Is het afvangen en opbergen van CO2 slechts het uitstel van een echte oplossing?

‘Iedere ton CO2 die we niet in de lucht lozen, moeten we er later niet weer uithalen’

Carbon Visuals / A-Productions (CC BY 2.0)

De dagelijkse hoeveelheid uitgestoten CO2 in 2012

Om de uitstoot van de energie-intensieve industrie in Vlaanderen in 2050 met 90 procent te reduceren, rekent de voorgestelde Roadmap tegen 2050 op de ondergrondse berging van 8 miljoen ton CO2 per jaar. De vraag is niet alleen wie dat zal betalen, maar ook: waar wil men al die CO2 begraven?

Daar moet hij komen. Op de Vondelingenplaat, aan de oever van Het Scheur, in het uiterste westen van de haven van Rotterdam, een plek waar de symmetrisch uitgelijnde silo’s en opslagtanks van het industriële landschap aanschuren tegen de rietvelden en het verder gelegen akkerland. Als alle aanbestedingen, vergunningen, financieringspistes lopen zoals in de tijdslijn keurig uitgetekend, dan wordt hier de CO2-collector van de energie-intensieve bedrijven van de Rotterdamse haven gebouwd.

Op de plannen oogt het bedrieglijk eenvoudig. De CO2 die uit de rookgassen van nog nader bepaalde installaties zal worden opgevangen, zal vanuit het verzamelpunt in een nieuw aan te leggen pijpleiding worden gepompt. Die zal grotendeels langs het tracé van de A15 tot aan de uiterste punt van de Maasvlakte lopen tot aan een compressorstation aan het Yangtzekanaal zo’n 45 kilometer verderop. Van daaruit schiet de pijpleiding met vloeibare CO2 25 kilometer de zee in naar een boorplatform. Hier gaat het de diepte in en wordt de CO2 zo’n twee tot drie kilometer onder de zeebodem in een oud gasveld van poreuze zandsteen geïnjecteerd. CCS heet de technologie en de bijhorende infrastructuur: Carbon Capture and Storage, het afvangen en stockeren in geologische reservoirs van onze overtollige CO2.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Met Porthos, de naam van dit CO2-afvoerkanaal, verwacht de Nederlandse overheid vanaf 2024 2,5 miljoen ton CO2 vanuit de haven te begraven. Dat is tien procent van uitstoot. Tegen 2050 moet de capaciteit opgedreven zijn tot 10 miljoen ton per jaar. Kostprijs van de infrastructuur wordt beraamd op een half miljard. 100 miljoen euro neemt Europa voor zijn rekening via subsidies voor Projecten van Gemeenschappelijk Belang (PCI).

Poging tot uitstel

Fossiele bedrijven vragen nu publiek geld aan om de atmosferische vervuiling die ze veroorzaakten, onder de grond te stoppen.

Ondertussen leidde een subsidieaanvraag van 1,5 miljard euro investeringssteun door Air Liquide, Air Products, ExxonMobil en Shell om zich ‘capture-ready’ te maken tot heel wat tandengeknars. Dit zijn een voor een fossiele bedrijven die nu publiek geld willen om de atmosferische vervuiling die ze veroorzaakten niet zozeer te stoppen maar wel onder de grond te stoppen. Bovendien slepen de laatste twee een lange geschiedenis van investeringen in klimaatontkenning mee waardoor, aldus de critici, we nu onze toevlucht moeten nemen tot CCS. Ze noemen dit afvangen en opbergen van CO2 een volgende poging tot uitstel van wat echt moet gebeuren: de uitstoot tot netto nul reduceren en een grondige verbouwing van het industriële complex.

‘De fossiele industrie ontkent het probleem, tenzij er oplossingen gevonden worden die hun bedrijfsmodel ongemoeid laten’, noteert klimaatjournalist van De Groene Amsterdammer Jaap Tielbeke in Een beter milieu begint niet bij jezelf. ‘Het doel is om klimaatbeleid te vertragen en daar slagen ze wonderwel in’, gaat hij verder. Hij verwijst onder andere naar CCS. ‘Een typische end-of-the-pipe-solution’, noemt hij ze, ‘die de illusie wekt dat er verder nauwelijks iets hoeft te veranderen aan de energie-infrastructuur.’

Toch, of misschien net daarom, prijkt CCS steeds prominenter op het lijstje noodzakelijke oplossingen voor de CO2-intensieve industrie. In de Roadmap die de minister van Economie, Hilde Crevits, vorige week voorstelde, vormt het zelfs het sluitstuk van een mogelijk beleid. Tegen 2050 wil de energie-intensieve industrie 8 miljoen ton CO2 per jaar afvangen en opbergen. Omgerekend betekent dit dat de uitstoot niet met 90 procent wordt gereduceerd, zoals op papier berekend, maar met slechts 66 procent. Want CO2 die je onder de grond stopt, is niet hetzelfde als vermeden uitstoot.

CO2 die je onder de grond stopt, is niet hetzelfde als vermeden uitstoot.

Vanuit Europa kreeg een consortium van fossiele, petrochemische en publieke bedrijven, Air Liquide, BASF, Borealis, Ineos, ExxonMobil, Total, Fluxys en Port of Antwerp, alvast 9 miljoen euro om een studie uit te besteden over de mogelijkheden van de opvang van CO2 in de Antwerpse haven. Innoverend wordt het in persberichten vaak genoemd. Ook dat klopt niet helemaal. CO2 injecteren in de diepe ondergrond is ondertussen een volwassen technologie, ontwikkeld in de jaren ’70 door de olie-industrie om meer olie uit de grond te halen. ‘Enhanced Oil Recovery’, heet het. Ook nu wordt het daarvoor nog gebruikt. Al hoopt men die olie ‘klimaatneutraal’ te dopen door de CO2 die men aanvankelijk uit de ondergrond haalde te vervangen door CO2 afgevangen van gas- of steenkoolcentrales.

De (on)mogelijkheden van CSS

‘De Verenigde Staten en Saoedi-Arabië wilden als eerste landen wereldwijd een IPCC-rapport over CCS’, vertelt de Nederlandse klimaatwetenschapster Heleen de Coninck. In haar onderzoek aan de Radboud universiteit van Nijmegen richt ze zich op industriële transformatie. Maar ze is ook medeauteur van de IPCC-rapporten en in 2005 werkte ze mee aan het gevraagde IPCC-rapport over de rol van CCS in de strijd tegen klimaatverandering. ‘Toen ging het over kolencentrales en het idee van ‘clean coal’. Sinds een paar jaar zien we dat hernieuwbare energie de toekomst is en dat fossiele centrales met CCS qua kosten niet competitief zijn met zon en wind. Je mag niet vergeten dat CCS bijzonder energie-intensief is. De concentratie CO2 in rookgassen is relatief laag, voor gas is dat bijvoorbeeld 9 procent. Je hebt twintig tot dertig procent extra energie, vooral warmte, nodig om de CO2 uit de rookgassen te filteren.’

Een van de eersten om te wijzen op de mogelijkheden van CCS voor de energiesector was trouwens het oliebedrijf ExxonMobil.

Of de onmogelijkheden.

‘Energiebesparing en een omslag naar hernieuwbare bronnen zijn de enige zinvolle opties.’

De interne studiedienst van ExxonMobil rekende in 1981 een scenario door met CCS voor de fossiele energiesector. ‘De kostprijs is exorbitant hoog’, stond in het verslag. ‘Energiebesparing en een omslag naar hernieuwbare bronnen zijn de enige zinvolle opties.’ De daaropvolgende jaren zou Exxon niet zozeer de omslag naar hernieuwbare energie aanwakkeren, dan wel de klimaatontkenning en klimaattwijfel zaaien en bemesten. Maar dit terzijde. Ondertussen werden er in de Verenigde Staten en Canada wel enkele steenkoolcentrales gebouwd met CCS. Zowel de steenkoolcentrale Petra Nova in Texas als Boundary Dam in Canada slagen er niet in de beloftes en verwachtingen in te lossen. In plaats van 1 miljoen ton CO2 per jaar capteert en stockeert Boundary Dam amper de helft. Bij Petra Nova werd amper 30 procent van de CO2 opgevangen. De centrale ligt op dit moment stil omdat ze eenvoudigweg te duur is.

‘Wat is je exitstrategie?’

‘Voor de zware industrie waar emissies moeilijk te vermijden zijn, is het wel een optie’, legt De Coninck uit. ‘Tijdelijk. Want uiteindelijk moet je vergroenen en weg van het fossiele. Je moet dus heel goed begrijpen waarvoor je CCS wil inzetten. Want als je denkt dat daarmee de kous af is en je CO2-probleem opgelost, dan organiseer je je eigen lock-in. Je hebt een plan nodig voor CCS en voor wat er na CCS komt. Wat is je exitstrategie?’ In die zin pleit De Coninck zowel voor een houdbaarheidsdatum op de geologische berging van CO2 uit fossiele bronnen als voor een prioriteitenlijst: voor welke sectoren is het nodig, voor welke hebben alternatieven meer toekomst? En ook: iedere nieuwe fabriek die nu gebouwd wordt of in de steiger staat, zou op z’n minst klaar moeten zijn om of fossielvrij te draaien of om de CO2 af te vangen en te bergen.

*Met een fossiele lock-in wordt bedoeld: het nemen van beslissingen die ervoor zorgen dat we afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen. In het Nederlands wordt soms de term ‘padafhankelijk’ gebruikt‘Ik begrijp heel goed de reserves tegen CCS. De kans op een fossiele lock-in* is reëel. Maar ik beschouw het ook als een manier om de fossiele industrie deel te maken van de oplossing. Tot nu is ze machtig genoeg gebleken om klimaatbeleid tegen te houden. Met CCS is er minder weerstand te verwachten. Al kan je dat evengoed als tegenargument gebruiken. Want met dalende olieprijzen, investeerders die zich terugtrekken, staat de fossiele industrie onder druk en misschien is CCS niet nodig als bindmiddel om hen erbij te betrekken? De industrie mag CCS dan wel voorstellen als een radicale oplossing, maar in zeker zin is het een vorm van tijd kopen. Iedere ton CO2 die we niet in de lucht lozen, is gewonnen en moeten we er later niet weer uithalen. Tegen 2030 moet de uitstoot met meer dan de helft verminderd zijn, tegen 2050 moeten we netto nul uitstoten en dan hebben we de helft tot tweederde kans dat we onder de 1,5 graad blijven. Dat is de urgentie.’

‘De industrie mag CCS dan wel voorstellen als een radicale oplossing, maar in zeker zin is het een vorm van tijd kopen.’

Op 30 april van dit jaar publiceerde de Minaraad een kennisdocument over de afvang, de opslag maar ook het hergebruik van CO2 in Vlaanderen. CCS/U heet het dan. De stand van zaken werd bekeken, maar evengoed de mogelijkheden en de hinderpalen. Omdat 70 procent van de industriële uitstoot die onder de Europese emissiehandel valt afkomstig is van amper tien installaties, lijken CCS en ook CCU op papier in Vlaanderen zinvolle en zelfs haalbare scenario’s. Nog op papier beschikt Vlaanderen met diepe, zoutwaterhoudende reservoirs zelfs over locaties om CO2 onder de grond te stoppen. Maar de praktijk toont zich hierbij een pak weerbarstiger en de kans is groter dat Vlaanderen gebruik zal moeten maken van buitenlandse opslagcapaciteit. De kans is nul dat dit gratis zal zijn.

