Naakt durven zijn tegenover de tijd

Traag is een luxe

© Brecht Goris

 

Enkele dagen geleden had ik een fijn gesprek met een vriendin, rechtstaand in een overvolle ochtendtrein. Om een of andere reden die me nu even ontsnapt, heb ik de voorbije weken veel gesprekken en discussies gehad over reizen en over vliegtuigen. Dit keer ook dus.

We hadden het over citytrips. Ik ben altijd een beetje in de war over dat concept van een citytrip en het idee van tijd dat ermee samenhangt. Ik zei dat je in plaats van drie of vier citytrips in een jaar te proppen je toch beter één keer een stad bezoekt, er wat trager naartoe reist – zodat je ook het landschap ziet veranderen – en dan ook echt je tijd neemt om iets van die stad te leren kennen.

Traag is een luxe. Dat antwoordde ze. Die zin bracht me helemaal in de war en bleef nog dagen door mijn hoofd gaan.

De redenering had met tijd te maken, of we die hebben, en of we die benutten. We leven in de drukke jaren van ons leven, en je kunt dus beter uit die paar vrije momenten die je hebt, alles halen wat erin zit. Later, als we oud zijn, hebben we tijd om dingen traag te doen. Jonge mensen zouden het hebben over ‘yolo’ (You only Live Once), dat je maar één keer leeft, en dat je dus alles eruit moet persen.

Ik was blij voor haar, ik weet dat ze gretig en met plezier kan leven. De dingen moeten een beetje vooruitgaan. Ik gun haar al die fijne ervaringen. Ze doet dingen die ik niet zou durven waarschijnlijk. Maar ik was dus vooral erg in de war. Om allerlei redenen, zo werd me stilaan duidelijk. Misschien ben ik wel gewoon al ouder aan het worden, leef ik al een beetje in luxetijd? (Volgens My Pension heb ik nog wel enkele jaren te gaan. Volgens anderen is het feit dat je gaat kijken op My Pension het ultieme bewijs dat je al oud bent. Het leven is ingewikkeld…)

Het concept van een citytrip knarst een beetje in mijn hoofd. Het idee dat je een stad kunt “doen” geeft me koude rillingen.

Het concept van een citytrip knarst een beetje in mijn hoofd. Het idee dat je een stad kunt ‘doen’ geeft me koude rillingen. “We hebben Berlijn gedaan.” Volgens mij kun je een stad net zomin doen als je een vrouw kunt ‘doen’. Het idee van doen hoort net bij een zeer korte tijd, waarin je dus iets maximaal kunt consumeren. (In heel wat steden groeit trouwens het verzet tegen een consumptief citytriptoerisme…) Die korte citytrip staat je toe om alleen dingen te zien en te gebruiken zonder dat ze je bevragen of verstoren.

Een stad is echter een levend organisme, een ecosysteem van verhalen, vol rafels en dwarsigheid, met plekken van lelijkheid en zwarte gaten, met littekens en verdwijnwegen. Een stad is ook verlangen, het tegen elkaar schuren van ideeën, een gevecht met sporen uit het verleden. Een stad herbergt schoonheid en dromen, naast zoveel falen en saaiheid. Een stad moet je leren lezen. En dat vraagt tijd.

Een stad is nooit gewillig, en zo hoort het ook. Een stad heeft een grillig karakter, een stad ontsnapt je. Een citytrip waarin je in een klein weekend een stad doet, is als een speeddate. Net tijd genoeg hebben om te zien of de vrouw tegenover je aantrekkelijk lijkt, zonder dat je toekomt aan een gesprek dat je even kan doen wankelen. Je hoeft de veilige zone van het consument zijn niet te verlaten, je hoeft je niet kwetsbaar op te stellen. Daarvoor zou je immers enige traagheid nodig hebben.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Het woord luxe is al even verwarrend. Ik ben waarschijnlijk ouderwets, maar spontaan dacht ik dat het feit dat je per jaar een paar keer een citytrip kunt doen, een luxe is. Van mijn grootvader leerde ik dat ik al blij mocht zijn dat we eten hadden elke dag. Als kind vond ik dat vaak vervelend, maar nu ben ik blij dat hij het zei. Ik was blij dat ik in mijn hoofd de jaren die hij ouder was dan ik aan de mijne kon toevoegen. (Hij was in 1900 geboren, maakte de twee oorlogen mee.)

Ik vermoed dat mijn grootvader in zijn leven weleens naar het strand van Sint-Anneke was geweest, naar de werken aan de premetro in Antwerpen en naar de Expo in 1958. Ik weet zelfs niet of hij ooit de zee heeft gezien. Maar hij leefde wel in verwondering, keek met grote ogen naar de dingen die veranderden. “Wat ze tegenwoordig allemaal al niet kunnen…” Mensen van zijn generatie, in het dorp waar ik vandaan kom, zouden het zelfs moeilijk hebben kunnen vatten, dat je even een weekendje naar de andere kant van Europa vliegt, om te gaan shoppen of feesten, of om naar een voetbalmatch te gaan. Het is misschien wel een tragische luxe.

In die kwetsbare traagheid raak je aan de vrede in jezelf én aan je rusteloosheid. Het is een vorm van naakt durven zijn tegenover de tijd. Het is een plek waar je nooit hoeft te komen als je je beperkt tot een speeddate.

Het is fascinerend, en droef tegelijk dat we ergens onderweg iets zijn verloren, samen met alle welvaart die we er gemiddeld bij hebben gekregen. Ons leven is zo vol, we staan zo onder druk om alle mogelijke ervaringen te consumeren, dat we het idee van traagheid als een luxe zien. En nogmaals, ik wil niemand iets verwijten. Het maakt me gewoon droef. In de boeken van Ton Lemaire leerde ik iets over traagheid, over hoe je een landschap alleen wandelend een klein beetje kunt leren kennen. In die kwetsbare traagheid raak je aan de vrede in jezelf én aan je rusteloosheid. Het is een vorm van naakt durven zijn tegenover de tijd. Het is een plek waar je nooit hoeft te komen als je je beperkt tot een speeddate.

Maar ook het idee van ‘alles eruit halen’ verwart me. Het klinkt zo hebberig, zo rusteloos. Er klinkt geen vrede in, maar wel een soort angst. Alsof je het leven kunt verbruiken. Het is zo weinig nederig. Misschien, denk ik soms, kun je niet meer dan het leven dragen, en je laten dragen door het leven. Het gevoel van verlangen begrijp ik wel. Ik heb een hongerig hoofd, ik wil de verwondering voelen. Mensen zijn verhalen vertellende wezens. Hoe eindeloos mooi het is, om mensen te leren kennen, hun verhalen te horen, te horen waar ze aarzelen, waar ze het niet meer weten, waar ze stotteren als ze het over de liefde en het verdriet hebben. Die breekbare verwondering, telkens weer. Het leven niet zomaar verloren laten gaan heeft misschien toch meer te maken met het toelaten van de stilte tussen twee woorden dan met het angstig invullen van alle lege plekken.

Misschien heeft de kanker die ik ondertussen vele jaren geleden kreeg mijn idee van tijd veranderd, denk ik weleens. De boeddhisten zeggen dat je in het nu moet leven. Op een ingewikkelde manier dwingt kanker je om in het nu te leven, zo leerde ik. Toen ik door de moeilijkste periode heen was, besefte ik hoezeer ik een beetje bang in een nu leefde en het niet aandurfde om nog toekomstplannen te maken.

Pas jaren later ging die onrust liggen, en besliste ik om van werk te veranderen en een appartement te kopen. Misschien mocht ik wél aanvaarden dat ik oud zou worden. De ziekte leerde me, met veel vallen en opstaan, een andere manier van ‘alles eruit halen’. Het was meer een vorm van leven alsof elke dag je laatste kan zijn. Elke dag een beetje klaar zijn, elke dag proberen de kans niet te laten liggen om iemand te zeggen dat je blij bent om haar of hem te kennen. En van plan zijn dat nog heel veel jaren vol te houden, of de laatste dag nu morgen komt of pas lang na de dag die ik lees op My Pension.

Ook elke dag zien hoe je faalt en tekortschiet en fouten maakt, maar als een boeddhist ook elke dag oefenen in iets wat je nooit echt hoeft te bereiken. En elke dag dankbaar zijn, met stille nederigheid, voor het leven. Het klinkt allemaal een beetje soft of zoeterig waarschijnlijk, waarvoor sorry. Ik denk echter wel dat het raakt aan een soort innerlijke rust die misschien ook wel een vorm van traagheid is. Het woord luxe past er niet echt in.

Misschien is de conclusie wel dat in de war zijn een goede zaak is. Om ermee om te gaan heb je immers een vorm van traagheid nodig. En laat dat nu net een mooie reis zijn…

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.