Optimisme ruimde plaats voor autoritair bestuur en instabiliteit

Het succesnummer van de Tunesische revolutie is na zeven jaar grijsgedraaid

© Eline Huisman

 

Een gevallen dictator, een gekozen regering, geen burgeroorlog als in Syrië, geen chaos als in Libië, een voorbeeld voor de regio – Racha Essid kent het riedeltje, ze heeft het al veel te vaak gehoord. Het succesnummer van de Tunesische revolutie is in zeven jaar grijsgedraaid. ‘We zijn toe aan een ander verhaal.’

Het is zaterdag 13 januari, een dag voordat Tunesië de revolutie herdenkt die zeven jaar geleden een einde maakte aan de dictatuur van Zine el Abidine Ben Ali. Aan de Avenue Bourguiba, in het hart van Tunis, zijn de terrassen zonovergoten en vol als altijd. Tussen de bomen slingeren felrode Tunesische vlaggetjes. Een stad die zich opmaakt voor een festival. Maar Racha is hier niet om feest te vieren. ‘De revolutie heeft ons vrijheid gebracht. Dat ik hier vandaag sta, is daarvan het bewijs’, zegt de 29-jarige juriste. ‘Maar ik ben hier vooral omdat ik nog steeds geloof in die vrijheid, in sociale gelijkheid, in waardigheid. Ik geloof in de beloftes van de revolutie. Zolang die nog geen werkelijkheid zijn, heb ik de plicht om daarvoor de straat op te gaan.’

Tunesië is lang gevierd als het succesvoorbeeld van de Arabische opstanden. Vergeleken met de andere landen in de regio doet Tunesië het goed: als enige heeft het de weg van een democratische transitie ingezet. Na het vertrek van Ben Ali in 2011 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden en de democratie werd verankerd in een vooruitstrevende grondwet. Maar achter de façade van dat succesverhaal schuilt een broeierige werkelijkheid, die laat zien dat de revolutie geen voltooid proces uit het verleden is. De economische malaise is groot, de corruptie endemisch, politiegeweld nog lang geen uitzondering. En het wordt tijd dat de wereld dat beseft, klinkt het dit weekeinde in Tunis.

Werk en waarheid

‘Werk en waardigheid’, de slogan van de revolutie in 2011, was in de aanloop naar 14 januari weer overal in Tunesië te horen. De afgelopen week gingen duizenden mensen de straat op om te protesteren tegen de belasting- en prijsverhogingen die het nieuwe jaar zijn ingegaan. Gas, telefonie, koffie, suiker – allerhande basisgoederen zijn per 1 januari opnieuw duurder geworden. Het maakt deel uit van de bezuinigingen die de regering doorvoerde onder druk van het IMF, in ruil voor een lening van 2,3 miljard euro. Die maatregelen komen hard aan in Tunesië, dat na de revolutie in een ernstige economische crisis is geraakt.

Een nieuwe jongerenbeweging onder de naam ‘Fech Nestanaou’ (Arabisch voor ‘Waar wachten we op?’) initieerde de eerste, kleine protesten in Tunis, Sfax, Ben Arous en Sousse. Ze eisen het intrekken van de bezuinigingsmaatregelen die het levensonderhoud voor Tunesiërs duurder maken. Al snel doken ook elders in het land protesten op, tot begin vorige week in twintig verschillende steden werd gedemonstreerd – onder meer in Sidi Bouzid, waar eind 2010 de opstanden begonnen. In meerdere steden braken rellen uit, overheidsgebouwen werden in brand gestoken, het leger rukte uit, een betoger kwam om het leven en na een week van demonstraties had de politie ruim 800 arrestaties verricht.

