De wil om te demonstreren is bij vrouwen nog nooit zo groot geweest

Vrouwen in de frontlinie: de andere revolutie van Soedan

© AFP

 

Exit Al-Bashir

Vier maanden na het begin van een volksopstand is op 11 april een einde gekomen aan de heerschappij van president Omar al-Bashir. In 1989 kwam de man na een militaire staatsgreep aan de macht. Dertig jaar later kiest zijn leger nu de kant van de betogers en wordt zijn lot zo op dezelfde manier bezegeld.

Een verdrievoudiging van de broodprijzen was voor de Soedanezen de druppel te veel. Sinds de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan in 2011 is het land de toegang tot een belangrijk deel van zijn olievoorraden kwijt. Sindsdien is de economie van Soedan in vrije val. De verhoging van de broodprijzen leidde tot een golf van protesten die begonnen in de stad Atbara en zich verspreidde naar andere secundaire steden en het platteland, om uiteindelijk ook de hoofdstad te bereiken. Een zitstaking voor het militaire hoofdkwartier in Khartoem deed het leger uiteindelijk de steun voor de president opzeggen.

Vice-president en minister van Defensie Ahmed Awad Ibn Auf kondigde op 11 april aan dat Omar al-Bashir ontheven is uit zijn functie en onder arrest is geplaatst. De luitenant-generaal roept de noodtoestand uit en ontbindt het parlement en de regering. Het land zal drie maanden in staat van beleg zijn. Ibn Auf deelt mee dat het land twee jaar lang door een militaire junta onder zijn leiding bestuurd zal worden.

Het Internationaal Strafhof klaagde in 2009 Omar al-Bashir aan voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Sindsdien wordt de man gezocht voor de rol die hij gespeeld heeft in de genocide in de West-Soedanese regio Darfoer. Of de leider zal worden uitgeleverd aan Den Haag is op dit moment nog onduidelijk.

 

Kennelijk was Hassan Ismail, de nieuwbakken minister van Informatie, zelf maar beperkt geïnformeerd, toen hij vorige week een reporter probeerde duidelijk te maken dat de huidige volksopstand in Soedan niets met politiek te maken heeft. De minister gaf toe dat zijn land een economische crisis doormaakt, maar een politieke crisis? Neen, dat wilde hij niet hebben gezegd. Nochtans komen al sinds eind december duizenden demonstranten de straat op, om het ontslag te eisen van president Omar al-Bashir en zijn corrupte entourage. Ze worden verantwoordelijk gehouden voor een groot aantal fiasco’s, zoals de burgeroorlog in Darfoer, de abjecte armoede of de afsplitsing van Zuid-Soedan.

De demonstranten eisen in de eerste plaats “vrijheid, vrede en gerechtigheid” voor alle burgers, maar een nieuwe generatie vrouwen wil er, koste wathet kost, voor zorgen dat ook hun situatie verbetert na de val van al-Bashir. Want tijdens zijn dertigjarige bewind hebben zij het hardst in de klappen gedeeld. Dat ze nu ook de straat op komen, hoeft daarom niet te verbazen. Wél dat ze zo talrijk zijn: volgens schattingen vertegenwoordigen vrouwen maar liefst zeventig procent van de demonstranten.

‘Mannen lijken onze aanwezigheid op straat nu wel te aanvaarden.’

Een van hen is de prille dertiger Rania. Samen met haar familie woont ze in de hoofdstad Khartoem, waar ze aan bijna alle marsen heeft deelgenomen. ‘Behalve die van vorige week’, zegt ze, ‘want toen was ik opgepakt.’

Volgens Rania is de wil om te demonstreren bij vrouwen nog nooit zo groot geweest: ‘In het verleden mochten we van onze ouders niet deelnemen aan zulke publieke acties, uit angst voor seksuele intimidatie of verkrachting. Of omdat ze vreesden dat we de reputatie van de familie zouden besmeuren. Bovendien werden we door de mannen nooit serieus genomen: ze weigerden onze hulp, omdat we in hun ogen “zwak” waren. Maar daar komt stilaan verandering in. Mannen lijken onze aanwezigheid op straat nu wel te aanvaarden.’

Repressie en geweld

Sinds het uitbreken van de protesten hebben de veiligheidstroepen van de regering met harde hand opgetreden. Om de demonstranten uit elkaar te drijven, gebruiken ze traangas, knuppels en kogels. Daarbij vielen intussen meer dan vijftig doden, hoewel het officiële cijfer beduidend lager ligt. Duizenden demonstranten werden gearresteerd; sommigen in de eigen huiskamer, anderen werden zonder reden van straat geplukt en verdwenen in zogenaamde “ghost houses”, detentiecentra waar wordt mishandeld en gemarteld.

‘Uiteindelijk werden we na vijf uur weer vrijgelaten, omdat een van de mannen had ontdekt dat we dezelfde achternaam hebben, en we dus familie van elkaar konden zijn.’

Rania herinnert zich de eerste keer dat ze werd opgepakt: ‘Samen met een vriendin was ik op weg naar een demonstratie, toen we plots werden omsingeld door zeven witte Toyota pick-ups. De agenten sloegen ons met verschrikkelijke knuppels en dwongen ons in te stappen in een van de pick-ups, waarna ze ons naar hun buurtkantoor brachten. Daar moesten we onze telefoon afgeven en werd ons gevraagd waarom we demonstreerden – terwijl we niet eens bij de demonstratie aanwezig waren! Omdat we hun probeerden voor te liegen dat we niet wisten dat er in de buurt een demonstratie aan de gang was, dreigden ze ons mee te nemen naar een donkere kamer waar we zouden worden gemarteld. We kregen de meest verschrikkelijke beledigingen te horen, want volgens hen zijn vrouwelijke demonstranten “immoreel”. Uiteindelijk werden we na vijf uur weer vrijgelaten, omdat een van de mannen had ontdekt dat we dezelfde achternaam hebben, en we dus familie van elkaar konden zijn.’

Digitaal verzet

Ondanks het geweld blijven vrouwen onversaagd in de vuurlinie lopen. Filmpjes van vrouwelijke demonstranten die onder luid applaus van hun mannelijke collega’s afgeschoten bussen traangas oprapen en teruggooien naar de veiligheidsagenten, of ongewapend afstormen op militaire tanks, worden op sociale media massaal gedeeld. Want ook daar gaat de strijd onverminderd voort.

‘Met een aantal groepen op WhatsApp en Facebook, zoals Mehira of The women’s union, geven we onze revolutie een nieuw elan’, zegt Rania. En met succes. Een aantal van die groepen is intussen zo populair geworden dat sommige demonstranten menen dat hierdoor het geweld is afgenomen.

De Facebookgroep die het meest in het oog springt is Minbar Chat. Aanvankelijk was het een soort roddelclubje voor vrouwen, waar ze terecht konden met vragen over mannen op wie ze een oogje hadden. Als ze eenmaal een man in het vizier hadden, plaatsten ze een foto, of stelden ze een aantal gerichte vragen, waarop de andere leden meteen informatie gaven over wie hij was, waar hij woonde en – niet onbelangrijk – of hij al was getrouwd.

Maar tegenwoordig wordt de groep gebruikt om agenten te ontmaskeren die zich schuldig hebben gemaakt aan machtsmisbruik en geweld. En dat verloopt volgens hetzelfde principe: vrouwen plaatsen een foto of een filmpje en de andere leden verschaffen alle details over hun identiteit. Minbar Chat is intussen zo bekend, dat agenten op straat hun gezicht beginnen te bedekken uit angst om een gespreksonderwerp te worden.

‘Nette meisjes protesteren niet’

In 2016 publiceerde Human Rights Watch een uitgebreid rapport dat agressie tegenover vrouwelijke activisten en demonstranten in kaart probeerde te brengen. Daaruit blijkt dat vrouwen worden geconfronteerd met vormen van agressie en misbruik waarmee mannen minder snel te maken hebben, zoals seksueel geweld of intimidatie.

Deze vormen passen in een ruimere context van geïnstitutionaliseerde genderongelijkheid. Dat wil zeggen dat het wettelijke kader de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in stand houdt, en zelfs versterkt. Een raamwerk van vage wetten, zoals de “wet op bevordering van deugd” of de “wet op de openbare orde”, bepaalt hoe vrouwen zich in het openbaar horen te gedragen, hoe ze zich moeten kleden of met wie ze mogen omgaan. Wie zich verzet, riskeert onder meer zweepslagen of steniging. Elk jaar worden zo duizenden vrouwen bestraft.

Een handvol wetten bepaalt dat vrouwen ook binnen de eigen familie formeel een lagere status hebben dan mannen.

Een van de meest besproken rechtszaken is die van Lubna Hussein. Samen met twaalf andere vrouwen werd ze in juli 2009 opgepakt omdat ze in het openbaar een broek droeg. Tien van hen bekenden “schuld” en werden meteen bestraft met zweepslagen en een fikse geldboete. Maar omdat ze aan de slag was als journaliste voor de Verenigde Naties, genoot Hussein diplomatieke onschendbaarheid. Zo ontliep ze de zweepslagen, maar moest ze nog wel de boete betalen. Hussein weigerde dat en sleepte haar zaak voor de rechter, waar ze – overigens gekleed in dezelfde broek – een vurig pleidooi hield voor de afschaffing van een wet die ‘immoreel en ongepast gedrag’ strafbaar maakt.

Maar niet alleen in de publieke ruimte worden vrouwen gediscrimineerd. Een handvol wetten bepaalt dat ze ook binnen de eigen familie formeel een lagere status hebben dan mannen. Bijgevolg zijn ze wettelijk niet beschermd tegen huishoudelijk geweld, hebben ze minder rechten bij echtscheidingen of kunnen ze geen kant op als ze zich eenvoudigweg thuis niet veilig voelen.

Vorig jaar lokte de zaak van Noura Hussein heel wat verontwaardiging uit. Het meisje was amper vijftien jaar toen ze door haar vader werd gedwongen om te trouwen – in Soedan mag dat wettelijk vanaf tien jaar. Toen ze weigerde seks te hebben met haar vijfendertigjarige echtgenoot, trommelde hij twee broers en een neef op om hem te helpen het meisje te verkrachten, wat binnen het huwelijk is toegestaan. Een tijd later wilde hij haar opnieuw dwingen tot seks, maar Hussein greep een keukenmes en stak hem dood. Vorig jaar werd het meisje veroordeeld tot de doodstraf door opknoping, een straf die zou worden omgezet in een celstraf van vijf jaar en een geldboete van zevenduizend euro.

Septemberwetten

De huidige wetgeving kent een lange en woelige geschiedenis, die tevens de geschiedenis is van de vele tegenstellingen in het land: tussen het noorden en het zuiden, tussen vrijheid en repressie, gematigd en orthodox.

Een eerste schets werd gemaakt onder president Jafaar Nimeiri. Die gold nochtans niet als islamist toen hij aan de macht kwam. Hij onderhandelde het Vredesakkoord van Addis Abeba (1972), garandeerde meer autonomie voor het christelijke en animistische zuiden en maakte zo een einde aan de eerste Soedanese burgeroorlog.

Maar tien jaar later was de band met het zuiden verbrokkeld en voelde Nimeiri de hete adem van de radicaal islamitische Moslimbroeders in zijn nek. Hij verbrak het vredesakkoord en duidde Hassan al-Turabi, de geestelijke leider van de Moslimbroeders, aan als procureur-generaal. Met zijn hulp voerde Nimeiri in september 1983 een nieuwe wetgeving in die vrij gebaseerd was op de sharia.

‘Wij gaan niet de straat op om de afschaffing van de islam te eisen, maar we willen een wetgeving die gebaseerd is op de juiste islamitische principes: vrijheid, gelijkheid en gerechtigheid.’

Dat verliep echter niet zonder tumult. In het zuiden braken opstanden uit, omdat de burgers als christenen of animisten niet wilden worden berecht middels de sharia. In het noorden vonden heel veel moslims dan weer dat de wetgeving in strijd was met hun perceptie van de islam.

‘En dat is nog steeds zo’, meent Bushra Gamar van de mensenrechtenorganisatie HUDO. ‘Toen al-Bashir met de hulp van al-Turabi aan de macht kwam, plukten ze voor het nieuwe strafwetboek (1991) gretig uit de wetten van 1983: wetten tegen zogenaamd “onfatsoenlijk gedrag” of “schending van de openbare orde” werden heringevoerd, net zoals lijfstraffen. Wij gaan niet de straat op om de afschaffing van de islam te eisen, maar we willen een wetgeving die gebaseerd is op de juiste islamitische principes: vrijheid, gelijkheid en gerechtigheid.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Die slogan is inderdaad alomtegenwoordig in de straten van Soedan. Betoger Rania: ‘De Moslimbroeders hebben een politieke versie van de islam geïnstalleerd, die volgens ons niet de echte islam is. Daarom noemen we de wetten “Septemberwetten”, naar de maand waarin ze werden afgekondigd, en niet “shariawetten”. Want als een vrouw zweepslagen krijgt of gestenigd wordt, gaat het niet over de islam, maar over mannen die vrouwen onderdrukken.’

Soedanezen ontdekken opnieuw de boodschap van de religieuze hervormer Mahmoud Mohammed Taha. Toen in 1983 de Septemberwetten werden afgekondigd, riep hij op om ze meteen weer in te trekken. ‘Ze discrimineren vrouwen en niet-islamitische landgenoten’, schreef hij. Met zijn hervormingsbeweging The Republican Brotherhood wilde hij – middels een alternatieve islamitische wetgeving – echt streven naar de gelijkheid tussen man en vrouw. Maar in januari 1985 werd hij ‘op straffe van afvalligheid’ opgehangen.

‘Taha voorspelde dat de Moslimbroeders het land met corruptie en onrecht zouden regeren, maar ook dat het volk hen uiteindelijk zou verdrijven’, vertelt Gamar. ‘De betogende Soedanezen en niet het minst de vrouwen zijn vastbesloten de daad bij het woord te voegen!’

Wie was Mohammad Taha?

Mahmoud Mohammad Taha (1909-1985) was de grondlegger en leider van de religieuze hervormingsbeweging The Republican Brothers. In hun officieuze manifest, The second message of islam (1967), ontwikkelde hij een nieuwe kijk op de Koran. Zo meende hij dat de boodschap van de openbaringen in Mekka waardevoller was dan die van de latere openbaringen, nadat Mohammed naar Medina was gevlucht.

De boodschap van Mekka heeft een universele geldigheid en is humaner, betoogde Taha, terwijl die van Medina onlosmakelijk verbonden is met de harde tijd waarin Mohammed leefde. Om dat aan te tonen verwees hij naar koranverzen die vrouwen voorstellen als onderdanig aan mannen of hun allerlei restricties opleggen – allemaal behoorden ze tot de verzen die in Medina aan Mohammed waren geopenbaard. In de Mekkaanse verzen las hij daarentegen een boodschap die gelijkheid, evenwaardigheid en gerechtigheid voor alle burgers verkondigde.

Toen Nimeiri in 1983 de sharia invoerde riep Taha meteen op tot een boycot. De nieuwe wetgeving was te veel gebaseerd op de boodschap van Medina, waarin vrouwen en niet-moslims werden beschouwd als tweederangsburgers. Als antwoord schreef hij het pamflet Dit of de zondvloed, waarin hij pleitte voor een alternatieve islamitische wetgeving die was gebaseerd op de inclusieve boodschap van de Mekkaanse verzen. Taha zou zijn kritiek met de dood bekopen: in januari 1985 werd hij opgehangen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Journalist

    Tom Claes is redacteur en freelancejournalist. Hij volgt de ontwikkelingen in de Hoorn van Afrika en focust in het bijzonder op de thema’s identiteit, migratie en ongelijkheid.