Voedselpolitiek in de internationale arena

Deze bijdrage is een samenvatting van het dossier ‘How International Institutions and Negotiations affect Agricultural Policies, Food Production and Land’ dat door de Europese Boerenvereniging (Coordination Paysanne Européenne, CPE) gepubliceerd werd in januari 2000. De tekst werd vertaald door Bob Hendrickx en bewerkt door Nico Verhagen.
Bij de Uruguay-ronde werd landbouw voor het eerst opgenomen als een onderwerp van internationale onderhandelingen. De landbouwersorganisaties van de hele wereld begrepen dat dit feit vérreikende implicaties zou hebben voor het nationale landbouwbeleid. Het was een van de redenen van de oprichting van Via Campesina in 1993. Via Campesina groepeert meer dan 70 nationale landbouwersorganisaties uit 40 landen en één van haar eerste wapenfeiten was zich openlijk te verzetten tegen de GATT-overeenkomst die in 1994 in Marrakech werd ondertekend.

Het CPE, een koepel van 17 boerenorganisaties uit 11 landen in Europa, is lid van Via Campesina. In Belgie zijn het Vlaams Agrarisch Centrum (VAC) en het Front Uni des Jeunes Agriculteurs (FUJA) lid van het CPE.

In deze bijdrage wordt, vanuit het standpunt van het CPE, een overzicht gegeven van de consequenties die het internationale beleid heeft op de landbouwers. Om te beginnen leggen we uit waarin het belangenconflict bestaat; we stellen de voornaamste actoren van de internationale scène voor en ook de grote instituties en fora met hun landbouwpolitiek; vervolgens analyseren we de rol van de WTO (Wereldhandelsorganisatie), haar relatie met andere instituties en fora, de belangen die zij vertegenwoordigt en de wijze waarop de beslissingen genomen worden; ten slotte bespreken we de richting waarin de zaken zich ontwikkelen en de mogelijkheden tot verandering.

Schijn bedriegt


In het publieke debat spreken nationale regeringen en belangengroepen dikwijls over de tegenstellingen tussen Noord en Zuid. Maar het is te simpel om te spreken over ‘de arme boeren van het Zuiden’ en ‘de rijke boeren van het Noorden’. Die voorstellingswijze van de internationale conflicten over voedsel en landbouw dient als vaak als een ideologisch scherm voor de rijke elites uit het Zuiden: onder het mom van steun voor de arme economieën van het Zuiden wordt toegang tot de Europese markten geëist voor rundsvlees, pluimvee en graan, geproduceerd door grote landeigenaars in Brazilië of Argentinië. Die producten worden door Multinationals (MNO’s) vermarkt en aangekocht door grote distributeurs of voedselketens zoals Carrefour of Macdonald’s.

De regeringen en de traditionele landbouworganisaties van het Noorden kunnen op hun beurt met deze “Noord-Zuid tegenstelling” de problemen van de kleine boeren in hun eigen landen negeren en de aandacht afleiden naar de ‘arme boeren van het Zuiden’.

Een gelijkaardig rookgordijn wordt opgehangen als de Europese Commissie en de Europese Ministers het ‘Europese landbouwmodel’ gaan verdedigen tegen bv. ‘het Amerikaanse model’. Het Europese model zelf zit vol tegenstrijdigheden en bevat zowel een zeer intensieve, industriële varkens- en pluimveeproductie die teren op ingevoerde veevoeders en verbonden zijn met de agribusiness, als een duurzame vleesproductie op grasland van familiale boerderijen. Het ‘Amerikaanse model’ is niet alleen de grootschalige graanproductie voor de uitvoer. In de VS vindt men ook nog een groot aantal kleine producenten van zuivel en van andere landbouwproducten.

De manier waarop men de zaken voorstelt, creëert een tegenstelling tussen familiale boeren in Noord en Zuid, in de EU en in de VS, en belet de publieke opinie de echte belangentegenstellingen te zien. Voor het CPE en ook voor Via Campesina, is de echte tegenstelling die tussen enerzijds het model van geïndustrialiseerde landbouw, verbonden met de belangen van de agro-industrie en van de gouvernementele elites, en anderzijds de duurzame, op familiale bedrijven uitgeoefende landbouw die de belangen van de boeren en van de consumenten dient.

Kader 1

Het model van industriële productie maakt de boeren meer en meer afhankelijk van externe productiemiddelen (pesticides, kunstmest, geneesmiddelen, groeibevorderaars…) en van extern kapitaal (afhankelijkheid van banken). De industriële productie is dikwijls zeer intensief, en niet grondgebonden (bv. de intensieve varkensproductie in Europa, in de VS of Brazilië). Industriële productie is gericht op de export: bv. de grote graanproducenten in de VS en in Europa, de productie van marktgewassen zoals ananas, bananen en citrusvruchten op plantages in de Filippijnen en in Centraal-Amerika, en de grootschalige vleesproductie in Argentinië.

In dit model verliezen de boeren al vlug de controle over hun bedrijf. Een extreem geval is dat van de varkensproducenten in Vlaanderen. Door de dodelijke concurrentie zien ze zich verplicht de verstikkende contracten van de veevoederindustrie te aanvaarden. Ze verliezen het eigendom van hun varkens en van hun stallen, zijn verplicht te werken met de grondstoffen die geleverd worden door de firma waarmee ze een contract hebben en krijgen een ‘salaris’ per afgeleverd dier. Het risico van ziekten en van sterfte is voor de producent.

In landen zoals Brazilië en de Filippijnen worden de boeren van hun land verdreven. Ze kunnen later terugkomen als arbeiders op plantages of op grooteigendommen, maar hebben hun autonomie als voedselproducent verloren.

In de VS (Californië) draaien grote zuivelbedrijven met duizenden melkkoeien op de inzet van goedkope Mexicaanse arbeidskrachten.



Kader 2

Het model van duurzame landbouw op familiale hoeven werkt met traditionele methodes die weinig externe produktiemiddelen vereisen. De boeren bezitten een eeuwenlange ervaring van de lokale grondstoffen (water, bodem, klimaat, variëteiten van planten en dieren) en zijn bekwaam met een minimum aan externe inputs voedsel te produceren met een optimale verhouding van kwaliteit en kwantiteit.

De producten gaan meestal naar consumenten van de streek. Dat zorgt voor contact en voor vertrouwen tussen boer en consument. Elke boer kan over land beschikken en heeft de zekerheid dat hij (of zij) dat land gedurende lange tijd kan gebruiken. Dat maakt het voor individuele boeren interessant om de bodemvruchtbaarheid te bewaren en te verbeteren. Om afhankelijkheid van banken te vermijden wordt de kredietverlening georganiseerd in kredietgroepen of in coöperaties. Dit model is arbeidsintensief (arbeid is in de meeste landen van de wereld in overvloed beschikbaar), in plaats van kapitaalsintensief. De productie is grondgebonden.

Hoewel in de neoliberale theorie het model van de industriële productie als het meest efficiënte wordt voorgesteld, is het tegendeel waar. Deze industriele productiewijze brengt voor de maatschappij hoge kosten mee die niet in rekening worden gebracht: ze respecteert de boeren en boerinnen niet (lage inkomens, slechte werkomstandigheden, verlies van arbeidsplaatsen), ze brengt schade toe aan het milieu, heeft geen oog voor dierenwelzijn, maakt de voedselproductie in vele landen kapot door het dumpen van overschotten, en levert voedsel op van slechte kwaliteit. De dollekoeienziekte en de dioxinecrisis in Europa, het feit dat de mensen van hun land worden verdreven en lijden onder het gebruik van pesticiden, het zijn allemaal symptomen van het industriële model dat de belangen van de agrobusiness en van de commercie dient. Bovendien rijft dit model het leeuwenaandeel van de publieke subsidies binnen: gulle inkomenssteun voor de grootste producenten in de EU en de VS, exportkredieten in Brazilië en in de Filipijnen. In de Europese Unie werden veel subsidies gegeven voor investeringen in gebouwen en machines ‘om de bedrijven te moderniseren’. In vele landen hebben kleine boeren nauwelijks toegang tot inkomenssteun of tot kredieten, enz.

Studies tonen aan dat het potentieel voor voedselproductie per hectare hoger ligt op kleine bedrijven dan op grote, industriële landbouwbedrijven. In de landen van het Zuiden brachten de rijstvelden op de kleine bedrijven naast rijst een hele reeks andere producten op: vis, garnalen, stro, kruiden, medicinale planten, enz. Dit zeer efficiënte productiesysteem werd vervangen door de rijstvariëteiten met hoge opbrengst die door de zogenaamde ‘groene revolutie’ werden ingevoerd en tonnen pesticiden en chemische meststof benodigden. Dit verminderde de weerstand van de rijst tegen ziekten en tegen droogte. Slechte opbrengsten leidden tot het failliet van de boer die daarvoor duur zaaizaad, dure pesticiden en meststoffen aangekocht had.

De gangbare opvatting zegt dat industrialisering van de landbouw de enige uitweg is en dat alle andere keuzes achterhaald en voorbij zijn. In werkelijkheid zijn het de intensieve industriële methodes die achterhaald zijn. Ze scheppen meer problemen dan ze oplossen en brengen hoge maatschappelijke kosten met zich mee. De echt ‘moderne’ en toekomstgerichte landbouw steunt op de traditionele kennis van de mensen die het land bewerken, die verstandig gebruik maken van de lokale hulpbronnen (agro-biodiversiteit, bodem, water,….) en het milieu respecteren. Dat betekent niet dat boeren alle nieuwe technologieën verwerpen of dat ze tegen de export zijn. Ze vragen alleen dat nieuwe technologieën hun productiewijze ondersteunen en verbeteren in plaats van ze te vernietigen, en dat de internationale handel ontwikkeld wordt ten gunste van de boeren en van de consumenten en niet ten profijte van een handvol multinationals.



De problemen van de boeren in de internationale context


Het internationale beleid wordt meer en meer bepalend voor een aantal kernproblemen. We geven een overzicht:

1. Toegang tot, en controle over productiemiddelen

De toegang tot en de controle over zaden, land en water en de beschikbaarheid van diensten zijn van cruciaal belang. Het behoud en de ontwikkeling van plantenvariëteiten zijn stilaan ontnomen aan de boeren, vooral in de industrielanden. In de ontwikkelingslanden wordt nog 70% van alle zaden door de boeren zelf geproduceerd.

Een enorme concentratie in de zadensector heeft ertoe geleid dat slechts enkele bedrijven het grootste deel van de zaadmarkt controleren. Die monopoliepositie wordt nog versterkt door de ontwikkeling van hybriden, door de terminator technologie (het gebruikte zaad levert planten op die zelf steriel “dood” zaad voortbrengen), door de beperkende regelgeving op kwekersrechten en door het nemen van octrooien. Deze technieken geven aan de bedrijven een totale controle, tot en met het recht om het gebruik van bepaalde zaden te verbieden voor de landbouw. Vergelijkbare ontwikkelingen doen zich voor in de veehouderij.

De jongste decennia is de landbouwdiversiteit onder invloed van de ‘groene revolutie’ drastisch verminderd. India bezat zeker 50.000 rijstvariëteiten; nu zijn er misschien nog een vijftigtal in gebruik. In Indonesië verdwenen 1500 lokale rijstvariëteiten, in de Filipijnen bestonden er 4000 verschillende rijstvariëteiten, waarvan er slechts enkele overblijven.

Toegang tot grond is een van de grote strijdpunten in vele landen. Landhervormingen worden dikwijls beloofd doch zelden uitgevoerd. En als ze toch in werking treden is de kans groot dat landloze boeren die zich op de grond vestigen hun land vlug weer kwijtspelen, omdat er onvoldoende ondersteuning wordt gegeven om het land productief te maken of omdat de landbouwprijzen zo laag zijn dat de boeren bankroet gaan en verplicht worden hun land weer te verkopen aan de grootgrondbezitters.

Landbouwgrond wordt door de industriële landbouw vernietigd. Volgens de FAO is in de hele wereld 25% van de grond verloederd door wanbeheer van de industriële landbouw, zoals door monocultuur, door te zware machinerie, door het ongebreideld gebruik van pesticiden en meststoffen, enz.

In industrielanden vormen de hoge grondprijzen en het gebruik van land door andere sectoren (huizenbouw, wegenaanleg, natuurreservaten, industriegebieden…) een hinderpaal voor boeren om hun productie uit te breiden of om een boerderij op te starten.

Water wordt schaars. In vele landen wordt water verspild door niet-duurzame landbouwpraktijken. Wereldwijd komt 70% van de waterconsumptie voor rekening van de landbouw.

Op dit ogenblik is men de waterreserves die tot nog toe door de openbare instanties of door de gemeenschap werden beheerd, aan het privatiseren. Ze zouden in de handen van enkele multinationals kunnen vallen. Monsanto heeft reeds geopperd dat het commercialiseren van de basisbehoeften van de mensen (water, voedsel, kleding, woning) de gemakkelijkste weg is om winst te maken. Het bedrijf heeft reeds een gooi gedaan naar de watermarkt.

Toegang tot krediet is van levensbelang voor vele kleine boeren om te kunnen planten voor de volgende oogst. Die kredieten worden veelal verleend door regeringsprogramma’s of door kredietcoöperaties. In vele landen werden microkredietcoöperaties opgezet door boeren om kredieten te verlenen die zo klein zijn dat de banken gewoonlijk niet bereid zijn die toe te staan. Maar nu trachten (multinationale) bedrijven die kleine kredietorganisaties over te nemen met de bedoeling kleine boeren te bereiken met een pakket van kredieten, pesticides en zaden van hetzelfde bedrijf, omdat ze er een stabiele bron van profijt in zien. Monsanto deed zo een poging om de Grameenbank in Bangladesh in te palmen. De raid werd afgeblazen na een sterk openbaar protest.

Technische ondersteuning, vorming en gezondheidszorg zijn ook in rurale gebieden basisbehoeften. Die diensten komen onder druk te staan als regeringsbudgetten inkrimpen omdat externe schulden afbetaald moeten worden of omdat de structurele aanpassingsprogramma’s (SAP’s) dit opleggen.

2. De staat heeft als taak de markt te organiseren maar voor wie?

De organisatie van de markten, dwz de stabilisering van de prijzen, het beheersen van de productie, de mogelijkheid creeren van inkomstensteun voor kleine boeren, het zijn allemaal taken die nodig zijn voor een duurzame landbouwproductie.

Alle industrielanden weten dat staatsinterventie in de landbouwsector noodzakelijk is. Zij passen een marktbeleid toe om een voldoende voedselproductie te verzekeren en om een prijzenpeil te bepalen dat hoog genoeg is om de productiecapaciteit in stand te houden en te ontwikkelen. Ze leggen importbelastingen op om dumpingpraktijken op de interne markt te beletten en om de interne prijzen op peil te houden. Doch deze marktinstrumenten moeten aangewend worden om de duurzame productie op familiale bedrijven te ondersteunen en niet om de industriële productie vooruit te helpen, zoals nu het geval is in de EU en in de VS.


Kader 3: Liberalisering is geen oplossing voor het probleem van overproductie

Industrielanden wilden hun landbouwproductie ontwikkelen om diverse redenen, bv. om andere landen afhankelijk te maken van hun voedselexport, en om zelf niet afhankelijk te worden.

Nadat de EU het Gemeenschappelijke Landbouw Beleid (GLB) had gelanceerd (prijsondersteuning en marktprotectie door importbelasting) begon de voedselproductie te stijgen. Toen de productie meer dan voldoende was om de eigen behoeften te dekken, werden de overschotten naar de wereldmarkt uitgevoerd met exportsubsidies of geschonken als voedselhulp, of werd de interne vraag verhoogd dankzij subsidies aan de consumenten (schoolmelk) of aan de industrie (magere melkpoeder om kalveren vet te mesten).

Deze protectionistische politiek werd echter gecombineerd met een hard liberaal intern beleid: prijsverlagingen, intensievere productiemethoden en een concentratie van de productie op minder landbouwbedrijven. Afscherming dus tegen de wereldmarkt en een neoliberale politiek voor de interne markt.

Miljoenen kleinere boeren werden uit de productie gedrumd. Grotere landbouwbedrijven (die investeringssubsidies kregen en premies voor hoge producties, enz.) namen de kleinere boerderijen over. Dit betekende dat, hoewel de prijzen zakten en de boeren verdwenen, de grond in productie bleef en dat de productie zelfs groter werd omdat de opbrengst per hectare en per dier vermeerderde (bv. door gebruik van meststoffen en pesticides en door de invoer van veevoeders).

Die politiek van herstructurering werd fel aangemoedigd door de industrie en door de traditionele landbouworganisaties. De industrie kon goedkope landbouwproducten kopen en de landbouwers kochten steeds meer inputs tegen steeds hogere prijzen.

De klassieke economische theorieën beweren dat lagere prijzen tot lagere productie leiden. Dat is niet het geval in de landbouw: landbouwers trachten lagere prijzen te compenseren door meer te produceren (intensificatie, overname van kleinere hoeven).

Prijsdalingen zullen enkel de totale productie verminderen als ze zo drastisch zijn dat zelfs de grootste landbouwbedrijven bankroet gaan en als de productiecapaciteit van een land grondig teloorgaat (gebouwen, machines worden niet vernieuwd en het land blijft braak liggen). Een sociale catastrofe zou het resultaat zijn en de agro-industrie zou mee ten onder gaan. Als de productiecapaciteit verloren gaat, is het zeer duur om ze te herstellen. Dat betekent dat prijzen alleen tegen een enorme sociale en economische kostprijs gebruikt kunnen worden om de productie te beperken.

Daarom zijn andere maatregelen nodig om de productie te beperken, zoals importcontrole en een politiek van productiebeperking: extensivering, plafonnering van inkomenssteun, een productielimiet per landbouwbedrijf, enz. Deze maatregelen moeten ook voorkomen dat overschotten ontstaan en vervolgens gedumpt worden op de interne markt of op de wereldmarkt.


De dominante rol van EU, VS en CAIRNS groep op internationaal niveau


De Europese Unie is, naast de VS, een van de voornaamste spelers. De EU speelt tegenover haar eigen publieke opinie de rol van slachtoffer van de agressieve politiek van de VS, in werkelijkheid is de EU geen haar beter. De EU wil zelf, net als de VS, de export naar de wereldmarkt vergroten ‘om aan een groeiende vraag te beantwoorden’. Verder wil ze de eigen landbouw beschermen tegen de invoer van landbouwproducten die de interne prijzen en de eigen kwaliteits- en veiligheidsnormen zouden ondermijnen.

In mei 1992, tussen het ‘Blair House Agreement’ en de ‘GATT Final Draft Act’ (2), werd de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), voorgesteld door Europees commissaris Mac Sharry, door de EU-ministers van landbouw goedgekeurd. Hoewel toen ontkend door de Europese Commissie was deze hervorming wel degelijk gericht op het behouden van een zo sterk mogelijke positie van de EU tov de VS in de GATT onderhandelingen.

Ze besloten tot prijsverlagingen voor granen en vlees om het prijsverschil tussen de wereldmarktprijzen en de interne EU-prijzen te verminderen. Die prijsverlagingen werden gedeeltelijk gecompenseerd door directe inkomenssteun. Op deze inkomenssteun stond geen plafond per arbeidseenheid en per bedrijf, zodat de grootste landbouwbedrijven ervan profiteerden en hun producten onder de kostprijs konden verkopen op de wereldmarkt. Vijftien procent van de grond werd braakgelegd, maar omdat vooral marginale grond werd braakgelegd en de rest van de grond intensief bewerkt werd, was de productievermindering veel kleiner dan 15%. Op dit ogenblik wordt er geen grond meer braakgelegd, zodat de wereldmarkt zoals tevoren overspoeld wordt door Europees graan.

Deze hervorming werd aan de publieke opinie voorgesteld als een stap naar een meer milieuvriendelijk GLB. In feite was het de voortzetting van éénzelfde beleid met andere instrumenten. In de plaats van ondersteuning van de prijzen (hoge interne prijzen) en hoge exportsubsidies, kwam er lagere interne prijzen en directe inkomenssteun die gedeeltelijk de prijzendalingen compenseerde. De lagere interne prijzen maken dat er ook minder exportsubsidies zijn, maar de dumping op de wereldmarkt gaat onverminderd voort. Deze hervorming leidde tot nog intensievere landbouw: vele hectaren grasland werden omgeploegd om maïspremies binnen te halen. Die premies bevorderden de intensieve vlees- en melkproductie op basis van maïs en van ingevoerde soja ten koste van de productie op basis van gras. Wegens de hoge premies per ha kochten de grote landbouwbedrijven nog meer land aan: een nieuwe versnelling van de concentratie.

Agenda 2000, de tweede hervorming van het GLB geïnspireerd door de GATT/WTO-onderhandelingen, werd tenslotte minder radicaal dan de Commissie had voorzien: er waren minder prijsverlagingen en er kwam geen hervorming in de zuivelproductie want de compensaties werden te duur. In de openbare discussie werd steeds weer naar voren gebracht dat deze hervormingen noodzakelijk waren omdat het GLB te duur was. In de praktijk werden verdergaande hervormingen onmogelijk omdat dit export gerichte beleid duurder in plaats van goedkoper bleek.

De CAIRNSgroep (Brazilië, Canada, Australië, de Filippijnen, Argentinië, Colombia, Chili, Indonesië, Maleisië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Thailand en Uruguay) is een lobbygroep van vooral exportlanden. De groep dringt aan op een verdere liberalisering van de landbouwmarkten. Hij valt de exportsubsidies aan en is tegen regeringssteun. Hij eist toegang voor landbouwproducten op vreemde markten, vooral op de consumentenmarkten van de industrielanden. De CAIRNSgroep lobbyt voor de belangen van grote commerciële landbouwbedrijven die exportgewassen produceren zoals soja (Brazilië), ananas (Filipijnen), fruit en wijn (Chili, Zuid-Afrika), vlees (Argentinië, Nieuw-Zeeland), graan (Canada), enz. Die producten worden verwerkt en vermarkt door multinationals naar de consumentenmarkten van de rijke landen. Volgens de CAIRNSgroep wordt de voedselveiligheid verzekerd door volledige liberalisering. Landbouw moet behandeld worden zoals gelijk welke industriële sector.

De Verenigde Staten die in 1962 erin slaagden een vrije toegang voor veevoedergrondstoffen tot de EU-markt te bemachtigen, hadden in de jaren zeventig en tachtig een deel van de wereldmarkt verloren aan de EU. Ze wilden hun dominante positie op de wereldmarkt herstellen en zetten het GLB onder constante druk door hun landbouwpolitiek sneller te ‘hervormen’ (ook de VS veranderden slechts de instrumenten, maar niet het beleid) dan de EU. In de VS zijn de productiekosten van granen (het belangrijkste exportproduct) laag wegens de schaalgrootte en de extensieve productiewijze: ze kunnen dumpen met minder publieke steun dan de EU.

Hoewel de VS de exportsubsidies en de interne steunmechanismen van de EU aanklagen, hebben ze zelf hun steun aan de landbouwexport aanzienlijk verhoogd en kwamen ze met een nieuw instrument van inkomenssteun: een verzekering voor landbouwinkomens voorziet inkomenssteun als die inkomens onder een bepaald peil dalen. Dit is natuurlijk ook een indirekte exportsubsidie.

De nieuwe Farm Bill (Fair Act) die in 1996 werd ingevoerd heeft subsidies en productie gescheiden: de VS komen naar de Millenniumronde van de WTO met subsidiemaatregelen die officieel allemaal toegelaten zijn (maatregelen in de zogenaamde “green box”).

De VS (evenals de EU en de CAIRNS groep), hebben een agressieve strategie om markten te veroveren. Voor de komende Ronde wordt er bv. op Zuid-Korea gemikt.

Het Amerikaanse Farm Bureau, een van de meest invloedrijke leden van de IFAP (Internationale Federatie van Landbouw Producenten) gaat zelfs verder dan de VS-regering en neemt eenzelfde houding aan als de CAIRNSgroep. Het bevecht de exportsubsidies zonder te spreken over het eigen verzekeringsprogramma voor exportinkomens.

Regeringen zijn vaak een façade voor de belangen van de multinationale ondernemingen (MNOs). Internationale beleidsregels en onderhandelingen zijn ‘formeel’ het werk van regeringen. In de praktijk echter hebben de MNO’s een steeds grotere invloed en in veel regeringsdelegaties spelen ze een beslissende rol. Heel wat regeringen lijken op min of meer directe wijze in naam van de MNO’s op te treden.

Op het moment ontwikkelen zich ‘clusters’ van MNO’s die economische afspraken of allianties maken om zo tot een volledig verticaal geïntegreerd voedselsysteem te komen. Er zal geen markt meer zijn, geen tussenprijzen van het gen of het zaad tot het bord omdat alle transacties binnen hetzelfde bedrijf plaatsvinden. Als zo’n systeem werkelijkheid wordt, zullen de boeren alleen hun arbeid leveren zonder de minste autonomie te behouden.

Op het globale niveau, waar geen antitrustwetgeving bestaat, zullen oligopolies opduiken. William Heffernan voorspelt dat er wereldwijd ongeveer vijf voedselclusters zullen overblijven. Een cruciaal element voor die clusters zal het bezit zijn van ‘intellectuele eigendomsrechten’.

In de VS bestaat grote bezorgdheid over de toenemende invloed van MNO’s: grote, vreemde bedrijven huren ter plaatse arbeidskrachten maar sturen de winsten naar het hoofdkwartier van het bedrijf dat deze winsten ergens in de wereld investeert. De internationale handelsstromen groeien aan; ze scheppen afhankelijkheid maar geen transparantie. De VS voeren één derde van hun groenten in en zijn een netto importeur van vlees: waarom dan die enorme druk op de Europese markt om VS-hormonenvlees in te voeren? Sommige MNO’s sturen producten van het ene einde van de wereld naar het andere en weer terug, om de prijzen te drukken en om de nationale voedselregelgevingen te breken. Is dat het nieuwe globale systeem?

William Heffernan stelt vast dat “…het landbouwbeleid niet langer besproken kan worden gescheiden van het voedselsysteem, want de belangrijkste veranderingsmechanismen die de landbouw beïinvloeden en de impact van de landbouwwetgeving doen verschuiven, komen van het bredere voedselsysteem. De concentratie van het voedselsysteem moet in het debat worden opgenomen als het beleid de problemen van de landbouwers wil aanpakken”.


Kader 4: De wereldwijd voedsel- en landbouwsector beheerst door een handvol clusters

Clusters zoals de ‘joint venture’ Cargill-Monsanto, die de controle heeft over het terminator-gen. Hun jongste aanwinst is Continental Grain (een van de vier grootste graanbedrijven: Cargill, Continental Grain, ADM en Bunge).

Een ander cluster is ConAgra (een van de grootste graanfirma’s van de VS) dat via United AgriProducts samenwerkt met AstraZenece (een Zweeds-Britse agrochemische firma). ConAgra schijnt geïnteresseerd te zijn in Dupont, die kort geleden fusioneerde met Rhone Poulenc…

Samenwerkingen en joint ventures zullen steeds aan verandering onderhevig zijn, maar uiteindelijk is de grote vraag hoeveel concurrentie er nog zal overblijven? Niet de bedrijven of clusters die de beste producten maken zullen overblijven, maar zij die het grootste marktaandeel bezitten, zij die over het meeste geld beschikken om een lage-prijzencrisis te overleven, zij die beschikken over het grootste aantal octrooien of over de beste juristen om de processen te winnen die door andere bedrijven of door regeringen zijn aangespannen.

Twee jonge technologieën zullen volgens Heffernan die ontwikkelingen beïnvloeden: de gen-technologie (met het terminator-gen) en het ‘precision farmers’ global positioning system’. Deze laatste technologie zal het mogelijk maken dat de landbouwers niet meer naar hun land moeten gaan; ze kunnen hun land beheren van uit hun bureel. Akkerbouwers en de veehouders zullen door de industrie betaald worden en een loon ontvangen per ha of per dier. 20.000 of 30.000 landbouwbedrijven in de VS zouden in dat geval volstaan om te produceren voor het globale voedselsysteem.


De internationale instituties en overeenkomsten en de sleutelrol van de WTO


De EU en de VS zijn hoofdacteurs in de internationale onderhandelingen. Ze trachten de agenda te bepalen en de andere landen te dwingen hun logica te volgen. Geregelde bilaterale onderhandelingen tussen EU en VS krijgen hun weerklank in bredere fora zoals de zogenoemde Quad-meetings (met vier: EU, VS, Japan en Canada), de G7 (nu G8) en de OESO (de industrielanden). Daar worden de internationale onderhandelingen voorbereid, buiten het oog van het publiek. De resultaten raken enkel bekend als ze opduiken in meer zichtbare fora zoals de WTO (Wereldhandelsorganisatie), of op het Europese, nationale of regionale niveau (bijv. hervorming GLB).

Onder druk van de MNO’s en van een aantal rijke landen worden beslissingen inzake landbouw- en voedselbeleid onttrokken aan de nationale regeringen en behandeld in een groot aantal internationale fora. De onderhandelingen zijn dikwijls zeer ingewikkeld en worden van één forum naar een ander verschoven met procedures die het publiek of de nationale parlementen nauwelijks kunnen volgen. Vele regeringen van ontwikkelingslanden hebben niet het geld noch de capaciteit om aan die onderhandelingen deel te nemen. De sterksten bepalen het spel, de anderen moeten de resultaten slikken.

Zo bijvoorbeeld was het voorstel van Mac Sharry tot hervorming van het GLB duidelijk een onderhandelingsstap in de Uruguay-ronde (al werd dat in het begin door de Europese Commissie geloochend).

De voorbereiding van de GLB-hervorming gebeurde parallel met de Blair House-onderhandelingen tussen EU en VS, de enige die werkelijk telden voor de EU. Dit toont aan dat nationale en regionale beleidsveranderingen dikwijls gedicteerd zijn door internationale onderhandelingen zonder dat het publiek daarvan op de hoogte is. Is de EU misschien reeds een nieuw Blair House-akkoord aan het negotiëren met de VS voor de volgende hervorming na Agenda 2000?

De OESO heeft altijd gediend als een discussie- en onderhandelingsplaats voor het toekomstige landbouwbeleid. Zo heeft de OESO reeds een standpunt ingenomen over de multifunctionele landbouw. De organisatie doet een oproep voor een strikt gescheiden steun voor de niet-productie functies van de landbouw. Dat betekent in klare woorden: geen financiële steun meer voor landbouwproductie, maar enkel voor toerisme en voor milieu (green box steun). Dat is exact de positie van de CAIRNSgroep. Toch zullen de OESO-landen er wel voor zorgen dat de marktbescherming van hun belangrijkste gewassen en producten niet te vlug afgebouwd wordt.

De toenemende weerstand tegen verdere liberalisering in de WTO heeft ertoe geleid dat VS en EU zeer actief werden in regionale en bilaterale handelsovereenkomsten. In die onderhandelingen kunnen ze meer directe economische druk uitoefenen op het andere land. Een voorbeeld is NAFTA (North American Free Trade Agreement) tussen de VS, Canada en Mexico. De VS hebben sterk geijverd voor dit verdrag, dat vérreikende clausules bevat die model kunnen staan voor de volgende WTO-onderhandelingen. Met altijd hetzelfde doel: deregulering van het nationale beleid, staatssteun en staatsinterventie om een betere toegang te krijgen voor hun industrieën, vooral voor MNO’s.

De GATT en de WTO werden opgericht om de internationale handel te regelen. Maar ze gaan veel verder dan dat. In de landbouw bepaalt de WTO de nationale landbouwpolitiek en de nationale politiek voor intellectuele eigendomsrechten, ze veroorzaakt een negatieve harmonisatie van de nationale voedsel- en milieuwetgeving en nu wil ze zich ook moeien met investering en concurrentie. Het bereik van de WTO breidt uit ten nadele van de FAO en van UNCTAD, de organisaties van de Verenigde Naties die zich moeten bezighouden respectievelijk met landbouw en met handel.

De internationale discussie over de wijze waarop de voedselproductie georganiseerd moet worden, over hoe honger te vermijden, hoe rurale gebieden te ontwikkelen, enz. wordt herleid tot een ‘handelsprobleem’ dat opgelost moet worden door het geschillenpanel (dispute settlement body) van de WTO. Drie ‘onafhankelijke’ experts beslissen over de toekomst van het nationale beleid in een toenemend aantal beleidsdomeinen. De rol van nationale regeringen wordt tot een minimum herleid, de activiteiten worden geprivatiseerd en de beslissingen worden door duistere internationale instanties genomen.

In deze beslissingen is ‘vrijhandel’ de ideologische richtlijn. Regelgeving is protectionistisch en dus duur en ondoelmatig. De complexe discussie ‘vrijhandel’ of ‘protectionisme’ wordt herleid tot een wit-zwart dispuut: vrijhandel is goed, protectionisme is slecht.

Echter vrijhandel is destructief en zeer duur als hij enkel dient om de belangen van de sterksten te bevorderen en protectionisme is positief als het nodig is om de zwaksten van onze maatschappij te beschermen en om een kader te scheppen voor duurzame voedselproductie en -consumptie.

De grote vraag is niet “vrijhandel of protectionisme?” maar “hoe wensen wij (landbouwers en consumenten) de productie en de handel van voedsel te organiseren?”. Hoe kunnen wij de handel zo organiseren dat zij de belangen van de bevolkingen dient en hoe kunnen wij het doen en laten van de MNO’s controleren en hoe kunnen we onze regeringen controleren bij hun optreden op internationaal niveau?

De mogelijke effecten voor boeren van een doorgedreven liberalisering en deregulering


Het recht om de nationale voedselproductie te beschermen tegen import komt meer en meer onder druk te staan. In de ontwikkelingslanden bestaat dit recht bijna niet meer, in de industrielanden wordt het stukje bij beetje afgebroken. Als de exporterende landen geen doelmatige productiebeperking meer hebben en als de staat het recht niet meer heeft de invoer onder controle te houden om de voedselproductie van zijn eigen consumenten te beschermen, dan gaat ook in het Noorden de op familiale landbouw gebaseerde voedselproductie teloor.

Alleen ‘green box’ subsidies (voor toerisme en voor milieu) zullen geoorloofd zijn. Vooral de industrielanden hebben geld om zulke programma’s te financieren. De steun zal gebruikt worden om enerzijds de industrialisatie en de concentratie te versterken en anderzijds nichemarkten van kwaliteitsvoedsel te ontwikkelen voor de rijke consumenten.

Als deze liberalisering geen halt wordt toegeroepen, zullen de boeren meer en meer het slachtoffer worden van de fluctuaties van de wereldmarkt en van het gedrag van de agro-industrie. Zo komen de boeren in een uiterst afhankelijke positie te staan en wordt het onmogelijk duurzame landbouwpraktijken te ontwikkelen.

In het algemeen zijn fluctuerende markten voordelig voor grote (landbouw)bedrijven die het nodige kapitaal hebben om een crisis te doorstaan. Voor de kleine producenten zijn ze noodlottig, want ze kunnen zich er niet tegen beschermen.

Door gentechnologie en octooien dreigt de zaadproductie volledig onder de controle van een paar MNO-clusters te komen. Op dit ogenblik vecht de industrie voor een wereldwijde octrooiwetgeving omdat die een cruciaal instrument is voor de controle over de genetische rijkdom en over de voedselketen.

Op die manier wordt de macht van de MNO’s enorm. Wat gebeurt er als de meeste lokale variëteiten verdwenen zijn en plots blijkt dat het beperkte aantal gestandaardiseerde variëteiten niet resistent is tegen nieuwe ziekten? Wat als de genetische technologie een onvoorziene catastrofe veroorzaakt? Wat als de bedrijven niet investeren in lange termijnteeltprogramma’s om nieuwe variëteiten te ontwikkelen?

Het landbouwonderzoek dreigt volledig geprivatiseerd te worden, gecontroleerd door de clusters die de voedselketen in handen hebben.

Wat gebeurt er als MNO’s het water als een interessante inkomensbron gaan beschouwen en het gaan uitbaten? Zal het water beschikbaar zijn voor duurzame, familiale landbouw, of enkel voor industriële landbouw?

Hoe zit het met de kwaliteit en de veiligheid van het voedsel? De minimumeisen voor het voedsel worden bepaald door de regel: als je er niet onmiddellijk ziek van wordt, is (bijna) alles geoorloofd. Tegelijkertijd is het vaak moeilijk kwalen in verband te brengen met een specifiek product.

Lokale en nationale kwaliteits- of veiligheidsnormen weerspiegelen de voorkeur van de bevolking en zijn aangepast aan de lokale of regionale methodes van voedselproductie. Zal de industrie toelaten dat de bevolking die vrijheid behoudt?

Positieve perspectieven


Hopelijk worden de negatieve evoluties die hierboven werden geschetst geen werkelijkheid. Een belangrijke kwestie is de rol van de staat in de internationale context. Zal de staat erin slagen de voorwaarden te scheppen om een duurzame familiale voedselproductie te verzekeren of zal hij totaal overspeeld worden door de MNO’s?

Wat zal de reactie van de MNO’s zijn? Ze hebben zoveel macht verzameld, ze opereren zo breedschalig, dat ze ook vlug verantwoordelijk zullen worden gesteld voor wat verkeerd loopt. In dat geval zullen ze een felle tegenstand van de sociale bewegingen kunnen verwachten. Monsanto bracht zichzelf reeds in een moeilijke positie. Dat toont het belang aan van de boerenrechten en van de soevereiniteit en onafhankelijkheid van regeringen om hun voedselbeleid te bepalen.

Op dit ogenblik worden de sociale bewegingen sterker op het internationale vlak. Een eerste zege was het blokkeren van het Multilateraal Akkoord over Investeringen (MAI). Voor de gevestigde belangen kwam die actie onverwacht.

Het grote publiek in de industrielanden staat steeds kritischer tegenover de industriële landbouw. Schandalen met hormonen, met de dollekoeienziekte, met antibiotica, varkenspest, salmonella, clenbuterol, afval in het veevoeder en met dioxines zijn daarvan de oorzaak. Onder druk van sociale bewegingen kwam er een verbod op het melkhormoon en een verbod op het gebruik van hormonen in de vleesproductie.

Het dominante model verliest aanhang. Dat betekent dat de verenigde kritische krachten van Noord en Zuid het heersende industriële model kunnen tegenhouden en het dwingen tot respect en tot aanpassing.

Voedselsoevereiniteit, de weg om de boeren- en consumentenrechten te versterken?


Via Campesina heeft in het internationale debat het concept voedselsoevereiniteit ingebracht. Dit concept zal een belangrijke rol spelen in de oppositie tegen de neoliberale ideologie.

Voedselsoevereiniteit is op te vatten als een voorwaarde die door de regeringen en door de sociale bewegingen moet worden geschapen en verdedigd. Ze houdt in dat de boeren voedsel kunnen produceren voor hun eigen consumenten en dat ze hun eigen productiewijze kunnen behouden en ontwikkelen. Het behouden van de capaciteit om voedsel te produceren door een divers systeem van familiale landbouwproductie (biodiversiteit, vruchtbaarheid van de grond, culturele waarden, behoud van de natuurlijke rijkdommen) is cruciaal voor de onafhankelijkheid en voor de voedselveiligheid van een volk.

Dat vereist een langetermijnbeleid en een actieve interventie van de regeringen op verschillende niveaus, evenals de participatie van de boeren en van de andere maatschappelijke sectoren. De vrije markt kan deze functie niet vervullen. De actieve participatie van de landbouwersbewegingen aan dit proces, in een democratisch kader, is onontbeerlijk. Dat vereist transparante informatie, vrijheid van meningsuiting, het recht om zich te organiseren, en een actief streven naar conflictoplossing, want conflicten zijn een belangrijke oorzaak van voedselonveiligheid

Bibliografie


HEFFERNAN, WILLIAM, 1999, Consolidation in the Food and Agriculture System. Report to the National Farmers Union. Columbia University of Missouri.

ROSSET, PETER M. 1999, The multiple Functions and Benefits of small Farm Agriculture in the Context fo Global Trade Negotiations. Policy brief Nr 4, Food First/The Institute for Food and Development Policy, Oakland, CA USA (co-published with TNI, Amsterdam).

ENGELS, RAINER, 1996, Die Codex Alimentarius und der Einsatz von Hormonen in der Tierernaehrung. Forum Umwelt und Entwicklung.

AVERY, NATALIE; DRAKE, MARTINE; LANG, TIM, 1993, Cracking the Codex. An Analysis of Who sets World Food Standards. A publication of the National Food Alliance.

GAIA/GRAIN, 1998, Briefing on CBD/TRIPS. Conflicts between the WTO Regime of Intellectual Property Rights and Sustainable Biodiversity Management.

GAIA/GRAIN, 1998, Global Trade and Biodiversity in Conflict. Ten Reasons not to join UPOV.

THE ECOLOGIST, 1996, CGIAR. Agricultural Research for Whom?

WINDFUHR, MICHAEL, 1998, Multilateral Investitionsabkommen (Mai) der OECD hat auch fuer den Agrarsector Relevanz. BUKO Agrarinfo.

MURPHY, SOFIA, 1999, Background Paper WTO/Agriculture. IATP.

KWA, AILEEN & BELLO, WALDEN, 1998,Guide to the Agreement on Agriculture. Technicalities and Trade Tricks Explained.

DEUTSCHE BANK, 1999, Ag Biotech: Thanks, but no Thanks.

Voor meer informatie:
CPE (Coordination Paysanne Européenne)
Rue de la Sablonnière 18 - 1000 Bruxelles - B
tel: (32) 2 217 31 12 fax: (32) 2 218 45 09
E-mail: cpe@agoranet.be

Via Campesina
Internationaal secretariaat: Apdo Postal 3628 Tegucigalpa, MDC Honduras, C.A.
tel & fax: + 504 20 1218
e-mail: viacam@gbm.hn
webpagina: http://sdnhon.org.hn.miembros/via

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift