Circulair bouwen: van stadswerf tot bouwmateriaal

Deze architecten vormen lokale aarde, klaar voor de afvalberg, om tot bouwstof

© Karlijne Geudens

 

Op een bijzondere productiesite aan de Brusselse Havenlaan rollen sinds donderdag voor het eerst leemstenen van de band, geperst van lokale aarde, opgegraven in Brusselse werven. De steenproducent in kwestie is BC Materials, een spin-off van het Brusselse architectenbureau BC architects & studies.

Naast leemstenen worden op de productiesite ook leempleister en stampleem gemaakt van diezelfde gronden. ‘Leempleister kan je gebruiken om muren mee af te werken, met stampleem kan je dan weer vloeren en niet-dragende binnenwanden maken’, legt Nicolas Coeckelberghs uit, medeoprichter van BC Materials en BC architects & studies.

Sinds 2012 experimenteert het architectencollectief volop met lokale materialen: ze bouwden een lemen bakkerstoog in Bokrijk met grind uit de Maas en leem uit de streek, in Stokkem bouwden ze in stampleem een uitkijktoren in een natuurpark en in een hangar in Fort V in Edegem maakten ze samen met een groep vrijwilligers een bioklas uit leemstenen. Met hun werk werd BC architects & studies vorig jaar geselecteerd voor de Architectuurbiënnale van Venetië.  

Uitgegraven aarde uit lokale werven transformeren tot bouwmaterialen: het lijkt een radicaal nieuwe manier om naar stedelijke grondstoffen en bouwmaterialen te kijken. En het is een stukje van de puzzel voor een probleem waar we vandaag steeds meer mee te kampen hebben. Volgens Jeroen Vrijders, hoofd van het Laboratorium Duurzame Ontwikkeling van het WTCB (Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf), stelt het probleem van grondoverschotten en waar ermee naartoe, zich steeds dringender. ‘Binnenkort wordt er bij de uitbreiding van de Haven van Antwerpen bijvoorbeeld dertig miljoen kubieke meter grondmengeling opgegraven. Zeker als je weet het niet heel lang zal duren voor er ook tekorten aan natuurlijk zand kunnen opduiken, is het zinvol te bouwen met lokaal beschikbare grondstoffen. Maar leembouw in België is vandaag nog erg niche.’

‘Binnenkort wordt er bij de uitbreiding van de Haven van Antwerpen dertig miljoen kubieke meter grondmengeling opgegraven’

Is die techniek van bouwen met lokale gronden wel zo nieuw?

Nicolas Coeckelberghs: Eigenlijk niet. Meer dan de helft van de wereldbevolking woont vandaag in lemen gebouwen. Een van onze eerste projecten als architectenbureau was in Muyinga, in Burundi, waar we samen met de lokale gemeenschap een bibliotheek bouwden. Daar legden we de basis van hoe wij nu aan architectuur doen. Het was er logisch om met lokale materialen te werken en zelf de materialen te produceren die we nodig hadden. We waren er zelf ook hoofdaannemer en moesten de werf organiseren. Na Burundi deden we ook projecten in Marokko en Ethiopië.

© Karlijne Geudens

 

We leerden er op een andere manier naar architectuur kijken: we ontwierpen niet enkel een gebouw, maar ook het proces om dat gebouw te maken. Daardoor kregen we meer vat op onze projecten, en we merkten ook dat er een soort ruimte ontstond voor vernieuwing. Terug in België probeerden we om wat we daar bijleerden, ook hier toe te passen - in de mate van het mogelijke.

‘In Burundi leerden we niet alleen hoe een gebouw te ontwerpen, maar ook het proces om dat gebouw te maken’

In België gebouwen uit aarde optrekken lijkt inderdaad niet vanzelfsprekend.

Coeckelberghs: Die extra rollen opnemen als aannemer of producent van bouwmaterialen, brengt risico met zich mee. Omdat je dan bepaalde verantwoordelijkheden neemt die niet standaard in een architectenpakket zitten. Maar in Afrika was het een logische manier van werken. En voor ons klopte het ook zo.

We werken ontzettend graag met natuurlijke materialen, met ruwe aarde en ongebakken gronden, maar bijvoorbeeld ook met hennep, kalk, stro en hout. Die materialen hebben een slechte naam. In Afrika worden ze gezien als materiaal voor de armen, bij ons als materiaal voor de hippies. Wij proberen die natuurlijke materialen een moderne, hedendaagse uitstraling te geven, maar het is zo dat het vandaag bij ons nog over een nichemarkt gaat.

Hoe doe je dat eigenlijk, opgegraven grond omvormen tot bouwmaterialen?

Coeckelberghs: Tot nu toe gingen we met een ‘mobiel machinepark’ - een pers, een menger, en meer - op bezoek bij bouwwerven. Maar omdat de aarde op sites meestal niet direct bruikbaar is, combineren we doorgaans verschillende grondstoffen uit de buurt. Door de jaren leerden we welke mixen het beste resultaat geven.

In ons proces letten we erop dat we het milieu zo weinig mogelijk belasten. Ons machinepark is bijvoorbeeld mobiel omdat we zo de CO2-uitstoot door transport van zware bouwmaterialen kunnen beperken.

Maar nu was het toch tijd voor een vaste productiesite?

Coeckelberghs: Ja. De stroom aarde die uit Brussel wordt afgevoerd, is enorm: jaarlijks ongeveer twee miljoen ton. In Vlaanderen gaat het om twintig miljoen ton. Door die gronden te herwaarderen, zoals wij doen, houden we een deel ervan hier in omloop.

‘Jaarlijks wordt uit Brussel ongeveer twee miljoen ton aarde afgevoerd. In Vlaanderen gaat het om twintig miljoen ton’

Naar waar worden die gronden vandaag afgevoerd?

Coeckelberghs: Naar groeves, maar die geraken elke dag voller. Op een dag gaat er geen plaats meer zijn. Daarom werken we ook goed samen met De Meuter, een groot grondwerkbedrijf: zij voelen dat er echt een probleem is, want waar moeten ze met hun gronden naartoe als er geen plaats meer is om ze te dumpen?

Twee miljoen ton is een enorm volume.

Coeckelberghs: Klopt. En deze grondstoffen worden vandaag beschouwd als afval. We moeten op zoek naar een manier dit afval naar waarde te schatten. Als we volgend jaar met BC Materials nog maar één procent van de uitgaande Brusselse stroom zouden kunnen omvormen, zouden we ontzettend blij zijn.

Zijn de Brusselse gronden dan niet vervuild?

Coeckelberghs: Neen. Van de gronden die in Brussel worden opgegraven, is ongeveer dertig procent vervuild. Wij gebruiken onvervuilde, onverstoorde grond - die nooit is aangeraakt door mensen. Daarenboven is de Brusselse geologie is ook fantastisch. Er zijn zandgronden - brusseliaanzand - en daaronder zit klei. Die twee materialen zijn de hoofdbestanddelen van onze bouwmaterialen.

Stel, je bouwt een muur uit stampleem. Wat als je die wil afbreken?

Coeckelberghs: Het handige aan die natuurlijke materialen is dat ze na gebruik terug naar de natuur kunnen gaan, zonder schadelijke effecten. Je kan ze ook hergebruiken zonder zware recyclageprocessen. Losse leem is het enige bouwmateriaal waar je - als je het verkruimelt en er water aan toevoegt - weer exact dezelfde muur mee kan produceren.

© Karlijne Geudens

 

‘Met losse leem als bouwmateriaal kan je - als je het verkruimelt en er water aan toevoegt - weer exact dezelfde muur produceren’

Dat ligt natuurlijk anders voor beton.

Coeckelberghs: Beton is eigenlijk de rolls royce van de bouwmaterialen. Het is een fantastisch materiaal dat grote overspanningen mogelijk maakt, maar beton heeft een hoge CO2-afdruk en put grondstoffen uit. Als je beton dan gebruikt om een muurtje mee te bouwen dat slechts één verdieping draagt, gooi je die grondstoffen eigenlijk gewoon weg.

Daarnaast is beton moeilijk te recycleren. Je kan het enkel downcyclen, terugbrengen tot steentjes. Als je het dan opnieuw wil inzetten, bijvoorbeeld in nieuw beton, ga je terug grondstoffen moeten toevoegen. Dat is allemaal niet het geval met ruwe aarde.

Waarom gebruiken we dan zo massaal beton?

Ken De Cooman, mede-oprichter van BC Materials en BC architects and studies): ‘Het gaat allemaal veel logischer worden om voor biogebaseerde of circulaire producten te kiezen als ook de ecologische kosten meegenomen in de cementprijs, en als de Europese steun voor cementproductie zou stoppen.’

Het klopt dat de cementproductiesector de tweede grootste CO2-vervuiler ter wereld is. Vooral het productieproces, een energie-intensief ovenproces, is erg vervuilend. Vorig jaar verscheen een rapport van Climate Action Network (CAN), een Europese ngo-coalitie die meer dan 150 organisaties samenbrengt die zich inzetten voor klimaatvraagstukken. In het rapport wordt de buitensporige Europese steun voor energie-intensieve industrie aangeklaagd.

‘Onder het voorwendsel van de Europese industrie te beschermen tegen competitief nadeel, mogen energie-intensieve sectoren - onder het emissiehandelssysteem of ETS - meer vervuilen dan werkelijk nodig’ is, stelt Klaus Röhrig, coördinator Energie en Klimaatbeleid bij CAN. ‘Dat levert hen buitensporige winsten op: tussen 2008 en 2015 vloeide er zo maar liefst vijf miljard euro naar de cementindustrie in twintig Europese landen, waaronder België. Ondanks een recente hervorming van het emissiehandelssysteem zal dit blijven duren tot 2030. Bovendien profiteren energie-intensieve industrieën van subsidies voor fossiele brandstoffen en bestaan er in veel lidstaten zeer gunstige belastingmaatregelen voor hen.’

‘Onder het voorwendsel van de Europese industrie te beschermen tegen competitief nadeel, mag de cementindustrie meer vervuilen dan werkelijk nodig is’

De Cooman: ‘Maar we zijn natuurlijk niet tegen beton. Wel pleiten we ervoor om beton anders in te zetten. Neem nu onze nieuwe productiesite, die ligt op een “wachtgrond” van de stad die we tijdelijk huren. Daarom bouwden we de vloer op uit prefab betonplaten van twee op twee meter. De muren bestaan uit stapelbare betonblokken. Het zijn bouwstenen die we na gebruik gewoon kunnen weghalen en ergens anders neerzetten. Dat is voor ons een logische manier om met beton te werken.’

Wat staat er nog op de planning?

De Cooman: Over een jaar of drie willen we ook letterlijk gaan verhuizen: ons boeltje bijeenrapen, het op de vrachtwagen zetten en verhuizen in de stad. (lacht) Maar eerlijk, die tijdelijke oplossing was voor ons de enige mogelijkheid om als start-up te kunnen produceren in de stad. Bijna alle ruimte voor “maken” in de stad is verdwenen.

© Karlijne Geudens

 

‘Toen wij architectuur studeerden - begin jaren 2000 - ging het steeds over architectuur met de grote A. Bijna niemand dacht serieus na over de milieu-impact van de bouwsector’

We zouden graag leembouw in de Benelux meer op de kaart zetten. Eigenlijk bestaat er niet veel. Verschillende leemsteenproducenten hebben in het verleden geprobeerd om door te breken op de markt, maar tot nu toe zonder groot succes.

Is de situatie nu dan anders?

De Cooman: Misschien. We merken bij de jonge generatie alvast een verschil in mentaliteit met de mensen die al lang bezig zijn. Zeker toen wij architectuur studeerden - begin jaren 2000 - ging het steeds over architectuur met de grote A. Bijna niemand dacht serieus na over de milieu-impact van de bouwsector. Dat is nu wel anders. Die interesse merken we bijvoorbeeld bij onze workshops: die zitten altijd meteen vol. Wij zijn alvast hoopvol.

Tot 2 juni loopt in het CIVA in Brussel The Act of Building, een expo over BC architects & studies.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van Vlaanderen Circulair.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Journaliste, tentoonstellingsmaker en leerkracht

    Isabelle Vanhoutte (º1987) is freelance journaliste en geeft sinds 2016 verslag over bottom-up-initiatieven rond duurzaamheid en circulaire economie.