van je eigen mening.

Maar telkens als een mevrouw (of meneer) die afkomstig is uit Anatolië of Ouagadougou, eerste, tweede of voor mijn part tiende generatie, iemand die allang je medeburger is, met exact dezelfde rechten en plichten als jij, telkens als zulke medeburgers vol overtuiging zeggen, ik ben een Vlaams-Nationalist, kun je je dan een sterker voorbeeld van integratie voorstellen? Een geslaagder voorbeeld?

Nog iets. Wat is het verschil tussen de hedendaagse linkse progressief en de koloniaal uit de jaren vijftig die tegen zijn boy blafte: zwijg?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.