© Eline Huisman

 

Is er een nieuwe Tunesische revolutie op komst? Het is de vraag die in de aanloop naar het weekeinde steeds vaker wordt gesteld. Januari is traditiegetrouw een verhitte maand in Tunesië. De verjaardag van de revolutie wordt ieder jaar aangegrepen voor demonstraties. Maar dit keer houden de protesten al een week aan, en zijn ze verspreid over alle regio’s van het land. In de context van groeiende politieke onvrede en een aanhoudende crisis laat volkswoede zich moeilijk voorspellen. Bovendien zingt het in Tunesië dan al langer rond: de wanhoop die steeds meer Tunesiërs voelen nu hun positie zeven jaar na de revolutie nog altijd niet is verbeterd, gaat een keer ontploffen. Of, zoals de International Crisis Group in een vorige week verschenen rapport schrijft: de economische fundamenten in Tunesië zijn sinds 2016 aanzienlijk verslechterd, en dat vergroot de kans op oncontroleerbare rellen.

De sfeer op Avenue Bourguiba is zondagochtend gespannen. Al om 10 uur ’s morgens hebben zich duizenden mensen door de tassencontrole en dranghekken gewurmd waarmee elke uitgang van de centrale boulevard vandaag is afgezet. Hier, in het centrum van de hoofdstad, zijn voor vandaag opnieuw demonstraties aangekondigd. Het linkse Front Populaire heeft zich bij Fech Nestanaou gevoegd, en leider Hamma Hammami heeft aangekondigd net zo lang de straat op te gaan tot de begroting van tafel is. Maar evengoed is dit de plaats waar vandaag de feestvierders de zevende verjaardag van de revolutie zullen vieren. Een Britse journaliste is bezig met een ‘busjestest’: tien tot vijftien politiebussen zijn gebruikelijk, twintig betekent een moeilijke dag, dertig kondigt een ronduit slechte dag aan. Vandaag staan er 29 politiebusjes opgesteld.

Bont en blauw

‘Stiekem hoop ik dat het vandaag verhit gaat worden’, zegt de Tunesische rechtenstudente Mouna Khlass met een blik op de politiemacht. ‘Dat zou bewijzen dat onze stem er nog toe doet. Zo niet, dan sterft ons protest een stille dood en kan de regering verder met zichzelf verrijken.’ De herinneringen aan haar laatste arrestatie zijn nog vers – bij studentenmanifestaties in april vorig jaar werd ze ‘bont en blauw’ geslagen door een groep agenten. ‘We maken jullie kapot, voordat jullie ons kapot kunnen maken, zeiden ze. Wat zou ik beginnen, als meisje zonder bewapening?’

Dat de angst voor de ordetroepen er goed in zit, wordt duidelijk als tegen één uur een groep demonstranten zich over de avenue richting het podium van regeringspartij Ennahda begeeft. Aanhangers van de nieuwe protestbeweging Fech Nestanaou en het Front Populaire hebben zich bij Manich Msameh gevoegd, een beweging van met name jongeren die twee jaar geleden is opgericht tegen een amnestiewet voor corrupte ambtenaren onder Ben Ali. De wet hebben ze niet kunnen tegenhouden, maar ze sluiten zich als organisatie nog regelmatig aan bij protesten.

Samen vormen Fech, Manich en Front Populaire een klein maar luidruchtig clubje van een paar honderd man, dat energiek vertrekt vanaf de kop van de boulevard, onderweg steeds meer aanhang verzamelend en steeds grimmiger leuzen roepend, tot ze stilhouden bij het podium van de gematigd islamistische regeringspartij Ennahda.

‘Ik heb geprobeerd dingen te veranderen. Maar wie houd ik voor de gek? We worden geregeerd door leugenaars die de grootste onzin nog als waarheid verkopen.’

Het is een surrealistisch tafereel: vanaf het grootste podium van de stad klinken luide muziek en grappen van stand-up comedians die vandaag voor een feestgevoel moeten zorgen, terwijl de protestbeweging vlak daarnaast staat opgesteld, de vuisten in de lucht. Alleen de ordetroepen tussen beide verhinderen dat hier vandaag twee werelden letterlijk op elkaar botsen. Aan de kant van de protestbeweging gaan de vuisten de lucht in, de mars stroomt nog iets verder naar voren. Tot een jongen vooraan begint te roepen: ‘Dégage!’, ‘Vertrek!’. Vuisten worden handen, en in mum van tijd maken honderden handen synchroon het wegwerpgebaar naar de feestvierders van Ennahda. ‘Dégage! Dégage!’, klinkt het.

Ineens ontploft er iets – glazen vliegen door de lucht, halve kopjes koffie spatten op, in enkele seconden liggen de terrassen ondersteboven, paniek om het geluid van glas en chaos maken meer paniek, meer glas, meer chaos.

Maar net zo snel als het komt opzetten, gaat het weer liggen, en klinkt er weer alleen de feestmuziek van het Ennahda-podium.

© Eline Huisman

 

Het blijft het heetste moment van de middag. Nog een paar keer maken de demonstranten dezelfde opmars, maar de groep is aanzienlijk uitgedund, en tot een botsing zal het niet meer komen. Tegen vieren zijn alle stands wel leeggehaald en worden de laatste plekken op de terrassen gevuld. Geen indrukwekkende protesten, laat staan een tweede revolutie. Zeven jaar later wordt de volkswoede gesmoord in een afgedwongen feestgevoel.

‘Het maakt me verdrietig en woedend tegelijkertijd’, zucht Mouna Khlass aan het einde van de dag. ‘Ik heb geprobeerd dingen te veranderen. Maar wie houd ik voor de gek? We worden geregeerd door leugenaars die de grootste onzin nog als waarheid verkopen.’

De oude dieven van het regime

Leugenaars, bandieten, maffiosi, of gewoon: de oude dieven van het regime van Ben Ali. De kwalificaties van de huidige machthebbers liegen er niet om. Voor tekenen van dat oude regime hoef je niet ver te zoeken. ‘Begin maar eens bij onze president’, zegt de Tunesische journaliste Mabrouka Khedir, ‘Béji Caïd Essebsi. 91 jaar. Prachtige carrière achter de rug: minister van Defensie, minister van Buitenlandse Zaken, parlementsvoorzitter.’ Dat mensen na een revolutie stemmen voor de oude machthebbers noemt ze tegelijkertijd bizar en begrijpelijk. ‘Er is weinig andere keuze. Dit regime heeft decennialang de macht gehad en altijd geprobeerd elke andere partij te vermorzelen. Zij hebben de ervaring, vormen de bureaucratie, ze zitten overal. We hebben een nieuwe generatie nodig. Maar het probleem is: deze generatie is er niet. Jonge mensen zijn niet geïnteresseerd in de politiek.’

 ‘Terwijl je zou verwachten dat jonge revolutionairen de politieke ruimte zouden innemen na de opstanden, neemt de politieke participatie onder jongeren af’ 

Een trend die ook het Brookings instituut signaleerde: ‘Veel jonge Tunesiërs, inclusief degenen die de revolutie op gang brachten – hebben geduld in de overheid verloren’, schrijft Sarah Yerkes in een paper over politiek engagement in Tunesië. ‘Terwijl je zou verwachten dat jonge revolutionairen de politieke ruimte zouden innemen na de opstanden, neemt de politieke participatie onder jongeren af sinds 2011.’ In de eerste vrije parlementsverkiezingen van 2014 ging slechts 33 procent van de Tunesiërs tussen de 18 en 34 naar de stembus.

Die verkiezingen werden gewonnen door Nidaa Tounes, de partij van president Essebsi. In de eerste plaats opgericht om een tegenwicht te bieden aan de gematigd islamisten van Ennahda, vormden de twee na de verkiezingen samen een regering.

© Eline Huisman

 

Voor veel seculiere Tunesiërs is Nidaa het enige alternatief van enig gewicht tegen Ennahda. Voor (oud-)ambtenaren vervangt het de voormalige staatspartij. Dat is precies waar de International Crisis Group in een vorige week verschenen rapport voor waarschuwde: de huidige regering valt terug op de autoritaire reflexen van het oude regime. Zowel Nidaa Tounes als Ennahda zou eigen kandidaten installeren in onafhankelijke bestuursorganen om daar partijbelangen te verdedigen. Tegelijkertijd bekritiseerde president Essebsi deze organen als een bedreiging voor de staat. ‘Dat geeft voer aan de kritiek van oppositiepartijen en maatschappelijke organisaties die claimen dat het oude regime terug op zijn plaats is.’

President Essibsi doet ondertussen onverhulde pogingen een presidentieel systeem in te stellen, en het constitutioneel hof, de enige die zeggenschap heeft over de functie van de president, is nog altijd niet in werking. De Crisis Group waarschuwt verder dat figuren uit het oude regime steeds zichtbaarder worden in de media, waarbij ze democratie en verdedigen van mensenrechten gelijk te stellen aan een zwakke staat.

Wanhoop

‘Onder Ben Ali was alles beter’, verzuchte Faycel Sellemi eerder dit weekeinde. Hij maakte een verloren indruk, met zijn handen in zijn zakken aan de rand van een groepje demonstranten. Zijn familie woont in Kasserine, 300 kilometer van Tunis. ‘Ik werk hier in Tunis als dagloner in de bouw. Slapen doe ik op de bouwplaats. Ik wacht tot ik genoeg geld heb om naar huis te gaan.’ Voor de revolutie werkte hij ook als dagloner – met dezelfde onzekerheid, hetzelfde kleine salaris. ‘Maar ik kon daarmee precies kopen wat ik nodig had. Dat lukt nu niet meer.’ Tunesië is verloren, zegt hij. De jongere generatie verliest haar beste jaren, en zal niet anders kunnen dan het slechte pad op gaan. ‘Ik ben bang dat het voor mijn kinderen niet anders zal zijn.’

‘Als Tunesië op het huidige pad verdergaat, kunnen de zwaar bevochten verworvenheden van 2011 verdwijnen, en zal de democratie zijn positie verliezen in een repressieve en instabiele regio.’

De economische groei in Tunesië is zwak, tussen de 1 en 2 procent. Tegelijkertijd schommelt de werkloosheid nog steeds rond 15 procent, en is die onder jongeren zelfs 35 procent. De Tunesische dinar is in één jaar met een derde in waarde gedaald, en volgens de Crisis Group is de inflatie in werkelijkheid nog veel hoger dan de officiële 6.3 procent. Salarissen voor overheidsbanen kosten bijna de helft van het staatsbudget, waarmee weinig ruimte overblijft voor de broodnodige investeringen in onderwijs, transport en gezondheidszorg. Na de terroristische aanslagen in 2015 stortte het toerisme in – voorheen goed voor 8 procent van de werkgelegenheid – en bleven buitenlandse investeringen uit.

Onder het mom van economische groei werd in 2017 een controversiële wet door het parlement geloodst. Zo’n tweeduizend corrupte ambtenaren uit het Ben Ali-regime kregen amnestie. In ruil daarvoor zouden ze het onterecht gekregen geld terug betalen, wat 1,2 procent economische groei zou opleveren. Economen reageerden sceptisch: er is geen model ter wereld waar een pardon aan corrupte ambtenaren 1,2 procent groei brengt.

Deze week verscheen er opnieuw een alarmerend rapport, dit maal van het Freedom House. ‘Autoritair bestuur en instabiliteit versterken elkaar’, schrijft het over Tunesië. ‘In 2017 zijn eerdere signalen van terugval duidelijker geworden.’ Het verwijst naar de amnestiewet, de figuren uit het oude regime die hun invloed versterken, en de noodtoestand die opnieuw is verlengd ‘wat op de erosie van de democratische orde wijst’. Maar ook naar de gemeenteraadsverkiezingen die opnieuw zijn uitgesteld, waarmee sinds de revolutie nog steeds geen gemeenteraden zijn verkozen. ‘Als Tunesië op het huidige pad verdergaat, kunnen de zwaar bevochten verworvenheden van 2011 verdwijnen, en zal de democratie zijn positie verliezen in een repressieve en instabiele regio.’

Het gevoel dat Tunesië ‘verloren’ is, lijkt breed te worden gedeeld. En tegelijkertijd lijken er maar weinig mensen in te geloven dat ze daarin iets kunnen veranderen. Vooral onder jongeren is de wanhoop groot. Het academisch onderzoeksproject Arab Barometer peilde dat de helft van de jongeren tussen 18 en 24 jaar erover denkt te vertrekken. ‘Ik heb er zelf nooit eerder over gedacht dit land te verlaten’, schrijft Mouna een dag later. ‘Maar ik hou het hier niet lang meer vol. Vertrekken is een droom geworden.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift