Afrikaans Egypte wil zijn eigen lente

Het oude vaderland roert zich

Egypte is even Afrikaans als het Arabisch is. Dat zeggen de Nubiërs in Egypte, die al bijna vijftig jaar strijden voor gelijke rechten en erkenning. Anderhalf jaar na de revolutie, zijn ze vastbesloten om komaf te maken met de ongelijkheid.

  • CC Kostas Kokkinos Het dorpsplein van een Nubisch dorp. Met 5 miljoen mensen vormen de Nubiërs een minderheid in Egypte die niet als zodanig wordt erkend. CC Kostas Kokkinos
  • Dirk Wanrooij Gamal Hamza en Ahmed Kajouji, twee Nubiërs die in de jaren zestig verplicht moesten verhuizen voor de aanleg van een stuwmeer. Dirk Wanrooij

Op de voorheen egaal crèmekleurige muren van het Egyptisch parlement in hartje Caïro staat met haastige rode letters een boodschap gericht aan ’s lands volksvertegenwoordiging: Ayna haqq al nuba? Waar zijn de rechten van de Nubiërs? Het is een teken van de tijd. De Nubische kwestie was jarenlang taboe, maar in postrevolutionair Egypte worden taboes nog dagelijks doorbroken en proberen gemarginaliseerde groepen hun eisen kenbaar te maken.

Fatma Emam is van een nieuwe generatie Egyptenaren. De revolutie vormde haar politieke bewustzijn en veranderde haar in een geëngageerde jonge vrouw. Als Nubische feministe van in de twintig en medeoprichtster van de Nubische Democratische Jeugdunie geldt ze als een van de woordvoerders van een nieuwe generatie activisten die strijden voor een nieuw Egypte waarin de Nubische identiteit gerespecteerd wordt.

In haar sobere kantoor in de Egyptische hoofdstad Caïro vertelt ze dat haar Nubische afkomst ook voor haar een ontdekking was. ‘Mijn ouders zijn gearabiseerde Nubiërs die zelf ook in de stad geboren en getogen zijn. Zij hadden niets met ons oude vaderland en de gewone Egyptenaren weten al helemaal niets over Nubië. Pas toen ik politicologie ging studeren, ontdekte ik dat ik tot een etnische minderheid behoor en dat die minderheid in Egypte, goed voor vijf miljoen mensen, totaal niet als zodanig wordt erkend.’

‘Tijdens de revolutie’, gaat Emam verder, ‘deden we mee als Egyptenaren en niet als Nubiërs. We zouden geen leuzen gebruiken over de Nubische kwestie. Dit om de eenheid te bewaren die nodig was om Moebarak te verdrijven. Na zijn vertrek zou er genoeg tijd zijn om over de rechten van de Nubiërs te beginnen, en dat is wat we nu doen.’

Met ‘ons oude vaderland’ verwijst Emam naar wat in de oudheid bekend stond als het ‘Land van Goud’ tussen de eerste en de zesde stroomversnelling van de Nijl. In dit gebied, gelegen in het huidige grensgebied tussen Egypte en Soedan, leefden de Nubiërs duizenden jaren op het constante ritme van de omgeving, langs de oevers van de Nijl.

Een serie dammen –waarvan de laatste, de befaamde Hoge Dam bij Aswan, voltooid werd in 1970– maakte echter een abrupt einde aan de Nubische manier van leven. Vierenveertig Nubische dorpen ten zuiden van Aswan moesten in 1964 plaats maken voor het Nassermeer, een van de grootste stuwmeren ter wereld, vernoemd naar voormalig president en initiatiefnemer van de Hoge Dam, Gamal Abdel Nasser.

Deze gebeurtenis wordt door Nubiërs ‘al-tahgir’ genoemd, ‘de gedwongen migratie’. Het Land van Goud werd een land van water, en de Nubiërs werden gedwongen te verhuizen.

De nubische kwestie


© MO*

In het stoffige dorpje Balana, enkele tientallen kilometers ten noordoosten van Aswan, woont Gamal Salah Hamza, een potige Nubiër van bijna zeventig. Zijn dorp is een van de nieuw gebouwde dorpen van het zogenaamde Nasser El-Nuba, het gebied waar de Nubiërs na de bouw van de Hoge Dam en masse naartoe werden gebracht. Met schorre stem maar vol passie vertelt hij in de eenvoudige woonkamer van zijn huis over het onrecht dat hem en zijn volk is aangedaan.

‘Ik was twintig toen ons op een dag werd verteld dat we moesten verhuizen. Zogenaamd om het landsbelang te dienen. Heel Egypte zou door de nieuwe dam van stroom worden voorzien, en wij moesten daarvoor wijken. Maar de elektriciteit van de dam wordt verkocht en wij hebben nooit iets van de winsten gezien.’

‘De nieuwe locatie, zo kregen we te horen, zou bovendien minstens even goed zijn als de oude. Gouden bergen werden ons beloofd en wij waren verschrikkelijk naïef. Uiteindelijk werden we met een kluitje in het riet gestuurd.’

De muren van het huis van Gamal Hamza zitten vol scheuren. Deuren en ramen hangen scheef in hun kozijnen en kabels steken door het plafond naar buiten. ‘De grond hier is niet goed om op te bouwen, het is woestijn. Het zand waarop de huizen staan is niet stabiel, met verzakkingen als gevolg.’

‘Vroeger, voor de migratie, woonden we in prachtige huizen die perfect pasten bij de omgeving en het klimaat. Wij leefden daar in perfecte harmonie met de omgeving. Hier voelen we ons als vissen op het droge.’

Zijn compagnon en lokaal bestuurder van de Algemene Nubische Bond, de vierenzestigjarige Ahmed Kajouji, valt hem bij. ‘De huizen die we hier in Nasser El-Nuba aantroffen, de landbouwgrond, het water, de infrastructuur, alles was van minderwaardige kwaliteit en haastig uit de grond gestampt. Uiteindelijk hebben we hier heel erg veel zelf moeten doen en daar zijn we nooit voor gecompenseerd. Nog altijd reageren de verantwoordelijke instanties onverschillig als wij onze problemen aankaarten.’

Toch is de materiële kant van het verhaal slechts bijzaak. Nippend van een koud glas abreq – een traditioneel Nubische drank tijdens de ramadan, gemaakt met limoensap, broodsnippers, water en suiker – benadrukt Kajouji dat het verlies van de cultuur de grootste ramp is. ‘Het Nubische volk was één met de rivier, de Nijl betekende alles voor ons. Onze verhalen, onze gebruiken en onze cultuur zijn gevormd door de stroom van de Nijl. Een cultuur met een geschiedenis van meer dan zesduizend jaar! Nu zijn we ontworteld, en leven we meer dan twintig kilometer van de rivier in een stoffige, onvruchtbare vlakte.’

De ontworteling die Kajouji noemt heeft verstrekkende sociale gevolgen gehad voor de Nubische minderheid in Egypte. In plaats van zich te vestigen op de minderwaardige grond van Nasser El-Nuba trokken velen van hen naar steden als Caïro en Alexandrië, waar ze meestal onder aan de sociale ladder terechtkwamen. Zij beschikten in veel gevallen niet over de vaardigheden die nodig waren voor een succesvol bestaan in de stad en kregen bovendien te maken met racisme. Lange tijd werden Nubiërs aangeduid als ‘barbar’, wat komt van het woord ‘barbaar’, of ‘abd’, wat ‘slaaf’ betekent. De dommige maar loyale Nubische conciërge, schoenpoetser of bediende werd een bekend stereotype in de Egyptische populaire cultuur.

Volgens Hassan Gamal, leraar Engels en bestuurslid van een Nubische sociëteit in de Caïreense volkswijk Sayyida Zeinab, wordt dit beeld nog altijd in stand gehouden. ‘In kinderboeken en films, zelfs in officieel lesmateriaal wordt dit stereotype nog altijd herhaald. En dit kunnen we natuurlijk niet blijven accepteren. De Nubische kwestie gaat dus om veel meer dan alleen land of andere materiële zaken, het gaat om culturele erkenning en respect.’

Ook volgens Gamal Hamza en Ahmed Kajouji is de landkwestie niet het belangrijkste. ‘De oevers van het Nassermeer zijn nauwelijks vruchtbaar’, aldus Kajouji. ‘Als we daarheen zouden gaan, moet er eerst heel veel geïnvesteerd worden in de omgeving en dat is niet realistisch. Gedane zaken nemen geen keer. Maar het is wel belangrijk dat wij als Nubiërs worden betrokken bij wat er met het gebied gebeurt. Onder Moebarak werden grote stukken land verkocht aan rijke, vaak buitenlandse investeerders en werd er geen rekening gehouden met de wensen van de oorspronkelijke Nubische bevolking. Onze relatie met het gebied werd ontkend. Dat kan niet langer doorgaan en tegen dergelijk beleid zullen we ons verzetten.’

De woorden van Kajouji zijn niet zonder betekenis. Op 19 juli raakten enkele honderden Nubische jongeren slaags met de politie na protest tegen de verkoop van een stuk land aan de rand van het Nassermeer aan een Saoedische investeerder. Na het ingrijpen van de kersverse president Mohamed Morsi werd de verkoop geannuleerd. Maar het is de vraag of de nieuwe regering werkelijk een ander beleid zal voeren ten opzichte van de Nubiërs.

Een veiligheidsperspectief

Sinds de Egyptische onafhankelijkheid speelt het leger een centrale rol in de Egyptische politiek. In 1952 leidde de populaire kolonel Gamal Abdel Nasser een militaire coup en vestigde de eerste republiek. In vrijwel elk land in de regio laaide vervolgens de strijd om onafhankelijkheid op en Nasser profileerde zich als woordvoerder van wat hij de Arabische natie noemde. In deze theorie, het Arabisch nationalisme, bestond geen ruimte voor minderheden en werd het bestaan van etnische minderheden als de Nubiërs, maar ook van bijvoorbeeld de Amazighen of Berbers in andere delen van de Sahara, systematisch ontkend.

De zogenaamde Nubische kwestie was daardoor decennialang een taboe in Egypte. De militaire Egyptische staat onder Moebarak en voorgaande presidenten benaderde de wensen van de Nubiërs uit een veiligheidsperspectief. Een etnische minderheid aan de zuidgrens van Egypte, die ook nog eens verwantschap claimt met een minderheid in buurland Soedan, vormde een reële bedreiging voor de eenheid van Egypte.

De Nubische taal, die in de verste verte niet verwant is met het Arabisch, kwam bekend te staan als dialect van het Arabisch en de Nubische geschiedenis werd langzaam uit het collectieve geheugen gewist.

In Egypte wordt dit gedachtegoed nog altijd uitgedragen door de top van het leger. De oude generaals verenigd in Hoge Militaire Raad (HMR), die de macht overnamen van Moebarak in februari van vorig jaar, stammen bijna allemaal uit het Nasser-tijdperk. En hoewel de macht officieel is overgedragen aan president Mohamed Morsi, de eerste president zonder militair verleden, zullen de strijdkrachten een stevige vinger in de pap houden.

Daarmee is de Nubische kwestie direct verbonden met de transitie in Egypte. De rol van het leger in het nieuwe Egypte is immers hét struikelblok gebleken in de overgang van dictatuur naar democratie. De intenties van het leger werden duidelijk in een grondwettelijk amendement van de HMR op 19 juni jongstleden. Deze zogenaamde constitutionele verklaring stelt dat het leger de eindverantwoordelijkheid behoudt voor de binnenlandse veiligheid en de regionale stabiliteit. 

‘De strijd van de Nubiërs is dus verbonden met de bredere strijd voor mensenrechten en democratie in Egypte’, stelt de veertigjarige Nubische Manal Al-Tibi. Zij voert het gevecht in de frontlinies van de politieke transitie. Als voorzitster van het Egyptische Centrum voor het Recht op Huisvesting en als bekende Nubische activiste is zij lid van de honderd leden tellende grondwettelijke vergadering die de nieuwe grondwet moet opstellen.

Volgens haar is het nationalistische veiligheidsdenken onderdeel van het militaire erfgoed van het Moebarak-regime. ‘En dat zit nog altijd erg diep geworteld in de Egyptische samenleving. Ik ondervind in de grondwettelijke vergadering enorm veel tegenstand en racisme als het gaat over de rechten van de Nubiërs.’

In de conceptversie van de nieuwe grondwet wordt Egypte omschreven als ‘een natuurlijk onderdeel van de Arabische en islamitische natie’. Verder staat er dat Egypte ‘sterke banden heeft met Afrika’. Volgens Al-Tibi vat die omschrijving het probleem goed samen. ‘Egypte is even Afrikaans als het Arabisch is, maar dat zul je in Egypte nooit horen. Het succes van de revolutie is voor mij afhankelijk van de mate waarin we kunnen afrekenen met dit soort achterlijke en ouderwetse ideeën over identiteit die dit land al vijftig jaar in een ijzeren greep houden.’

Fatma Emam sluit zich daarbij aan. ‘Het is onzin om identiteit zo te beperken. Ik hoop op een toekomst waarin ik vrijelijk Nubisch, Egyptisch, Afrikaans, Arabisch, moslim én feministe kan zijn zonder dat die begrippen met elkaar botsen. Dit is het moment waarop alle Egyptenaren gezamenlijk de fundamenten moeten leggen voor die toekomst. We hebben de opdracht om een einde maken aan geïnstitutionaliseerd racisme en machtsmisbruik en de kans om een nieuw sociaal contract op te stellen waarin gelijkwaardigheid vooropstaat en de Nubische identiteit en het Nubische culturele erfgoed worden gerespecteerd.’

‘Maar dan moeten we wel lawaai maken’, zegt ze zelfverzekerd. ‘In de aanloop naar de presidentsverkiezingen voelde iedere kandidaat zich gedwongen om een standpunt in te nemen over het lot van de Nubiërs. Nu moeten wij er zelf voor zorgen dat het niet bij woorden blijft.’

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3277   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift