Op soloreis naar Wadi Rum, deel 3

Weg van de wereld

© Patricia Campailla

In het roze huisje aan de rand van de woestijn kreeg ik een verrassende inkijk in de huw- en scheidingsmogelijkheden van bedoeïenenvrouwen. Vanochtend vroeg was ik nog in Amman, de drukke hoofdstad van Jordanië. Buiten valt intussen de avond en ik vraag me af wanneer ik naar het bedoeïenenkamp wordt gebracht. Morgen wil ik de woestijn verkennen maar niemand lijkt haast te hebben.

Dan duikt mijn gastheer Suleiman terug op. Plots gaat het snel. Yallaa! De jeep staat voor de deur!

Vertrek bij valavond

Ik neem afscheid van de familie. De beige jeep die buiten staat, ziet er wat gehavend uit maar is wel solide. Het is november en nog aangenaam weer, de jeep is achteraan open met aan weerszijden een bank bekleed met matrassen en kussens. Ik klim op de achterbank en gooi mijn rugzak op de vloer. Een neef en broer van Suleiman zullen me naar het kamp brengen.

Het is schemerdonker, de zanderige straten zijn schaars verlicht. Hier en daar zie ik licht in de eenvoudige huisjes, een paar kamelen staan in een achtertuin, kinderen op straat zwaaien naar me. Volwassen mannen in jalabiyya en gesluierde vrouwen kijken nauwelijks om, zij zijn de toeristen gewoon. Na een paar honderd meter houdt de jeep halt voor een roze winkeltje.

© Patricia Campailla

Terwijl de chauffeur een praatje slaat met iemand in de winkel, kijk ik naar binnen: de kleine ruimte is turkooisblauw geschilderd en is volgestouwd met kruidenierswaren, een paar eenvoudige spaarlampen verlichten de koopwaar, twee kleine jongens kijken begerig rond, de ramen zijn voorzien van witte tralies. Het hele tafereel barst van kleur, snel neem ik een foto.

We rijden verder. Ik voel me de koning te rijk, de achterbank van de jeep is mijn troon met zicht op een wereld die ik op het punt sta te ontdekken. De huizen in Rum zijn klein, waterleidingen lopen gewoon over straat en asfalt is er nauwelijks. Hoge, grillige rotsformaties omarmen het dorp, in het schemerdonker lijken het goedaardige bewakers.

Loslaten

Enkele minuten later bereiken we de rand van het dorp, de bestuurder geeft goed gas en we stuiven recht de woestijn in. Er is geen weg tenzij in het hoofd van de bestuurder. Er zijn geen lantaarns behalve de ondergaande zon. Achter mij zie ik de lichtjes van Rum vervagen. Vóór mij is er enkel de rode weidsheid van de woestijn en de rotsen.

Even denk ik aan België en aan wie ik liefheb daar. En dan laat ik los. Geen wifi, geen bereik, geen regels en geen verplichtingen. Plots besef ik dat het dit is waar ik soms naar verlang: een leeg hoofd, alleen zijn maar niet eenzaam, niet weten wat er komt. Ik voel geen enkele behoefte.

De zon verdwijnt snel achter de horizon, onze jeep vormt het enige lichtpunt in het zachte zand. Zand heeft hetzelfde effect als sneeuw: het dempt de geluiden en de onrust in je ziel. Ik hoor de stemmen van de twee mannen vooraan. Het is geruststellend. Plots doemt vóór ons het licht van een andere jeep op. Als het voertuig even later naast ons stopt, wisselen twee mannen van jeep. De wissel gebeurt snel, niemand slaat acht op mij.

We zetten onze tocht verder. Ik heb geen idee waarom de wissel plaats vond en even vraag ik me af of het wel verantwoord was om in mijn eentje de woestijn in te trekken. Ik heb per slot van rekening verantwoordelijkheden. Wie zal het merken als deze bedoeïenen me in het zand begraven? Ik wuif de noodscenario’s weg en leun achterover.

Even later stoppen we opnieuw: de jeep zit vast in een berg zand. Ik zie al een volgend scenario opdoemen: de jeep duwen, echt? Ik besluit even af te wachten. Dan hoor ik een luid sissend geluid, wat is dat? Ik voel het voertuig zakken en realiseer me dat de mannen lucht uit de banden laten. Dat blijkt een beproefde methode: met bijna geen lucht in de banden en op vol toerental halen ze de jeep makkelijk uit het mulle zand.

Upgrade

Eindelijk maakt de jeep een flauwe bocht naar links. We stevenen af op een verzameling zwarte tenten, het kamp. Het is intussen pikdonker, er zijn nog weinig sterren te zien. Een bedoeïen van een jaar of veertig komt me tegemoet. ‘Sorry’, zegt hij, ‘het kamp is vol vannacht, we hebben geen tenten voor één persoon dus u zal in een grote tent slapen, het spijt me.’ Ik antwoord in het Arabisch dat het geen probleem is. In mijn oren klinkt het alsof ik een upgrade krijg, vanwaar de excuses?

‘Kijk, als je het licht uit wil, dan draai je aan de lamp, zo!’

Een beetje verwonderd volg ik de man naar een grote tent. Hij blijft zich verontschuldigen terwijl hij de deur opendoet. ‘Kijk, hier kan u vannacht slapen. Sorry voor de grote kamer.’ In een grote ruimte staan drie stalen eenpersoonsbedden, netjes opgemaakt met dekbedden bedrukt met Disneyfiguren. Vlak naast de deur bengelt aan een kabeltje een gloeilamp. De man toont me hoe het licht werkt: ‘Kijk, als je het licht uit wil, dan draai je aan de lamp, zo!’. Elektriciteit in de woestijn, simpel.

Hij toont me waar ik straks kan aanschuiven voor het avondmaal. In een klein gebouw iets verderop zijn de douches en toiletten. Dan verdwijnt hij. Ik sluit de deur met de eenvoudige grendel en plof neer op één van de bedden. De vermoeidheid van een dag reizen laat zich plots voelen. Wat ik ook voel, zijn de ijzeren springveren van het bed.

De inrichting van de tent is eenvoudig, maar voor de prijs die ik zal betalen, vind ik het allemaal heel luxueus. Ik vermoed dat de taxichauffeur Mohammad, die me van het busstation naar het huis van Suleiman bracht, opgroeide met minder comfort. Na het avondeten kruip ik vroeg onder het Disneydekbed in de woestijn.

Als ik de volgende ochtend om zeven uur wakker schrik van de wekker, druk ik voor één keer niet op de ‘snooze’-knop. Vandaag ga ik de rode woestijn ontdekken!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur