Mogen we dit een geslaagde dekolonisering noemen?

Terug naar Katanga met Walter Zinzen: ‘Ik was er lang niet de enige onervaren bleekscheet’

© Carl De Keyzer

Walter Zinzen gaf drie jaar les op het Institut Marie José in Lubumbashi (dat toen Elisabethville heette).

Dienstplicht? Dat was niets voor Walter Zinzen. In de plaats daarvan ging hij lesgeven op een meisjesschool in Katanga, Congo. Aan de hand van zijn herinneringen aan de woelige jaren na de onafhankelijkheid overpeinst Zinzen wie de echte schuldigen zijn van zoveel onrust in Congo en wat vooruitgang en dekolonisering werkelijk betekenen.

Mijn eerste stapjes op Afrikaanse bodem zette ik in 1963, drie jaar na het uitroepen van de Congolese onafhankelijkheid. Ik was door de Zusters van Liefde van Gent aangenomen als leraar aan het Institut Marie José, een meisjesschool in Lubumbashi (dat toen nog Elisabethstad heette), de hoofdstad van Katanga.

De helft van de leerlingen was Congolees, de andere helft blank. Maar het lerarenkorps was honderd procent lelieblank, wat zeg ik: honderd procent Belgisch. Zelf kwam ik linea recta van de universiteit, totaal onvoorbereid op een ontwikkelingstaak in Congo. Want ja, onderwijs werd toen nog beschouwd als een belangrijk onderdeel van wat “ontwikkelingshulp” heette. Wat wist ik van Congo? Van de leefomstandigheden van mijn Congolese leerlingen? Minder dan niets.

Ik was lang de enige niet die als onervaren bleekscheet op de Congolese jeugd werd losgelaten. In die tijd bestond de dienstplicht nog. Je kon daar aan ontsnappen door in een ontwikkelingsland te gaan werken, voor een periode van minstens drie jaar. Honderden jonge mannen van mijn generatie hebben daar op ingetekend.

De beste les die ik nooit gegeven heb

Ik was germanist van opleiding en mocht dus in Congo Nederlands, Engels en Duits gaan doceren. Bij elk van die drie talen zaten er wel zwarte meisjes in mijn klas. Maar de school volgde nog geheel het Belgische programma. De diploma’s werden zelfs nog gehomologeerd in Brussel, ook die van de niet-Belgische leerlingen.

Het Duitse handboek, toen al ouderwets, heette Dreissig Deutsche Stunden. Een van die Stunden ging over Theophrastus Bombastus Paracelsus, een Zwitserse arts die in de zestiende eeuw geneeskrachtige planten en kruiden bestudeerde. Toen mijn Congolese leerlingen door hadden waarover het ging, stak er één haar vinger op en zei: ‘Monsieur, c’est comme chez nous!’. Waarop ik mijn Duits handboek dichtklapte en haar het woord gaf.

Een Belg die ook lesgaf vroeg me of ik al opgemerkt had dat zwarte kinderen toch “duidelijk minder intelligent” waren dan blanke.

Vervolgens kreeg ik de beste les die ik nooit gegeven heb. Ik hoorde hoe Congolese vrouwen op zoek gaan naar planten en kruiden om wonden te verzorgen en zieken te genezen, en daarover heel wat kennis hebben opgedaan. Een vorm van traditionele geneeskunde waar de witte wijsneuzen altijd op neergekeken hebben, maar waar vandaag de dag de farma-industrie haar voordeel mee doet.

Mijn leerlingen onderwezen me ook op andere gebieden. Op een goede dag wandelde ik door de klas langs de schoolbanken. Op een van die banken lag een foto van een jonge man. Grappend vroeg ik aan de leerlinge, ze heette Astrid, of dat misschien haar vriendje was. Waarop ze rechtveerde, me streng aankeek en zei: ‘C’est mon président, Monsieur!’

Ik kon wel door de grond zakken van schaamte omdat ik hem niet herkend had: Moïse Tshombe, de man die president was van Katanga toen die provincie zich op 11 juli 1960 van Congo had afgescheurd. Aan die afscheiding was in januari 1963 een einde gekomen. Tshombe ging in ballingschap in Spanje, maar in Katanga zaten velen ongeduldig op zijn terugkeer te wachten. Astrid was één van hen.

Neokoloniaal bolwerk

Mijn leerlinge was daarmee geen uitzondering. Heel wat leerlingen waren zussen of dochters van Katangese gendarmes, zoals de krijgers genoemd werden die gevochten hadden tegen de VN-strijdmacht die de afscheiding moest beëindigen. In het zuiden van Katanga werd de secessie breed gedragen, maar niet in het noorden. Bij mijn aankomst in Elisabethstad hing de stad nog vol met landkaarten waarop‘Katanga, inchi yetu’ stond, ‘Katanga, ons land’.

Tshombe zou zijn secessie-avontuur nooit hebben kunnen beginnen zonder de uitdrukkelijke en zeer actieve steun van België. Ons land werd daartoe aangemaand door de Union Minière, de mijnmaatschappij die van Katanga de “economische long” van Congo had gemaakt. In Elisabethstad woonden toen 12.000 Belgen, voor een groot deel personeelsleden van de Union Minière. Ik was – ook dat had ik niet beseft bij mijn vertrek — terechtgekomen in een bolwerk van het neokolonialisme.

© Carl De Keyzer

Na de kolonisatie bleef de Belgische interesse voor Katanga groot. Veel Belgen bleven er werken bij het toenmalige Union Minière (foto: 2009).

Het racisme van de blanken was ronduit stuitend. Een van hen zei om de haverklap: ‘Het zijn apen, maar het zijn goede apen want ze laten ons veel geld verdienen.’ Een andere Belg, die zelf ook lesgaf aan Congolezen, vroeg me of ik al opgemerkt had dat zwarte kinderen toch “duidelijk minder intelligent” waren dan blanke.

De afscheiding van Katanga mocht dan voorbij zijn, ook in Brussel was de belangstelling voor de rijkste Congolese provincie nog steeds groot. De Belgische kolonialen waren uit geheel Congo geëvacueerd in het woelige eerste jaar van de onafhankelijkheid, maar die van Katanga moesten blijven. De mijnexploitatie moest immers tot elke prijs voortgezet worden, dat had de oppermachtige Société Générale (waartoe de Union Minière behoorde) besloten.

Twee tanden en een kogel

De Belgische aanwezigheid was zichtbaar tot in de hoogste regionen van het Congolese bestuur; tijdens, maar ook na de secessie.

In de koloniale tijd was het de Congolezen verboden om leidinggevende functies uit te oefenen. Na de onafhankelijkheid had geen enkele Congolees dus bestuurservaring. De nieuwe leiders kregen daarom Belgische “adviseurs” naast zich. Zo was de inspecteur-generaal van de Katangese politie weliswaar een Katangees, Pius Sapwe. Maar aan zijn zijde stond Gerard Soete, gewezen inspecteur-generaal van de koloniale politie.

Hij liet me toen een doosje zien, met twee tanden van Lumumba en een van de kogels die hem gedood hadden. Dat zei hij toch.

Ik leerde Soete kennen als een minzaam man. Ik had er totaal geen vermoeden van dat hij de man was die de lijken van Patrice Lumumba en zijn twee metgezellen Mpolo en Okito had doen verdwijnen.

Mobutu nam later het duo Sapwe-Soete over, maar in 1984 schafte hij de politie af en werd Soete teruggestuurd naar België. Hij begon er een literaire carrière onder het pseudoniem Geert van Puthen. Telkens wanneer ik hem bezocht, begon hij over Lumumba. Alleen hij wist wat er met Lumumba gebeurd was, zei Soete. Maar als ik hem vroeg het me te vertellen, antwoordde hij kortaf: ‘Lees mijn boeken.’

In die boeken beschrijft Soete inderdaad hoe de lichamen van drie vermoorde mannen in zoutzuur werden opgelost. Uiteindelijk biechtte hij op dat hij de ochtend na de moord op Lumumba ontboden werd bij zijn baas, de Katangese minister van Binnenlandse Zaken Godefroid Munongo. Dat Soete razend was toen hij hoorde dat Lumumba dood was, omdat hij zich realiseerde dat dat de Katangese zaak geen goed zou doen.

Munongo gaf Soete de ‘opdracht’ om de leugen te verspreiden dat Lumumba ontsnapt was en gedood werd door boze dorpelingen. ‘Die opdracht aanvaardde ik om het Katangese project te redden’, zo benadrukte Soete.

Hij liet me toen een doosje zien, met twee tanden en een kogel. Dat waren tanden van Lumumba en een van de kogels die hem gedood hadden. Dat zei hij toch. Maar zijn relaas publiceren mocht ik niet. Het contact tussen ons werd verbroken.

Onlangs besliste het Belgische gerecht dat het een tand, die men na Soete’s dood bij zijn dochter vond, aan de familie Lumumba zou teruggeven. Wat er met de andere tand en met de kogel gebeurd is, weet niemand. Soete zelf heeft nog verklaard dat hij die in zee heeft geworpen.

De marionetten en de schuldigen

Vele jaren later deed Gerard Soete zijn verhaal bij socioloog Ludo De Witte. Die heeft overtuigend aangetoond dat België medeplichtig was aan de moord op Lumumba.

Munongo had gezegd: ‘Patrice, als je ooit een voet op Katangese bodem zet, dan vermoord ik je.’ Hij hield woord.

Met de moord zelf had Soete niets te maken. Zijn misdaad bestond erin dat hij de slachtoffers op gruwelijke wijze deed verdwijnen.

Daarmee bewees hij ook de échte moordenaars een dienst, zij die de moordpartij organiseerden: in de eerste plaats Soete’s baas Godefroid Munongo, die het executiebevel had uitgevaardigd. Dezelfde Munongo die al voor de onafhankelijkheid tegen Lumumba had gezegd: ‘Patrice, als je ooit een voet op Katangese bodem zet, dan vermoord ik je.’ Hij hield woord.

De hele Katangese regering, Tshombe inbegrepen, was het eens met Munongo. Maar ook zij die Lumumba doelbewust uitleverden aan de moordzuchtige Katangezen zijn schuldig: president Joseph Kasavubu, chef van de Veiligheid Victor Nendaka en legeropperbevelhebber Joseph-Désiré Mobutu, die Lumumba op een (Belgisch) vliegtuig naar Lubumbashi zetten. Die drie handelden niet als marionetten die alleen maar bevelen van de oud-kolonisator uitvoerden.

Dat erkennen is ook een vorm van dekolonisering.

© Carl De Keyzer

Het oude Institut Marie José heet nu Lycée Tuendele, wat ‘vooruit, laten we verdergaan’ betekent. Er is geen blanke meer te bespeuren. ‘Ook dat is dekolonisering.’

Geslaagd

Vandaag de dag zijn er heel wat Congolese professoren en wetenschappers met internationaal prestige.

Over dekolonisering gesproken: het oude Institut Marie José heet nu Lycée Tuendelee, wat ‘vooruit, laten we verdergaan’ betekent. Directie, lerarenkorps en leerlingen zijn allemaal zwart, het gevolgde programma is Congolees. Er valt geen blanke meer te bespeuren.

In mijn tijd waren er twee universiteiten in Congo: één in Elisabethstad en één in Kinshasa (dat toen Léopoldstad heette). Vandaag de dag zijn er meer dan honderd universitaire campussen in Congo, en heel wat Congolese professoren en wetenschappers met internationaal prestige. De onderwijskwaliteit is niet altijd even hoog en er zijn problemen te over, maar het is niet allemaal kommer en kwel.

Ook op cultureel gebied heeft Congo grote passen vooruit gezet: muziek, podiumkunsten, beeldende kunsten, letterkunde en zoveel meer. Mogen we dit geslaagde dekolonisering noemen?

Dit artikel werd gepubliceerd in de MO*special over menselijke waardigheid. Door een fout van de redactie slopen er in dat magazine fouten in de tekst van dit artikel. Bovenstaande tekst is de enige correcte versie.

***

Over de auteur

Walter Zinzen is Afrikajournalist op rust, met dertig jaar dienst bij de VRT, maar weet ondanks zijn pensioen van geen ophouden. Na zijn studies Germaanse Filologie was hij drie jaar leraar in Lubumbashi, dat toen nog Elisabethstad heette. Sinds eind 2017 is hij vaste MO*columnist en schrijft hij op geheel eigen wijze onder andere over (de)kolonisering

Dit interview verscheen in de speciale editie van MO*magazine. Als je proMO* wordt of als je het al bent, krijg je een print-exemplaar van dit unieke magazine toegestuurd.
Door proMO* te worden, maak je de journalistiek van MO* mee mogelijk. Voor slechts € 4 per maand of € 50 per jaar zorg je er mee voor dat onze website voor iedereen toegankelijk blijft en dat onze journalisten en medewerkers hun werk kunnen doen. Word nu proMO*.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur