Over verwachtingen, twijfel en een ander soort activisme

Waarom moeten zwarte vrouwen schrijven over zwart en vrouw zijn?

© Charis Bastin

Lisette Ma Neza: ‘Er wordt van mij verwacht, denk ik een beetje, dat ik over mijn niet-witte huid spreek en zing en vertel.’

Terwijl we op de bank naar het nieuws kijken, vraag ik me van alles af. Over virusangst, social media, verliefdheid, verharding, en waar ik over moet schrijven als vrouw van kleur.

Ik ben namelijk een enorme pochemuchka. Dat is zo’n onvertaalbaar woord, ditmaal uit het Russisch. Iedereen kent wel zo’n persoon, iemand die veel te veel vragen stelt. En wanneer je eindelijk denkt deze stroom van vragen beantwoord te hebben, komt er nóg een, nog een reeks, nog een vragenlijst.

Zo ben ik, een beetje. De Russen verzonnen hier dus een woord voor: pochemuchka. Toen ik als schoolmeisje een obsessie voor onvertaalbare woorden had, als een soort postzegelverzamelaar, herkende ik mezelf al volledig in dit woord. Ik ben een pochemuchka, altijd al geweest.

Ik vind maar geen onderwerp, geen vraag, geen standpunt. Wat zijn de onderwerpen waarover ik hoor te vertellen als jonge, zwarte vrouw?

Dat vind ik ook helemaal niet erg. Soms, wanneer mij een vraag wordt gesteld, vind ik het interessanter om het gesprek om te keren, de bal terug te kaatsen, in plaats van een antwoord te bedenken. Dat is socratisch. Je voert een socratisch gesprek door een vraag met een andere vraag te beantwoorden, ervan uitgaand dat het antwoord zit in de persoon die de vraag oorspronkelijk stelde. Dat deze persoon het antwoord zelf heeft, maar dat het pas naar boven komt wanneer je doorvraagt.

Weet je wat het is als een rivier meandert? Dat afdwalen, ja, dat. Zo ben ik ook een beetje.

Zoals nu, we dwalen af.

We zitten op de bank dus. Mijn vader en ik. Terwijl ik met een half oor luister naar hoe het coronavirus zich in Nederland heeft verspreid en terwijl ook de virusangst in mij exponentieel groeit. Op Instagram zie ik amper iets over het virus voorbij komen, al beweren ze op het journaal dat de angst veel te heftig is, vanwege de sociale media.

Wat ik voorbij zie komen zijn vooral cynische anekdotes, grapjes over besmetting en harde cijfers, over hoe er zoveel meer mensen overlijden aan zelfmoord dan aan corona. Mijn irrationele doodsangst slaat nergens op. Dat bevestigen mijn social media, maar dat ligt misschien ook aan de mensen die ik koos te volgen.

De andere helft van mijn oor luistert naar de vragen die ik stel in mijn hoofd. Wat is levensangst? Dat is bang zijn om te leven, maar heb je dan geen angst om niet meer te leven? In mijn hoofd stel ik vragen aan mijzelf. Waarover zal ik schrijven? Over een dodelijke griep, over zusterschap, over verliefdheid die ik niet volhoud, over het verharden van mijn kleine neefje dat naar Rwanda is verhuisd. Het verharden, omdat hij op school meer dan billenkoek krijgt.

Ik vind maar geen onderwerp, geen vraag, geen standpunt. Ik heb niets op papier gezet, niet omdat ik dat niet wil maar omdat ik onaangenaam veel twijfel. Ik heb tijdens het schrijven van een gedicht een afspraak met mezelf gemaakt, misschien kan ik daarover schrijven? Misschien kan ik over al deze dingen op zich schrijven? Om te schrijven over het schrijven. Ik kies voor het laatste, denk ik.

Waarom schrijf ik, en waarover?

Ik vraag me af waarom ik schrijf, vervolgens negeer ik mijn eigen vraag. Ik weet vast wel waarom, maar ik vind het te moeilijk om hier met een half oor een antwoord op te bedenken.

Ik stel mezelf een andere vraag. Waarom ik voornamelijk schrijf over twee onderwerpen die elkaar kruisen: zwartheid en vrouw zijn. Ik vraag mij af waarom ik hier telkens weer over schrijf. Omdat ik er zo uit zie, omdat ik dit ben. Ik vraag mij af waarom ik veel vrouwen die op mij lijken en die ook schrijven, die ik hetzelfde zie doen. Ik leer van deze vrouwen, ik omarm ze, dit zijn mijn tantes, moeders, nichtjes, zussen. Ik ken het antwoord, maar toch stel ik het nog eens in vraag.

Er wordt van mij verwacht, denk ik een beetje, dat ik over mijn niet-witte huid spreek en zing en vertel.

Een toeschouwer zei: ‘Als de regisseur en de cast Syrisch zijn, wil ik dat het gaat over de oorlog gaat.’

Een aantal jaren terug hoorde ik op een theaterfestival na een voorstelling iets merkwaardigs. De voorstelling was geregisseerd door een Syrische dame, met een volledig Syrische cast. Het was voor mij een abstracte voorstelling. Zo een die overal en tegelijkertijd nergens over gaat.

Na afloop van het stuk luisterde ik een stukje mee naar twee bezoekers, die net iets luider spraken dan mijn hoofdvragen. Zegt de een tegen de ander: ‘Ik wil dat een Syrische maker op het podium vertelt over de situatie in Syrië, over het Syrische leed, het verlies, de oorlog en de dood. Als het over Syrië gaat wil ik het enkel zien wanneer het over de oorlog gaat.’

Ik huiver, een beetje. Zodoende leer ik wat er van mij verwacht wordt, wat mij is opgelegd, en wat de onderwerpen zijn waarover ik hoor te vertellen. Steeds vaker keek ik enkel naar mijn uiterlijk en naar hoe ik eruit zie, schrijf ik over het zwart- en vrouwzijn, terwijl enorm veel anderen zaken mij ook bezig houden, terwijl ik daar ook graag over zou willen schrijven. Mocht ik dat privilege hebben.

Ik begrijp mezelf. Ik begrijp waarom veel vrouwen die voor mij leermeesters (leerjuffen!) zijn geweest, ook met dezelfde vragen zitten. Waarom doen we dit? Waarom roepen wij de wonden van het verleden op voor andermans leeservaring? Waarom laten we het toe witte mensen te laten denken dat elk zwarte persoon ook deskundige is over racisme en dekolonisatie?

Het privilege van koetjes en kalfjes

Wat als ik vanaf nu enkel zou vertellen over dingen die helemaal niets te maken hebben met de mogelijke verwachtingen?

Eerlijk waar, ik persoonlijk kan u op dit moment weinig bijleren over dit lichaam waarin ik me bevind, omdat ik net zomin over haar heb geleerd. Maar ik snap het wel, het schrijven. Het is nodig, er is zoveel misgegaan in de geschiedenis. We moeten eerst onze verhalen terug claimen, het geweld van het stereotype bestrijden.

Ik heb nauwelijks het privilege om over koetjes en kalfjes te schrijven, denk ik zo. Al schrijf ik niets, mijn bestaan is van politieke aard, ook al zwijg ik. Want ik ben een vrouw van kleur.

Het is gewoon zo’n enorm deel van het dagelijks leven, deze haarwortels, deze huidskleur en dit vrouwelijk lichaam. Ik vraag me af hoe dat zo geworden is. Ik vraag me af waar de grootste fout in ons sterrenweefsel zit. Ik luister nog maar half naar het nieuws, kan me amper bedenken wat ik over de actualiteit zou kunnen schrijven.

Ik vraag mezelf af: wat als ik ermee zou kappen? Wat als ik vanaf nu enkel zou vertellen over de dingen waar ik mee zit, waar ik over nadenk, die ik me afvraag, die helemaal niets met de mogelijke verwachtingen te maken hebben?

Ik maak een lijstje. Voor de volgende keren dat ik schrijf. Ik noem het dichterlijke vrijheid, al schrijf ik soms proza.

Ik ga het proberen, al lijkt het onmogelijk, uit een ander soort activisme. Schrijven over waar ik zin in heb. Terwijl ik op de bank zit, denk ik nog even verder na over alle onderwerpen waar ik nog over zou kunnen schrijven en zo verkies ik de stream of consciousness van dit getwijfel. Zo vind ik ook dat nu columnwaardig.

En rustig kijk ik verder naar het nieuws, eventjes met volledige aandacht en beide oren, voordat de volgende vraag opkomt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Slam poet

    Lisette Ma Neza is afkomstig uit Nederland, maar woont ondertussen in Brussel waar ze film studeert.  In 2017 won ze als eerste Nederlandstalige vrouw het Belgisch Kampioenschap in Poetry Slam