Klimaatbeleid en circulaire economie gaan hand in hand

‘Een koolstofarme economie is ook een materiaalarme economie’

Alex wong/Unsplash (CC0)

 

‘Een koolstofarme economie is ook een materiaalarme economie’, zo luidt de opmerkelijke conclusie van een studie die Ovam deze week publiceerde over het sterke verband tussen klimaatbeleid en circulaire economie. Het rapport en de 7 hapklare boodschappen in de begeleidende brochure zijn daarom essentieel leesvoer voor beleidsmakers die momenteel het nationaal klimaat- en energieplan 2030 opmaken.

Materiaalgerelateerd

Eerder onderzoek in vier OESO-landen (Duitsland, Slovenië, Australië en Mexico) geeft aan dat materiaalgerelateerde processen (de productie van goederen en brandstoffen, transport van goederen, voedselproductie en -stockage, afvalverwerking) samen goed zijn voor meer dan 50 tot 65 procent van hun totale broeikasgasuitstoot. Voor Vlaanderen komen die emissies volgens recente schattingen op basis van de Energiebalans Vlaanderen neer op ongeveer twee derde van de totale uitstoot.

De emissiekloof bestaat wereldwijd uit 26 miljard ton CO2-equivalent per jaar, daardoor stevenen we momenteel af op een opwarming van 3 graden Celsius.

Volgens onderzoeksbureau’s Ecofys en Circle Economy kunnen we via maatregelen in de circulaire economie minstens de helft van de huidige emissiekloof dichten. Die emissiekloof bestaat wereldwijd uit 26 miljard ton CO2-equivalent per jaar, en geeft weer hoeveel uitstoot we bovenop reeds bestaand beleid moeten reduceren om onder de 1,5 graden Celsius temperatuurstijging te blijven. Door die kloof stevenen we momenteel af op een opwarming van 3 graden Celsius.

Aangezien het rapport van Ovam glashelder aantoont dat er een lineair verband is tussen onze uitstoot en onze materialenvoetafdruk, is de boodschap duidelijk: een circulaire economie gericht op een daling van de consumptievoetafdruk (en niet louter op het sluiten van de kringloop) is een absolute voorwaarde om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen.

Koolstofvoetafdruk

‘We moeten varen op het juiste kompas. We mogen niet enkel kijken naar de CO2-emissies die in Vlaanderen optreden. Wat telt is hoeveel CO2 wereldwijd wordt uitgestoten door de Vlaamse consumptie.’ Het is een rechtstreeks citaat uit de brochure van Ovam, en een prikkelende gedachte.

Momenteel tellen we namelijk enkel onze territoriale emissies op, met andere woorden de uitstoot die we rechtstreeks kunnen toeschrijven aan ons eigen grondgebied. Die trachten we vervolgens te reduceren om onze Belgische en Europese klimaatdoelstellingen te halen, die op hun beurt weer onze bijdrage zijn om de internationale doelstellingen van Parijs te halen.

Niet alleen is die bijdrage ruim onvoldoende om Parijs te halen, nu blijkt dat de ‘koolstofvoetafdruk van de Vlaamse consumptie voor het grootste deel (88 procent) in het buitenland zit en dubbel zo hoog is als de territoriale emissies van Vlaanderen (128 Megaton CO2-equivalent versus 59 Megaton CO2-equivalent).’

De koolstofvoetafdruk die in bovenstaande grafiek is weergegeven, ‘brengt niet enkel de uitstoot in rekening die optreedt bij het gebruik van producten binnen Vlaanderen, maar ook de uitstoot die is opgetreden bij de ontginning, de productie en het transport van deze goederen buiten Vlaanderen. De uitstoot in Vlaanderen die optreedt bij de productie van goederen bestemd voor export, wordt niet verrekend in de koolstofvoetafdruk van de Vlaamse consumptie.’

Mogelijk nog belangrijker is de vaststelling dat die koolstofvoetafdruk in de 21ste eeuw in Vlaanderen is toegenomen -in tegenstelling tot de territoriale emissies. Zoals de grafiek (rechts) weergeeft, is dat vooral te wijten aan de productiefase, waarvan we nu weten dat de emissies voor het grootste deel in het buitenland zijn gecreëerd.

Waarom is dat belangrijk? Slechts 4 procent van de Vlaamse niet-ETS emissies zijn te wijten aan de afvalsector. Als je de consumptie in rekening brengt, zien we echter een heel ander beeld. Daarmee wordt het voor beleidsmakers en bedrijven veel duidelijker om maatregelen toe te passen op vlak van aankoopbeleid, hergebruik en recyclage, herlokaliseren van productie, plantaardige voedselstrategieën en nog veel meer. Volgens de huidige territoriale aanpak hebben zij immers geen klimaatvoordeel, waardoor ze vanuit het klimaatbeleid geen aandacht en financiële middelen krijgen.

 

Wolven in schaapsvacht

Hierbij past wel een belangrijke kanttekening. Sommigen komen immers in de verleiding om onze eigen verantwoordelijkheid aan de kant te schuiven, aangezien de grootste emissies immers buiten onze grenzen plaatsvinden. Dat is wat werkgevers en werknemers in een SERV-advies lijken uit te dragen.

Zo schrijven ze dat ‘het huidige [territoriale] perspectief nadelig is voor een open, dichtbevolkte, centraal gelegen regio als Vlaanderen met een energie-intensief industrieel profiel’. De consumptiegebaseerde aanpak ‘honoreert de hoge energie- en koolstofefficiëntie van de Vlaamse economie beter.’

Dat is misleidend, want hoe dan ook moet die zogenaamd efficiënte economie nog zwaar aan de bak om tegen 2050 een nuluitstoot te bereiken. We moeten met andere woorden de territoriale aanpak blijven volhouden, maar ook strategieën bedenken om onze consumptie koolstofvrij te maken.

Materialen minimaliseren, welzijn maximaliseren

Hoe moeten we dat concreet aanpakken? De recepten voor een circulaire economie zijn bekend. In eerste instantie hanteren we strategieën om bijvoorbeeld transport, verpakkingen of allerhande producten te vermijden. Anderzijds zijn we perfect in staat te voldoen aan tal van behoeftes via de inzet van alternatieven door minder materialen te gebruiken of door producten te voorzien van een langere levensduur.

Het is belangrijk dat strategieën zoals gedeeld gebruik, recyclage of circulair ontwerp op elkaar aansluiten, systeemverandering levert het beste resultaat op.

Het is belangrijk dat strategieën zoals gedeeld gebruik, recyclage of circulair ontwerp op elkaar aansluiten. Anders gesteld: niet zozeer efficiëntiewinst, maar systeemverandering levert het beste resultaat op, zoals een fictief voorbeeld uit het rapport van Ovam hieronder aantoont.

Een dergelijke op noden en behoeften georiënteerde economie leidt uiteindelijk tot een ingrijpende daling van CO2-uitstoot bij ontginning, productie, transport, gebruik en verwerking, gecombineerd met een groter welzijn, een kwalitatiever consumptieaanbod en meer lokale werkgelegenheid. Denk wat werkgelegenheid betreft maar aan herstel- en onderhoudsdiensten, remanufacturing, 3D-productie, ambachten en dergelijke.

Een verbeterd welzijn, verhoogde kwaliteit en sterke werkgelegenheid bieden bovendien de handvaten om weerstand te bieden aan klimaatverandering. Een circulaire economie met die kenmerken is namelijk flexibel, wendbaar en bestand tegen externe prijs- en grondstofschokken.

Ovam wijst bij wijze van voorbeeld zeer terecht op vernieuwende ideeën rond circulair en aanpasbaar bouwen, zodat onze infrastructuur kan inspelen op nieuwe fysieke en maatschappelijke noden, een veranderde socio-economische en demografische context, en wijzigende standaarden.

Daarom verdient de circulaire economie in het vaak technocratische debat rond klimaatadaptatie veel meer aandacht als strategie om met klimaatverandering om te gaan, inclusief de fondsen die op nationaal en internationaal niveau verdeeld worden.

Samenwerking en co-creatie

Als we het voorbeeld van Ovam in de bouw- en woningsector hernemen, kunnen we de vraag stellen hoe we kwaliteitsvol wonen voor iedereen, gespreid over een lange periode, kunnen verzekeren met een minimaal gebruik van grondstoffen. Wie heeft eigenaarschap over de grond en de grondstoffen die in de kringloop belanden? Wie levert de nodige energie- en materialendiensten op zich, en wie neemt daarin de beslissingen?

De voorbije decennia kende de wereldeconomie een leitmotiv gericht op efficiëntie, concurrentie en de markt. Dit kader past goed op een oneindige planeet en in een lineaire economie, maar in een circulaire context schiet het model te kort. Ovam haalt in de brochure het voorbeeld aan van het saneren en herontwikkelen van verontreinigde industriële sites.

In een klassieke groeieconomie ligt de focus op de ontwikkeling van greenfields, terwijl de klimaatimpact daarvan veel groter is dan het herontwikkelen van brownfields (zoals de rechtergrafiek ‘per built area’ in onderstaande afbeelding aantoont). Een klimaat- en circulair beleid richt zich dus best doelbewust op sanering, op verwerving en intensivering van activiteiten op een plek, meer tijdelijk gebruik en andere strategieën waarin planning, afstemming en samenwerking van cruciaal belang zijn.

Dit voorbeeld geeft aan dat een complexe en rechtvaardige circulaire economie pas mogelijk is dankzij een systeemperspectief gebaseerd op samenwerking en cocreatie, gedeeld eigenaarschap en een behoeftebenadering. In zo’n context is de markt vooral een instrument dat we heel doelgericht zullen inzetten, in bovenstaand voorbeeld via circulaire aanbestedingen binnen een bredere planmatige aanpak rond ruimtelijke ordening, mobiliteit, energievoorziening en dergelijke.

Die markt wordt vervolgens geflankeerd door een partnerstaat die op democratische wijze de grote lijnen uitzet, en een hecht en actief netwerk van commons die de meerwaarde uit open kennis, gedeelde goederen en infrastructuur, energie en meer ten goede laat komen aan de lokale gemeenschap.

Tijd voor een roadmap circulaire economie

Bij een ambitieus klimaatbeleid denken we doorgaans aan de transitie naar hernieuwbare energie, gekoppeld aan drastische energiebesparing. Deze twee pijlers zijn belangrijk, maar dekken lang niet alle broeikasgasemissies, zoals het rapport van Ovam helder aangeeft. Daarom is het nu tijd om werk te maken van een agenda die een circulaire, lokaal verankerde economie ontwikkelt die grondstofgebruik tot een minimum herleidt en welzijn maximaliseert.

De tijd is nu aangebroken om in België en daarbuiten te streven naar een meer strategische en participatieve aanpak.

Dit is een kolossale opdracht, waarover zeker niet iedereen het eens zal zijn. Er wachten ons nog vele taaie vraagstukken rond rechtvaardigheid, de baten en de kosten, de financiering en meer. Een fiscale taxshift van arbeid naar grondstoffengebruik, zoals reeds is voorgesteld in het Ex’tax project, is onvermijdelijk om lokaal kwaliteitsvolle producten te maken die lang meegaan, die we makkelijk kunnen onderhouden, aanpassen en hergebruiken en/of recycleren. Maar de violen daarover zijn nog lang niet gestemd.

Bovendien is het vandaag niet mogelijk om een duidelijke maatschappijvisie in het beleid door te voeren. De versnippering en verkokering op vlak van beleid, maar ook binnen verschillende sectoren, is nog te groot. De tijd is nu aangebroken om in België en daarbuiten te streven naar een meer strategische en participatieve aanpak.

Kort gesteld: we hebben nood aan een breed gedragen roadmap circulaire economie, dat in de slipstream van onze klimaat- en energiedoelstellingen via een participatief proces kan bijdragen tot ons klimaatbeleid.

Werk aan de winkel

Idealiter bevat de roadmap concrete doelstellingen voor grondstoffengebruik (waarvoor het Ovam rapport reeds een eerste aanzet geeft), en is ze gekoppeld aan een ambitieus industrieel economisch beleid rond circulaire economie.

We moeten daarin de ruimtelijke, ecologische en socio-economische dimensies op duurzame wijze zien te verenigen. Daarnaast houden we best rekening met de beperkte ruimte en symbiose tussen industriële actoren en partners in productie- en consumptieketens. Andere kernthema’s zijn werkgelegenheid, een rechtvaardige fiscale taxshift en een ondersteunend investeringsbeleid.

Tot slot kunnen we de circulaire economie verheffen tot een van de strategische speerpunten van het economische buitenlandse beleid op gebied van handel, investeringen, onderzoek en internationale partnerships.

Er ligt nog veel werk op de plank. Voor iedereen, maar vooral voor onze beleidsmakers. We zullen na de volgende verkiezingen in mei 2019 nood hebben aan inspirerende trekkers om dit proces te leiden. Een minister voor circulaire economie misschien? Geïnteresseerde kandidaten in elke partij mogen zich nu al voorbereiden om die rol op te nemen. Wij staan alvast klaar om hen een duw in de rug te geven.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift