‘Eindelijk hoef ik niet meer naar Europa te reizen om Senegalese kunst te aanschouwen’

Nieuwe Afrikaanse musea willen geroofd erfgoed terug

Na een korte en hobbelige taxirit door de stoffige straten van Dakar, doemen twee gigantische gebouwen op. Waar de Senegalese hoofdstad het beste omschreven kan worden als een stoffige zandbak, valt er op het plein tussen beide gebouwen geen zandkorrel te bespeuren. Links staat het nationale theater van Senegal. Daartegenover pronkt het recentelijk geopende Musée des Civilisations Noires.

© Daaf Borren

Het gloednieuwe gebouw dat met haar futuristische cirkelvorm doet denken aan een ufo, staat in schril contrast met het rommelige en chaotische straatbeeld van het meest westelijke puntje van het Afrikaanse continent. Het ‘museum over zwarte beschavingen’ wordt zelfs genoemd als één van de grootste en meest moderne musea in Afrika. De Senegalese politiek speelde al jaren met het idee om een museum over de wereldwijde zwarte beschavingen te openen. ’s Lands eerste president na de onafhankelijkheid, Léopold Senghor, initieerde in de jaren zestig het idee om de wereldwijde, gedeelde identiteit van Afrikanen in een museum tentoon te stellen.

Bij binnenkomst springt de kunstzinnig nagemaakte baobabboom in het midden van de zaal gelijk in het oog, net als een tiental gidsen dat klaar staat om het nieuwsgierige publiek een rondleiding te geven. Conform de vorm van het museum, behandelt elke verdieping in de rondte een tijdperk, beschaving of ontwikkeling.

© Daaf Borren

De kunstzinnig nagemaakte baobabboom bij de inkom

Op de begane grond gaat mijn gids en studente geschiedenis uitgebreid in op de bijdrages die Afrika tot nog toe leverde aan de ontwikkeling van de wereld. Zowel op het gebied van de geneeskunde, als cosmetica — met het in Afrika alom bekende plakkerige goedje shea butter - heeft het Afrikaanse continent een grote bijdrage geleverd. ‘En dan hebben we het niet eens over de enorme hoeveelheden grondstoffen en mineralen die de rest van de wereld ons heeft afgenomen’, voegt de vrouwelijke gids enigszins verontwaardigd toe.

Ook is er ruimte voor hedendaagse Afrikaanse kunst en behandelt het museum gerespecteerde mannen én vrouwen die in de afgelopen eeuw een belangrijke rol vervulden in de ontwikkeling van hun land, regio of het continent als geheel. Het moderne museum richt zich dus niet specifiek op de Senegalese geschiedenis, maar zet zich vooral neer als een broedplek voor het Panafrikanisme. Die filosofie gelooft in de gezamenlijke kracht van ‘de Afrikaan’, niet alleen in Afrika, maar wereldwijd.

Geen plek voor koloniale tijd, wel voor China

Er is in het museum geen ruimte gereserveerd voor de koloniale tijd of westerse onderdrukking. ‘Een bewuste keuze’, legt mijn gids uit. ‘De koloniale machten van weleer hebben niks te zoeken in een expositie die de Afrikaanse beschaving en ontwikkeling behandelt.’ Maar er is wél ruimte voor een aantal Chinese relikwieën, die zelfs in het Mandarijn worden toegelicht. Zo zijn er Chinese tekens op brandblussers en bronzen plakkaten waarin Senegal de Aziaten bedankt voor hun hulp.

‘Koloniale machten van weleer hebben niks te zoeken in een expositie die de Afrikaanse beschaving en ontwikkeling behandelt.’

‘China doneerde 34 miljoen dollar voor de bouw van het museum’, verklaart mijn gids. De welwillendheid van de Volksrepubliek past in het plaatje van de Chinese strategie op het continent. Middels donaties en “goedkope” leningen hopen ze de economische banden tussen Peking en het Afrikaanse continent te versterken. De Aziaten leggen in tientallen landen infrastructuur aan, maar verschepen ondertussen grote hoeveelheden grondstoffen naar het Verre Oosten. Zo ook vanuit Senegal.

© Daaf Borren

De Chinese miljoenendonatie is meer dan welkom en voorzag het museum van de techniek en innovatie die nodig is om het behoud van het fragiele erfgoed te kunnen waarborgen. Jacques Manga komt superlatieven te kort als hij het belang van dit museum benadrukt. ‘Nu hoef ik niet meer naar Europa te reizen om over de geschiedenis van mijn land te leren of om Senegalese kunst te aanschouwen’, jubelt de Senegalese fotograaf. ‘Het is zo belangrijk voor de ontwikkeling van het land en de Senegalese jeugd. Want zonder wortels kan een boom niet groeien.’

‘Nu hoef ik niet meer naar Europa te reizen om Senegalese kunst te aanschouwen.’

Al gauw maakt de blijdschap plaats voor stevige kritiek aan het adres van Europese musea. ‘Europese en met name Franse musea hebben tijdens hun koloniale bewind veel Senegalese kunst gestolen.’ Daarmee raakt Manga een gevoelige snaar, want al jaren wordt er gekibbeld over de terugkeer van roofkunst uit Europa naar de voormalige kolonies.

Zo bezit Frankrijk meer dan 90.000 Afrikaanse kunststukken die het land zich destijds onrechtmatig toe-eigende. In de verhitte discussies over roofkunst en de teruggave daarvan aan de rechtmatige eigenaar, weigeren de meeste Europese musea toe te geven. Het belangrijkste argument dat ze daarbij opvoeren, is dat de Afrikaanse landen niet de middelen noch de expertise hebben om de kunstcollecties op verantwoordelijke wijze tentoon te stellen.

‘Onzin’, vindt Manga. ‘Sinds de oplevering van het museum eind 2018 is de argumentatie van de voormalige kolonisators ongegrond, want het museum heeft alles in huis om de geroofde Senegalese kunst een veilige en duurzame plek op eigen bodem te geven.’ Het is volgens Manga ook een vreemde gewaarwording dat roofkunst niet permanent wordt teruggegeven aan het museum, maar dat de Fransen de geroofde kunst enkel in bruikleen naar Senegal willen sturen.

© Daaf Borren

Teruggave op lange termijn, ook naar Congo?

Vergelijkbare frictie bestaat er tussen de Congolese kunstliefhebbers en het Africa Museum in het Belgische Tervuren. De voormalige kolonisator van wat nu de Democratische Republiek Congo is, bezit namelijk duizenden stukken Congolees erfgoed, gestolen gedurende de periode van Belgische kolonisatie tussen 1908 en 1960. Het Africa Museum, dat voorheen ‘het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika’ heette, werd een jaar geleden heropend na een grondige renovatie.

Het Belgische museum kent een omstreden geschiedenis, waarin de periode van kolonisatie werd verheerlijkt en sommige tentoonstellingen ronduit racistisch waren. Een belangrijk onderdeel van de renovatie was daarom de aanpassing van de tentoonstelling aan de 21ste eeuw, waarbij meer ruimte is vrijgemaakt voor een kritische benadering van de Belgische geschiedenis in Congo. Zo haalde het museum standbeelden van koning Leopold II weg, die het Afrikaanse land tussen 1885 en 1908 in zijn (privé)bezit had.

Maar ondanks de grondige reorganisatie van het omstreden museum, vinden antiracisme- en mensenrechtenorganisaties, dat de hervormingen nog niet ver genoeg gaan. Zo stelt een werkgroep van de Verenigde Naties dat ‘de renovatie te kort schiet in het leveren van de juiste context en kritische analyse.’

© Daaf Borren

Volgens directeur van het museum, Guido Gryseels, was de werkgroep grotendeels tevreden over de hervormingen, maar werd deze kritiek in één van de vijf paragrafen geleverd. ‘Dit heeft te maken met een aantal beelden die we in het museum hebben laten staan. Volgens de werkgroep zijn die beelden racistisch van aard en dienen ze te worden verwijderd.’ De Belgische directeur beaamt dat de beelden racistisch en aanstootgevend zijn, maar het museum is niet van plan de beelden te verwijderen. ‘We hebben ervoor gekozen om de beelden kritisch te benaderen en in de juiste context te plaatsen.’

‘De roep om teruggave van kunststukken is duidelijk en terecht, maar we moeten dingen niet overhaasten.’

Volgens Gryseels verwacht de VN-werkgroep een activistische houding van het museum waarbij alle verheerlijking van racisme en kolonisatie dienen te worden weggehaald. ‘Maar wij zijn een onderzoeksinstituut en zien de beelden juist als belangrijk onderdeel in onze tentoonstelling.’ Op die manier hoopt het museum een academisch debat op gang te trekken over de zwarte bladzijdes in de Belgische geschiedenis.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Ondanks de aanhoudende kritiek, werkt het Africa Museum steeds vaker samen met nieuwe musea op het Afrikaanse continent. Zo vertelt Gryseels dat ze in samenwerking met Musée des Civilisations Noires een expositie tentoon gaan stellen, die na een periode in Senegal ook in andere Afrikaanse musea getoond zal worden.

Daarnaast trekt het gloednieuwe museum voor nationaal erfgoed in Kinshasa, de hoofdstad van Congo, de discussie op gang of het niet eens tijd wordt om de geroofde kunststukken terug te geven aan de rechtmatige eigenaar. ‘Die roep om teruggave is duidelijk en terecht, maar we moeten dingen niet overhaasten.’ Om die reden gaat Gryseels in dialoog met het museum in Kinshasa en de autoriteiten van Congo, om te onderzoeken in hoeverre het verantwoord is om de duizenden kunststukken en gebruiksvoorwerpen terug te sturen. ‘Hierbij spreken we over teruggave op de lange termijn, want op dit moment is het land nog niet klaar om de kunstschatten te ontvangen.’ Daarmee doelt Gryseels aan het gebrek van capaciteit en middelen om de conservatie van de kunst te garanderen. Ook in het onlangs geopende museum in de Congolese hoofdstad, die volgens hem nog niet aan alle eisen en capaciteit voldoet.

© Daaf Borren

Behalve Congo en Senegal ontwikkelen landen als Kenia en Togo ook musea die aan de internationale standaarden voldoen.

Het is een geliefd argument van Europese musea om te verklaren waarom ze voorlopig niet van plan zijn om het geroofde erfgoed terug te geven. Franse musea halen hetzelfde argument aan om de gestolen relikwieën uit Senegal en andere voormalige kolonies vooralsnog niet terug te geven. Maar hoelang houdt dit argument nog stand, als steeds meer Afrikaanse landen moderne, nationale musea laten bouwen? Want behalve Congo en Senegal ontwikkelen landen als Kenia en Togo ook musea die aan de internationale standaarden voldoen.

Volgens de directeur uit Tervuren hoeven de Afrikaanse instanties voorlopig nog niet te hopen op een permanente terugkeer van hun erfgoed. Wel benadrukt hij dat de samenwerking tussen het Africa Museum en verscheidene musea in Afrikaanse landen wordt geïntensiveerd. ‘Samen met een aantal experts, onder andere uit Congo, gaan we bijvoorbeeld uitpluizen welke van onze museumstukken geroofd zijn, en welke niet. Dit kost tijd, want we beschikken over ’s werelds grootste Midden-Afrika collectie.’ Ondertussen digitaliseert het museum al het beeldmateriaal uit de collectie, om die beelden vervolgens met de Afrikaanse musea te delen.

Samen nieuwe geschiedenis schrijven

Tot slot vertelt Gryseels dat Belgische museummedewerkers en kunstexperts hun collega’s in Afrika gaan helpen met de ontwikkeling van de opslagcapaciteit en juiste omstandigheden voor het behoud van hun erfgoed. ‘Alleen zo kunnen we op de lange termijn in gesprek gaan over de teruggave van geroofde kunst en attributen.’ Hij benadrukt daarbij dat het museum zelf de bevoegdheid niet heeft om de kunst daadwerkelijk terug te geven. Dat kan alleen de Belgische overheid bepalen. Wel zal het museum een adviescommissie aanstellen als er een officiële vraag om teruggave wordt ingediend bij de Belgische regering. Voor nu heeft het museum enkel de bevoegdheid om collecties in bruikleen met hun Afrikaanse collega’s te delen. Daar is de directeur groot voorstander van, want hij is zich ervan bewust hoe belangrijk het voor de plaatselijke bevolking is om haar eigen kunst en geschiedenis van dichtbij te kunnen aanschouwen.

© Daaf Borren

Kiza Magendane, die het museum in Tervuren ‘een compromismuseum’ noemt, omdat er voor zowel voor- als tegenstanders van het koloniale verleden tentoonstellingen zijn, vindt de discussie over het terugsturen van roofkunst complex. ‘Het debat wordt gekenmerkt door twee scherpe posities. Of je bent voor, of je bent tegen’, legt de Congolees-Nederlandse schrijver uit die sinds 2007 in Nederland woont.

Dat de artefacten destijds uit Congo zijn geroofd om in het westen tentoongesteld te worden, heeft iets komisch volgens Magendane. ‘Aan de ene kant droeg België, samen met de kerk, bij aan de vernietiging van plaatselijke gebruiken en religies. Aan de kant deed België er, met de steun van de kerk, alles aan om zoveel mogelijk stukken van Centraal-Afrika naar België te brengen.’ De schrijver en politicoloog noemt dat hypocriet en vindt dat men hierom principieel voor restitutie van de Congolese stukken moet pleiten.

‘We zijn allemaal het product van dezelfde geschiedenis, daarom kunnen we samen ook een nieuwe toekomst bouwen.’

‘Maar de werkelijkheid is complex en de tijden zijn veranderd.’ Volgens Magendane is het daarom belangrijk om samen een nieuwe geschiedenis te schrijven. ‘Dat houdt in dat het Africa Museum, maar ook andere instituties nauwer moeten gaan samenwerken met musea in Congo en elders in Afrika.’ Daarmee doelt de Congolese schrijver niet direct op permanente teruggave van de roofkunst, maar eerder op betere kennisuitwisseling en financiële steun. ‘We zijn tenslotte allemaal het product van dezelfde geschiedenis, daarom kunnen we samen ook een nieuwe toekomst bouwen.’

Magendane en Gruyseels lijken in dat opzicht enigszins op één lijn te zitten aangezien ze allebei pleiten voor meer samenwerking in plaats van tegenwerking. Dus ondanks de steeds luidere roep om restitutie door jonge artiesten zoals Jacques Manga uit Senegal en musea uit Congo, moeten de Afrikaanse landen vermoedelijk nog even geduld hebben. Want ongeacht de moderne Afrikaanse musea, de nauwere samenwerking en de uitwisseling van kunstcollecties, blijven de Europese musea voorlopig onrechtmatig eigenaar van het geroofde Afrikaanse erfgoed.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2745   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur