Een uitzichtloze wachtkamer

© Brecht Goris

 

Die gerooide bomen. Ik kan ze maar niet uit mijn hoofd krijgen. Bomen rooien om mensen op de vlucht in hun blootje te zetten. Ik heb al duizend dingen geleerd bij de vzw Humain. Maar misschien is het belangrijkste wel op te spreken over ‘mensen op de vlucht’. Niet over transmigranten. De mens voorop, altijd.

Ik begrijp elke maand beter waarom de ploeg van Humain al ruim twee jaar naar Duinkerke en Calais rijdt.

Vzw Humain gaat regelmatig naar het Puythoek natuurreservaat in Duinkerke. Ik probeer een keer per maand mee te gaan. Aanvankelijk aarzelend. Waarom zou ik naar het Noorden van Frankrijk rijden, terwijl ik op enkele kilometer van het Maximiliaanpark woon? Maar ik begrijp elke maand beter waarom de ploeg van Humain al ruim twee jaar naar Duinkerke en Calais rijdt.

Ik moet telkens vroeg vertrekken op zondag, uit Brussel, om de afspraak op de parking van Mannekensvere te halen. Ik geniet dan van de rust van een stad die uitslaapt op zondag. Ik wacht op de tram met uitdovende feestgangers en Molenbeek Girls die naar devoetbaltraining vertrekken. De slaperige tienerzoon van de bakker heeft me één van zijn eerste croissants verkocht. Onderweg kijk ik naar de markt van Jette in opbouw waar bloemen worden uitgestald en rauwe kippen aan het spit worden geregen. Drie uur later ben ik in Duinkerke.

Meestal kook ik en help ik mee eten uitdelen. Dit gebeurt vanop een parking vlakbij een winkelcentrum. Er is geen kamp, er zijn mensen die zich verschuilen en die komen opdagen zodra ze het geluid horen van de generator die we mee hebben. Het is deze keer opvallend rustig.

Ik trek vandaag voor het eerst de “jungle” in, zoals de bewoners het natuurgebied noemen.

De doorgeknipte touwtjes die zeilen moesten ophouden verraden dat iemand hier met opzet het geïmproviseerde kamp heeft vernield.

In het eerste stuk vinden we alleen maar rotzooi. De doorgeknipte touwtjes die zeilen moesten ophouden verraden dat iemand hier met opzet het geïmproviseerde kamp heeft vernield. De zeilen zijn verdwenen, tenten kapot gemaakt? De schamele inboedel van de voormalige bewoners is nat en dus onbruikbaar geworden.

Een constructie met zeilen, dieper in het bos, staat wel nog overeind. We worden uitgenodigd door de bewoners rond eenkampvuurtje. Dit kampement is met boomstammen omrand, niet anders dan wat je wel eens aantreft rond stacaravannen op een camping. Het is middag maar de helft van de bewoners slaapt nog. De mannen die in het bos leven hokken samen per nationaliteit. Dit is een stelletje avontuurlijke Afghanen, avontuurlijk, maar moe.

We melden dat we eten meehebben, wat spullen ook. Het is niet dat we niet welkom zijn, met onze generator en onze onvermoeibare kapper. ‘Mooi dat jullie tot hier komen met al die hulp, maar als je echt iets wil doen voor ons, overtuig dan jullie regering om ons hiereen legaal bestaan te laten opbouwen’.

Iemand toont me een papier waarop staat dat hij het Franse grondgebied moet verlaten. Bij geboortedatum staat er 1 januari 2000. Dertig zal hij wel niet zijn, maar hij is al even de achttien voorbij. ‘Achttien?’, vraag ik en trek een wenkbrauw op. Hij moet er zelf hartelijk om lachen. Het was een poging waard, lijkt hij te zeggen.

Enkele uren later zie ik hem zitten op de kappersstoel van Sam die het grijs rond zijn slapen blootlegt…

UK. UK. UK.

Er wordt lyrisch gedaan over het Eldorado aan de overkant van Het Kanaal. ‘De welvaartstaat heeft de Britse onderklasse lui gemaakt. Zij drinken liever pintjes en whisky in plaats van te werken. Wij willen die jobs wel doen. Wij willen wel werken in de carwash, in het slachthuis, in de keuken van een Chinees restaurant.’

Veel mensen in de jungle zijn ooit al in de UK geweest. Ze weten waar ze heen gaan. En ze weten waarom.

Veel mensen in de jungle zijn ooit al in de UK geweest. Ze weten waar ze heen gaan. En ze weten waarom.

De Pakistanen zijn het best georganiseerd. Zodra wij toekomen, gaat iemand kopjes afwassen. We worden ook hier rond het vuur uitgenodigd en krijgen een tas chai.

Hun tent zit ingenieus in elkaar gesjord. Er wordt gewezen naar de man met de baard die ons thee inschenkt. Ze noemen hem de ingenieur. Hij toont ons enthousiast zijn werk: de afgebakende wasplaats, de tent om in te bidden, met enkele bidtapijtjes. De grote gemeenschappelijketent voor “nieuwkomers”.

Er schuift zo’n nieuwkomer bij ons aan. Hij is 15. Hij weet dat minderjarigen wel bed, bad en brood kunnen krijgen van de Franse overheid, maar daar wil hij niet op in tekenen: ‘I love it here’.

 

Nu zijn de weersomstandigheden draaglijk, maar hoe deden ze dat in de sneeuw wil ik weten? Dat was een vorige tent, anders gesjord.

Ik vond het ondraaglijk hier in de kou, de voorbije winter. Ik vond het ondraaglijk in de modder toen het hard had geregend. Maar nu, ondanks die sterke voorjaarszon, blijft het eigenlijk nog steeds ondraaglijk.

De politie komt regelmatig, onaangekondigd en maakt telkens een stukje kamp kapot.

De politie komt regelmatig, onaangekondigd en maakt telkens een stukje kamp kapot. Dus komen er daarna nieuwe spullen, door ons en andere vrijwilligers aangeleverd. Nieuwe slaapzakken, tenten, zeilen. Net als de getijden. Een eb en vloed aan outdoormateriaal en plastic bekertjes. Genoeg rotzooi om het natuurgebied voor een decennium om zeep te helpen.

Hier doen ze hun beklag over de buren, verderop. Dat is een kleine Koerdische enclave die er uitziet als een studentenkot. Overalliggen lege bierblikken en drankflessen. ‘’s Avonds drinken ze teveel en vechten met elkaar, ze houden ons uit onze slaap’.

De junglebewoners spreken over elkaar als over buren in een dorp.

Ik vraag of ze vroeger in Pakistan soms ook kampeerden. De man met de baard kijkt me aan alsof ik gek ben.

Ik word er zelf moe van. Van de uitzichtloosheid. Van de verspilling van tenten, van middelen, van tijd. Van de verspilling van de mens. Van deze uitzichtloze wachtkamer. Op een boogscheut van Auchan met zijn tien soorten aarbeienyoghurt.

Elk bezoek leer ik iets bij. En ik leer vooral hoe complex het verhaal is van mensen op de vlucht. Niets is wat het lijkt.

‘Als ik aan jou een bidon water geef, is dat niet eerlijk tegenover de anderen.’ We zitten hier zo ver van het eerlijk/oneerlijk schema dat het absurd lijkt om mensen in een rij te laten staan. Ik probeer het toch.

Hier zit al twee jaar een Iraanse filmmaker. Hij vertelt hakkelend over zijn 53 (!) pogingen om in een vrachtwagen te geraken. Sommige mensen op de vlucht zijn niet goed in vluchten. Hij is gefrustreerd dat hij het niet kan uitleggen, dat zijn talenkennis ontoereikend is. Als ik beter Engels kon, dan zou je horen hoe intelligent ik ben, lijkt hij te zeggen.

Ik geef een getekend woordenboek aan iemand die niet kan lezen en schrijven.

Een man met een tatoeage van een kalasjnikov vraagt om een hanekam bij de kapper.

Het is soms erg lachen in Duinkerke. Lachen om niet te huilen, is ook lachen. De mens op de vlucht heeft hier doorgaans veel gevoel voor humor. Woordeloos.

Een struise jongen van twee meter steekt voor in de rij bij de maaltijduitdeling. Als je er zo uitziet, kan je niet voorsteken. Hij is erg grappig. Het is soms erg lachen in Duinkerke. Lachen om niet te huilen, is ook lachen. De mens op de vlucht heeft hier doorgaans veel gevoel voor humor. Woordeloos. Veel practical jokes. Op de schouder tikken en je dan wegstoppen op nummer een.

Er is hier altijd iemand met krukken, altijd iemand met een gips.

‘Ik laat mijn tattoo weglaseren. Ik ben hem beu. Ik deed een eerste sessie in Irak. De rest zal ik wel in UK doen.’

 

‘A gypsy boy needs to move his tent from time to time.’ John neemt ons mee naar zijn nieuwe onderkomen. Bovenop eenheuvel, met zicht op het meer. ‘Ik zit er zo goed dat ik lui ben geworden, ik heb al even niet meer geprobeerd om in Engeland tegeraken. Als ze me nu hier asiel geven, dan blijf ik hier. Mijn hoofd is zo moe’.

Hij wil gewoon in een land wonen waar je mag dansen en drinken.

We krijgen een pak chocolade met nootjes van hem. Hij lijkt blij dat hij iets aan ons kan geven.

Het team van vzw Humain is altijd bijzonder. Niet veel theorie, maar erg veel praktijk. Mensen om mee naar de oorlog te gaan. Mensen waarmee je naar de oorlog gaat. Ik ben graag dicht bij hen. Er zijn een paar jonge meisjes bij, nauwelijks twintig, met een daadkracht waar ik stil van word.

-‘Klimmen die kinderen en vrouwen dan ook op die vrachtwagens? Klampen ze zich vast aan het gestel?’
-‘Ja. Hoe anders?’

Het daagt me. Die leuke charmante man. Die Frans praat en ons altijd zo hartelijk begroet. Die met zijn mooie blauwe ogen en zijn petje van Nike. Die vraagt naar een van onze vrijwilligers die er vandaag niet bij is.

Dat is waarschijnlijk een “passeur”, mensensmokkelaar. Mijn moreel kompas geraakt hier ontregeld. Wat is goed? Wie is fout?

Er zijn zesduizend mensen die in deze omstandigheden overleven. Er zijn zestig miljoen Fransen.

Er zijn zesduizend mensen die in deze omstandigheden overleven. Er zijn zestig miljoen Fransen.

Meer dan om eten uit te delen, zijn we hier om de sleur te doorbreken. Om ons de luxe te ontzeggen om in abstracte termen over mensen, en deze mensen in het bijzonder te praten.

 

Die gerooide bomen. Ik kan er niet tegen. Alweer zo’n zwaktebod.

Als we vertrekken zit John op een steen, benen opgetrokken. Hij koestert zich in de zon.

‘Het weer wordt beter, dan trekken de mensen verder, de bergen over. Er is nog erg veel volk op komst. Europe is not going to be happy.’

 

ps: Dichter Alex Deforce is inmiddels ook een vaste waarde tijdens Duinkerkebezoeken. De dag na het kampbezoek zit een gedicht in mijn mailbox

Een tent is snel gezet
Is snel geknipt
Snel gesneden
Breng geen spaghetti naar Pakistan
Logica
Heeft geen grenzen
Maar doet dikwijls en velen lopen
Ze zijn zo vriendelijk mister
De flikken van Frankrijk
Kampvuur is anders
Als lifestyle
Wachtend
Hangend
Op het dak van een truck

En drie keer raden
Alles gaat door
Des duivels
Des ondanks

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Projectmedewerker bij Demos vzw

    Bie Vancraeynest was de coordinator van kunstenfestival  Enter Brussel 2018 en gaat vanaf 1 september aan de slag bij Vzw Toestand, een organisatie die leegstaande of vergeten gebouwen reactiv