De belangrijkste en meest voor de hand liggende zijn het al vermelde Porthosproject, maar ook Sleipner in Noorwegen, waar men al sinds 1996 de overtollige CO2 van gasontginning in injecteert. Nu wil Noorwegen de uitstoot van een cementfabriek en een afvalverbrandingsinstallatie in de zoutwaterhoudende laag boven het gasveld stockeren.

Tot dertig procent bijkomende energie

In ieder geval hangt aan CCS en ook aan CCU een hoge kostprijs. Ten eerste vergen beide processen tot dertig procent bijkomende energie en hebben experimenten aangewezen dat opvang tot 90 procent van de uitstoot bij veel CO2-bronnen erg duur is. Er is niet alleen de prijs van het afvangen, maar ook die van het transport en van het bergen. Al ligt die meestal lager dan die van het afvangen. Voor energie-intensieve industrieën als cement berekende het Global CCS-instituut dat een ton afgevangen CO2 boven de 85 euro kost, voor staal begint het bij 50 euro per ton. Op dit moment betalen bedrijven binnen ETS nog geen dertig euro per ton. ‘CCS,’ noteert het document, ‘is niet klaar om zonder financiële ondersteuning te functioneren op de vrije markt.’

‘CCS is niet klaar om zonder financiële ondersteuning te functioneren op de vrije markt.’

Bovendien stipt het rapport ook enkele waarschuwingen en aanbevelingen van de Europese Commissie aan. Die beschouwt CCS in verschillende richtlijnen als een overgangstechnologie en waarschuwt voor ‘een fossiele lock-in als de industrie hier te sterk op focust en te afhankelijk van is’.

Voor CCU zijn de cijfers en berekeningen nog weerbarstiger. Een studie uit 2017 wijst erop dat ‘de chemische omzetting van CO2 niet meer dan 1 procent van het reductiepotentieel uitmaakt in 2050’ en stelt dat het ‘een kostelijke afleiding is, financieel en politiek, van de werkelijke taak en opdracht.’ De uitstoot van CO2 ligt gewoon te hoog voor de vraag. Bovendien is CO2 zo’n stabiel element dat het altijd veel energie kost om het om te vormen.

De Coninck heeft een doctoraatsonderzoek lopen naar de toekomst en potentie van CCU. ‘Er zijn enkele toepassingen die best zinvol zijn. Als je het opslaat in mineralen of bouwmaterialen, waar de koolstof lang in blijft vastzitten. Maar als je het omzet in brandstoffen, zoals methanol, dan is het gewoon uitgestelde uitstoot. Ook al is het efficiënt, omdat je het koolstofatoom twee keer gebruikt. Maar als je naar nul moet binnen dertig jaar, is het niet voldoende. Ik wacht nog even op het resultaat van het onderzoek, maar ik benadruk toch graag het marginale reductiekarakter van CCU. Er wordt echt te veel demonstratiegeld gestopt in zaken die niet goed genoeg of te laat zijn. Hetzelfde geldt voor CCS. Aan de bron reduceert het tot 90 procent. En dat is in het ideale scenario. Als je in 2050 klimaatneutraal wil zijn, en daarna negatief is het op een gegeven moment niet meer genoeg.’

‘Er wordt te veel demonstratiegeld gestopt in zaken die niet goed genoeg of te laat zijn.’

Het brengt ons bij de vraag die in de Roadmap voor de Vlaamse industrie zorgvuldig werd vermeden. Wat als we gepland minder produceren en bepaalde installaties met de nodige nazorg naar de uitgang begeleiden? De Coninck glimlacht. ‘We zouden best veel kunnen bereiken met vraagvermindering. Zeker als je denkt: we hebben een ander, industrieel systeem nodig, dan lijkt CCS een platte end of the pipe-oplossing die niets verandert aan het basisprobleem dat we te veel grondstoffen gebruiken. Maar het kan wel helpen om op de lange weg daarnaartoe bijkomende uitstoot te vermijden.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3059   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's