‘Wat zijn mensen met internet als ze niet kunnen lezen en schrijven?’

Er zijn meer mensen op de wereld met een mobiele telefoon dan met een wc of betrouwbaar drinkwater. Dat is tegelijk een kans en een teken van blijvende ongelijkheid, zegt Deepak Mishra, hoofdauteur van “Digital Dividends”, het World Development Report 2016.

  • Simone McCourtie / World Bank (CC BY-NC-ND 2.0) 'Wat zijn mensen met internet als ze niet kunnen lezen en schrijven?' Simone McCourtie / World Bank (CC BY-NC-ND 2.0)
  • Babak Fakhamzadeh (CC BT 2.0) 'Er is inderdaad een digitale kloof, maar diee kloof wordt snel kleiner' Babak Fakhamzadeh (CC BT 2.0)
  • Quinn Dombrowski (CC BY-SA 2.0) De bezorgdheid over ongelijkheid is terecht, maar het antwoord ligt niet in het afweren van innovatie' Quinn Dombrowski (CC BY-SA 2.0)
  • ITU Pictures (CC BY 2.0) Deepak Mishra: 'De digitale revolutie verergert op bepaalde momenten de reeds bestaande ongelijkheid' ITU Pictures (CC BY 2.0)

De Wereldbank focust in haar jaarlijkse rapport over ontwikkeling in de wereld (WDR) ditmaal op de enorme kansen die de digitale revolutie biedt. In Kenia bijvoorbeeld zorgde de verspreiding van M-PESA, een mobiel betalingssysteem, ervoor dat de kosten voor het verzenden van geld naar familie met 90 procent verminderd werd. Dat is goed nieuws, in een wereld waarin acht op tien inwoners van de ontwikkelingslanden over een mobiele telefoon beschikt.

‘De belofte van de digitale revolutie kan alleen gerealiseerd kan worden als het gewone werk van ontwikkeling volgehouden wordt’

Toch waarschuwt Jim Yong Kim, de voorzitter van de Wereldbank, er in de inleiding van het rapport meteen voor dat de belofte van de digitale revolutie alleen gerealiseerd kan worden als het gewone werk van ontwikkeling volgehouden wordt: investeren in onderwijs en gezondheid, zorgen voor goed bestuur en voor een betere economische omgeving.

Het belang van digitale technologieën voor ontwikkeling werd bij de voorstelling van het WDR2016 ook beklemtoond door Andrus Ansip, vice-voorzitter van de Europese Commissie, en door de Belgische minister van Ontwikkelingssamenwerking én Digitale Agenda Alexander De Croo –die tijdens zijn inleiding trouwens verwees naar de opinie die op 1 februari op MO.be verscheen in de serie De Ontwikkelaars. MO* sprak over het rapport met Deepak Mishra, hoofdeconoom bij de Wereldbank en co-directeur van het World Development Report.

ITU Pictures (CC BY 2.0)

Deepak Mishra: ‘De digitale revolutie verergert op bepaalde momenten de reeds bestaande ongelijkheid’

Ik heb in januari enkele weken doorgebracht in India, meer bepaald in de binnenlanden van Tamil Nadu en Karnataka, de deelstaat die met haar hoofdstad Bengaluru beschouwd wordt als de hoofdstad van de Indiase ict. De kloof tussen het technologische imago van Karnataka en de realiteit van de miljoenen mensen in landelijk India is echter zo groot, dat ik me vaak afvroeg of de profeten van de digitale revolutie wel eens ooit buiten hun steden en hotels komen.

Deepak Mishra: Het succes van de Indiase ict-sector is reëel, maar blijft inderdaad beperkt tot een stedelijk en hoogopgeleid publiek. China heeft een andere ervaring, die gezonder, want inclusiever lijkt. Terwijl de Indiase ict-sector grote internationale bedrijven voortbracht, blijft hij bijna helemaal op het buitenland gericht. In China werden ict-bedrijven groot op basis van de binnenlandse markt en de rol die ze speelden voor lokale kmo’s.

De digitale kloof wordt meestal niet veroorzaakt door de digitale technologieën, maar door de “analoge omstandigheden” waarin die toegepast worden, zegt het Wereldbankrapport.

Deepak Mishra: De belofte dat de digitale revolutie alles zou democratiseren en dat ze armen en boeren meer zou helpen dan rijken, wordt niet waargemaakt. Onderzoek toont aan dat de digitale revolutie op bepaalde momenten de reeds bestaande ongelijkheid nog verergert.

‘Wat levert internet op voor mensen die onder een dictatoriaal regime leven en hun stem niet mogen verheffen, zelfs niet online?’

Maar dat betekent nog niet dat de digitalisering niet de mogelijkheid bevat om echt vooruitgang te creëren voor wie vandaag aan de onderkant leeft. De technologie schept echt wel kansen, maar die kunnen alleen omgezet worden in vooruitgang als de voorwaarden daartoe vervuld worden.

Tachtig procent van de bevolking in ontwikkelingslanden heeft een mobiele telefoon en veertig procent heeft toegang tot internet. Er zijn, met andere woorden, zeker opportuniteiten. Alleen: wat zijn mensen met internet als ze niet kunnen lezen en schrijven? Wat kunnen ze met de kansen die connectiviteit creëert als de werkelijke omgeving het onmogelijk maakt om een nieuwe zaak op te starten? Wat levert internet op voor mensen die onder een dictatoriaal regime leven en hun stem niet mogen verheffen, zelfs niet online?

Babak Fakhamzadeh (CC BT 2.0)

‘Er is inderdaad een digitale kloof, maar diee kloof wordt snel kleiner’

Welkom in de wereld van de digitale kloof.

Deepak Mishra: Er is inderdaad een digitale kloof, maar die technologische tweedeling van de wereld is niet nieuw. Indonesië deed er 160 jaar over eer het voordeel haalde uit de stoommachine en het duurde 60 jaar eer elektriciteit tot in Kenia kwam. De kloof wordt dus snel kleiner: Vietnam had nog maar 15 jaar nodig om computers te introduceren en voor mobiele telefoons en internet duurde het maar een paar jaar. In ontwikkelingslanden zijn er vandaag meer gezinnen met mobiele telefoons dan met elektriciteit of sanitaire voorzieningen.

Toont die “versnelling” niet op de eerste plaats aan dat de kloof niet langer geografisch is, maar eerder sociaal? En zelfs als bijna iedereen een gsm heeft, dan nog is het gebruik van mobiele telefoons onderaan de sociale ladder heel anders dan in hogere klassen, niet?

‘Het verhuizen van processen naar online komt vaak neer op het bevoordelen van groepen die al gepriviligeerd zijn’

Deepak Mishra: Een zeer terechte opmerking. In de Braziliaanse deelstaat Rio Grande do Sul introduceerde men op een bepaald moment online stemmen in het proces van participatieve begrotingsopmaak, een proces dat daarvoor al bestond en gebruikt werd. Uit analyses bleek achteraf dat de meeste online-kiezers behoorden tot de stedelijke bovenklasse, en dat ze overwegend mannelijk waren. Met andere woorden: de groepen die traditioneel achtergesteld waren –vrouwen, plattelandsbewoners, laaggeschoolden- namen niet deel aan het online verhaal. Dat bevestigt de stelling dat het verhuizen van processen naar online neerkomt op het bevoordelen van de groepen die sowieso al gepriviligeerd zijn.

De ervaring met de introductie van e-voting in Estland was in eerste instantie dezelfde: in 2005 gebruikte slechts vijf procent van de bevolking die mogelijkheid, en het waren bijna allemaal hooggeschoolde, welgestelde stedelingen. Tegen 2014 groeide de participatiegraad aan tot dertig procent, en bovendien bleek dat de sociale en geografische kloof doorheen de jaren veel kleiner was geworden.

Met andere woorden: ook al versterkt de introductie van digitale technologie in het begin de bestaande ongelijkheid, toch betekent dat niet dat we de introductie ervan moeten tegenhouden. Op termijn verdwijnt dat versterkende effect.

Bent u daar zeker van?

Deepak Mishra: Het punt is: als die nieuwe technologie niet geïntroduceerd wordt, zakt een land nog verder weg, want overal elders slaat men wel resoluut die weg in. De bezorgdheid over ongelijkheid is terecht, maar het antwoord ligt niet in het afweren van innovatie, wel in het garanderen van de nodige flankerende investeringen –in onderwijs en betere regulering bijvoorbeeld- en in het opzetten van nieuwe instellingen. We moeten door de zure appel heen bijten.

Simone McCourtie / World Bank (CC BY-NC-ND 2.0)

‘Wat zijn mensen met internet als ze niet kunnen lezen en schrijven?’

Kan de digitale revolutie een reële impact hebben in de Minst Ontwikkelde Landen of in fragiele staten?

Deepak Mishra: In de MOL liggen enorme kansen, al was het maar omdat die landen tot nu heel weinig digitalisering kenden. Daarom zou brede toegang tot digitale technologie op korte termijn ook kunnen resulteren in enorme winst op vlak van inclusie. Neem Ethiopië: slechts 2 procent van de bevolking zit er op het internet. Stel dat dat getal vertienvoudigt, of meer, dan zouden er zeker nieuwe ondernemingen en nieuwe markten ontstaan. Het potentieel is enorm, maar opnieuw: het hangt van de omkaderende investeringen af of iedereen ervan zal kunnen genieten.

‘Er zijn wel degelijk opportuniteiten in de digitale economie in fragiele staten, maar de regulering moet veel slimmer aangepakt worden’

In fragiele staten is het beeld gemengd. Somalië is een interessant voorbeeld, omdat het land een dynamische telecomsector heeft –ondanks de decennialange oorlog en de afwezigheid van een functionele overheid. Het nadeel is dat geen enkel telecombedrijf belastingen betaalt en dat elk bedrijf op zichzelf draait. Daarom heeft elke Somaliër wel twee of drie telefoontoestellen op zak: een om zijn ouders te bellen, een voor thuis, een voor vrienden die nog op een ander netwerk zitten.

Er zijn dus wel degelijk opportuniteiten in de digitale economie in fragiele staten, maar de regulering moet veel slimmer aangepakt worden. Ontwikkelingsactoren kunnen daarin een belangrijke rol spelen.

België zet voor zijn ontwikkelingssamenwerking prioritair in op MOL en fragiele staten. Wat kan het doen om de digitale dividenden ook in die landen te realiseren?

Deepak Mishra: Je kan er bijvoorbeeld mee voor helpen zorgen dat zo’n land aangesloten geraakt op de glasvezelkabel. Dat is niet altijd evident, niet alleen omwille van conflicten, maar soms ook gewoon omwille van het fysieke isolement. Daarnaast kunnen die landen geholpen worden bij het kiezen van aangepaste technologieën, wellicht gebaseerd op mobiele telefonie eerder dan op vaste toestellen die op breedband werken.

Maar in wezen verandert de digitale revolutie niets aan de fundamentele ontwikkelingsopdracht in fragiele staten. Je hebt altijd eerst stabiele en functionerende instituties nodig, en daar moet ontwikkelingssamenwerking in investeren. Dat is een moeilijke maar noodzakelijke keuze.

Quinn Dombrowski (CC BY-SA 2.0)

De bezorgdheid over ongelijkheid is terecht, maar het antwoord ligt niet in het afweren van innovatie’

Een van de grote zorgen in de digitale wereldeconomie is het ontstaan van enorme monopolies zoals Facebook en Google. Zij zuigen niet alleen steeds meer advertentie-inkomsten aan, ze bieden in het Zuiden nu ook gratis –maar beperkte- toegang aan tot internet. Een goede zaak of het einde van het wereldwijde web?

Deepak Mishra: Het beleid moet er op gericht zijn om het internet toegankelijk, betaalbaar, open en veilig te maken. En wij vinden dat de vier criteria gerealiseerd moeten worden, en niet slechts twee –toegankelijk en betaalbaar- zoals bij internet.org en Free Basics, de initiatieven van Facebook en Google in het Zuiden.

‘Het beleid moet er op gericht zijn om het internet toegankelijk, betaalbaar, open en veilig te maken’

Zullen die gratis initiatieven een springplank vormen waarmee heel veel mensen uiteindelijk de sprong naar het hele internet gaan wagen, zoals de bedrijven zelf beweren? Of worden ze een ommuurde tuin waaruit nauwelijks nog iemand ontsnapt? We hebben op dit moment te weinig gegevens om op die vraag te antwoorden.

In elk geval is dit een zaak die door lokale overheden op basis van lokale noden en regels beoordeeld moet worden. In die zin is de aanpak van India exemplarisch: het debat wordt gevoerd, burgers en bedrijven worden geraadpleegd, voorstellen worden geformuleerd…

De digitalisering zorgt ook voor veel onzekerheid op de arbeidsmarkt. Het rapport toont een grafiek waaruit blijkt dat tussen veertig en zestig procent van de werkgelegenheid vatbaar is voor automatisering.

Deepak Mishra: De trend die wij zien, is niet zozeer een massale uitstoot van werkers en een spectaculaire stijging van de werkloosheid, maar een snelle polarisering van de arbeidsmarkt. De middenklasse met haar redelijke lonen en werkomstandigheden wordt uitgeknepen.

‘Automatisering zorgt niet voor een spectaculaire stijging van de werkloosheid, maar voor een snelle polarisering van de arbeidsmarkt’

Daarbij slagen sommigen erin om door te stromen naar de hogere inkomensklassen, maar voor velen is het een val in de meer precaire, lagere inkomensklassen. Wij geloven dat dit een transitiefase is, maar we moeten wel beseffen dat die tientallen jaren kan duren. Het is belangrijk dat iedereen, van hoog tot laag, zich concentreert op die zaken die niet automatiseerbaar zijn: gespecialiseerde kennis of sociaal-emotionele vaardigheden.

De Wereldbank wijst niet alleen op de economische kansen van de digitale revolutie, maar ook op de democratische potentie. Maar zijn het niet net de meest dictatoriale regimes die het vaardigst zijn in het omgaan met het internet en zijn mogelijkheden?

Onderzoek toont inderdaad aan dat het vooral uitgesproken dictatoriale én utigesproken democratische overheden zijn die zich actief bezighouden met het internet. Er zijn zeker redenen om daarover bezorgd te zijn, want we zien op veel plaatsen de neiging tot controle en censuur toenemen. Maar uiteindelijk blijft gelden wat Bill Clinton jaren geleden al zei: het internet controleren is vergelijkbaar met het aan de muur spijkeren van siroop.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur