Bedenkingen bij "Kap radicaal met ontwikkelingshulp"

Het is allemaal de schuld van hulp. Echt, Bruno?

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Het is redelijk onbegonnen werk om de opinie van Bruno de Cordier (Kap radicaal met ontwikkelingshulp) inhoudelijk te beantwoorden, aangezien de tekst niet echt opgebouwd lijkt om inzicht te geven, maar om een maximale dichtheid van straffe uitspraken te realiseren.

Van een stuk dat aangekondigd wordt als zijnde van een hoofddocent aan de UGent (en ook auteur van onder andere Het altruïsme voorbij. De politieke economie van humanitaire hulp) verwacht een lezer minstens een paar samenhangende ideeën en een minimum aan rationele rigeur. Dat ontbreekt in deze opinie volkomen.

Bruno de Cordier maakt het proces van ontwikkelingshulp zonder zelfs te definiëren waarover hij het heeft

Het stuk gaat alle kanten uit en gooit alle denkbare, terechte en fictieve, kritieken op “ontwikkelingshulp” op een hoop, om dan naar brokstukken te wijzen en te zeggen: dit kan toch zo niet verder. Ik ga meteen wat dieper in op de aanhalingstekens, maar first things first: de Cordier maakt het proces van ontwikkelingshulp zonder zelfs te definiëren waarover hij het heeft. Bovendien lijkt de tekst te zeggen dat ontwikkelingshulp de énige internationale relatie is tussen donorlanden en ontvangende landen. Gekker moet het niet worden.

Wie goed leest, vindt toch twee uitzonderingen op die selectieve blindheid. Er zijn de vroegere koloniale relaties, maar wie daar nog naar verwijst wordt in de hoek gezet met grote ezelsoren op. En dan zijn er de handelsrelaties binnen – liefst cultureel redelijk homogene – regio’s: het nut en de noodzakelijkheid daarvan worden erkend, en de Cordier levert er meteen een paar namen voor regionale grootmachten bij. Dat hij in zijn lijstje van drie zowel India als Pakistan vernoemt, en dus het conflict op leven of dood om de regionale suprematie in Zuid-Azië, wéét hij, maar vermeldt het niet. De regionale oplossing is niet zelden een doodlopende straat.

Afhankelijkheid, elitaire corruptie, minachting voor de bevolking, migratie: het is eigenlijk allemaal de schuld van ontwikkelingshulp. Dat de klimaatverandering daar niet bij staat is vreemd. Dat de conclusie dan is: afschaffen die boel, zal niet verbazen. Stoppen met hulp is zelfs de manier om te de-mondialiseren, volgens de Cordier. Wat die mondialisering dan is, hoe die verloopt, wat de rol van de rijke landen en multinationale bedrijven is, hoe de internationale financiële wereld soevereiniteit ondergraaft en economieën leegzuigt, waarom en hoe oude koloniale mogendheden als Frankrijk en Engeland nog altijd patronagenetwerken onderhouden, waar en met welke impact extractieve industrieën zowel het sociale weefwerk als de politieke instellingen ondergraven [pun intended], of het boomende internationale toerisme soms een invloed heeft…

De vette titel lijkt eerst geschreven en de tekst mocht vervolgens niet in de weg staan van de controverse

Ik kan nog enkele bladzijden doorgaan met het opsommen van vragen die relevant zouden zijn om de basisvraag te beantwoorden waarom in zo veel landen bevolkingen genegeerd, uitgebuit en uitgestoten worden. Maar ze spelen zero rol in de analyse van de Cordier. Dat wekt de indruk dat de vette titel eerst geschreven werd en de tekst vervolgens niet in de weg mocht staan van de controverse. Hij doet daardoor ook exact wat hij aanklaagt: er is geen nationaal probleem, er is alleen een probleem met één soort internationale relatie: ontwikkelingshulp. Toe maar. Alsof nationale elites niet in staat zijn om zelf machtsmisbruik, corruptie of erger te organiseren vanuit hun eigen “agency”. En alsof leidende elites in het Zuiden alleen uit geboefte bestaan die door sinistere ngo’s en multilaterale organisaties aan de macht gehouden wordt.

De aanhalingstekens, dus. ‘Om te beginnen was het nooit duidelijk wat men met “ontwikkeling” hoopte te bereiken, en vanaf wanneer men een maatschappij en een economie als “ontwikkeld” kan beschouwen.’ De Cordier formuleert het verwijt vaagweg aan iedereen, maar doet vervolgens zelf geen enkele poging om te definiëren wat hijzelf onder “ontwikkelingshulp” verstaat. Dan is het makkelijk natuurlijk.

Gaat het om de lokale vereniging van mensen van Berberse afkomst die wat geld samenleggen om het pad tussen de hoofdweg en het bergdorp van herkomst te verharden? Gaat het om de steun die een Belgische ngo geeft aan een boerencoöperatie in de Filipijnen, om die in staat te stellen de leden te vormen zodat ze hun landrechten kunnen opeisen? Gaat het om programmafondsen die via UNDP geïnvesteerd worden in het Afghaanse ministerie van Justitie, in de hoop dat de rechtspraak er meer op de grondwet dan op bruut eigenbelang of aloude clancultuur gebaseerd wordt?

Ofwel geeft de auteur niet om de werkelijkheid ofwel verzwijgt hij die om de mediatieke controverse niet te verstoren

Niemand weet het, want de Cordier vertelt het niet. Dan is het van twee zaken één. Ofwel geeft de auteur niet om de werkelijkheid ofwel verzwijgt hij die om de mediatieke controverse niet te verstoren, want aan zijn universiteit wordt dat stilaan evenveel gewaardeerd als een A+publicatie blijkbaar.

De indruk dat de Cordier lak heeft aan de realiteit wordt sterker naargelang de tekst vordert. Of in elk geval: dat de werkelijke levens van de mensen waarover het gaat hem niet raken. ‘In een aantal gevallen zullen lokale machthebbers zonder de externe hulp geen sociale vrede meer kunnen afkopen of cliëntelistische netwerken meer kunnen onderhouden. En dan kan het natuurlijk woelig worden’, schrijft de Cordier – ik heb de italics zelf toegevoegd.

Voor alle duidelijkheid: hier beschrijft de Cordier wel degelijk een reële dynamiek. Als de armoede en de ongelijkheid toenemen, als de publieke dienstverlening op vlak van zorg, onderwijs, vervoer en gerecht helemaal implodeert, dan neemt het gevaar voor onrust, conflict en erger toe. Maar de lichtzinnigheid waarmee de auteur, die nochtans héél goed weet waarover hij het heeft, dat omschrijft als “woelig”, is stuitend. Want eigenlijk staat hier: dat kan tot burgeroorlogen leiden, inclusief krijgsheren, blind geweld en terrorisme, maar dat kan gezond zijn. Laat ze elkaar maar uitmoorden, wij kijken even de andere kant op, want onze tussenkomst is ongewenst. Zeker, Bruno?

De ondertoon van de hele benadering is die van Botsende Beschavingen. Landen bestaan, ze hebben culturen en betrokkenheid bij elkaar is per se en onvermijdelijk cultuurimperialisme. Nepotisme, slavenhandel of kindhuwelijken? Ze doen maar! Dit is een nauwelijks als academisch vermomde versie van de toogpraat die je wel eens hoort in café De Klauwende Duif of de borrelpraat in de Brusselse salons: bouw er een muur rond en laat ze elkaar afslachten. Probleem opgelost.

De organisaties, bewegingen, initiatieven, coöperaties, overheden, en zelfs bedrijven die met meer vallen dan opstaan internationale solidariteit vormgeven, verdient beter.

Ik heb voldoende rondgelopen in de wereld, en ook in de landen die Bruno de Cordier beter kent, om me een voorstelling te maken van de frustrerende ervaringen die aan de basis liggen van deze uithaal. Maar academia verdient beter dan een ranzig stukje schelden op iets wat je nauwelijks benoemt. Want dan wordt het schieten op iedereen die zich inzet voor internationale solidariteit. De heel diverse en complexe wereld van mensen, organisaties, bewegingen, initiatieven, coöperaties, overheden, en zelfs bedrijven die elk op hun eigen manier en vaak met meer vallen dan opstaan proberen vormgeven wat die internationale solidariteit kan betekenen vandaag, verdient beter.

En beter staat hier niet voor: applaus, bewondering, een geur van heiligheid. Beter betekent: een sociologische analyse die naam waardig, onderbouwde kritiek op alle punten en plaatsen waar dat nodig is, en, waar mogelijk, ook graag enkele perspectieven op beterschap. Maar in elk geval: kom uit je twitterschelp en maak godverdomme je huiswerk. Schelden en schoppen is geen academische discipline, het staat die in de weg. Plus est en vous, Bruno.

P.S. die uitsmijter is letterlijk te nemen. Ik herinner me nu dat ik zes jaar geleden een heel korte recensie maakte van Het altruïsme voorbij. Die opende zo: ‘De populistische truc is simpel: je gooit alle vormen van internationale hulp op één hoop en noemt die een “industrie”. Dat is genoeg om de indruk te wekken dat de welgemeende donaties van de burger of zijn belastinggeld alleen maar dienen om de dure lonen van de hulpprofessionals te betalen. Die karikatuur maakt Bruno De Cordier gelukkig niet in zijn overzicht van humanitaire hulp, al is de kritische ondertoon tegenover de (gebrekkige) effectiviteit en de culturele (on)gevoeligheid van humanitaire hulpverlening altijd aanwezig.’ Zes jaar later geeft de Cordier de indruk dat hij toch niet kan weerstaan aan de sirenezang van het populisme.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

randomness