Wapens voor de derde wereld

Het aankoopbeleid van de ontwikkelingslanden m.b.t. militair materiaal heeft een belangrijke ontwikkeling ondergaan sinds de periode van de dekolonialisering in de jaren vijftig en zestig. Naast deze algemene ontwikkeling staat dit beleid eveneens onder invloed van een aantal trends op kortere termijn.

1. De evolutie van het wapenaankoopbeleid van de ontwikkelingslanden op langere termijn

Onafhankelijk van de wijze waarop de dekolonialisering verliep, richtten de nieuwgeboren staten zich tot één bepaald land om in hun militaire noden te voorzien. Indien de overgang van kolonie naar onafhankelijke staat min of meer in overleg verliep met het koloniserende land, kocht men na de onafhankelijkheid over het algemeen de wapens aan bij de voormalige kolonisator, vooropgesteld natuurlijk dat deze het benodigde materieel produceerde. Indien de overgang in onmin gebeurde of de vroegere heersers de wapens niet konden leveren, richtten de jonge staten zich tot de Verenigde Staten of de Sovjetunie, afhankelijk van de voorkeur die men had voor het kapitalisme of het communisme - uit ideologische redenen of na een kostenbatenanalyse van de mogelijke opbrengst indien men één van de twee supermogendheden zou steunen. Het materiaal dat men aankocht, of in sommige gevallen kreeg, bestond over het algemeen uit verouderde wapensystemen die men tweedehands opkocht van het leger van de vroegere kolonisator. Dit was goedkoper voor het zuiden en zorgde er tegelijkertijd voor dat het noorden een technologisch en militair overwicht behield.

De meeste ontwikkelingslanden werden al snel met de neus op het feit gedrukt dat er een flink nadeel zat aan het zich beperken tot één leverancier, namelijk de macht die deze verkrijgt om sancties uit te oefenen. Niet gewenst beleid vanwege het ontwikkelingsland werd regelmatig gesanctioneerd door de landen in het noorden met het tijdelijk opschorten van leveringen van nieuwe wapens of, nog vervelender, van leveringen van reservemateriaal nodig voor onderhoud van de wapens en van technische assistentie en training. Deze wapenembargo’s vormden weliswaar een effectief middel om de ontwikkelingslanden onder druk te zetten, maar zorgde er anderzijds ook voor dat deze landen hun aankooppolitiek al snel wijzigden om deze ongewenste invloed teniet te doen: vanaf de late jaren zeventig ging men over tot diversificatie van de leveranciers en de opbouw van een eigen wapenindustrie.

Diversificatie houdt in dat men niet meer aankoopt bij één enkele leverancier, maar een beroep gaat doen op verschillende leveranciers. Hierdoor verhindert men enerzijds dat het militaire apparaat volledig lam komt te liggen indien één land de leveringen van wapens stopzet. Anderzijds had deze diversificatiebeweging ook haar invloed op de kwaliteit van het geleverde materiaal. Er ontstond namelijk concurrentie die zorgde voor een opbod in de kwaliteit van het materiaal en betere financieringsmogelijkheden bood. Wapens werden soms verkocht tot ver onder hun werkelijke marktwaarde of zelfs gratis geleverd. De legers in de ontwikkelingslanden kregen de mogelijkheid om zich uit te rusten met dezelfde kwaliteit van materiaal als de moderne legers van de NAVO of het Warschaupact.

Risicospreiding door het aantrekken van meerdere leveranciers was voor een aantal ontwikkelingslanden niet voldoende. Zij begonnen dan ook met de opbouw van een eigen wapenproductie in de hoop om zo volledige immuniteit te bereiken tegen wapenembargo’s en onafhankelijk te worden van enige invloed. De opbouw van een eigen wapenindustrie verliep volgens de “five steps of succesful arms production”: (1) Het assembleren van onderdelen die ingevoerd werden in het eigen land, (2) het vervaardigen van enkele componenten in eigen land, (3) het verwerven van licenties om in het buitenland ontworpen wapens zelf te bouwen met onderdelen die komen uit het eigen land en uit het buitenland, (4) het opbouwen van een eigen onderzoeks- en ontwikkelingscapaciteit en vervolgens het ontwerpen van eigen wapens en tenslotte (5) het produceren van eigen wapens met weinig onderdelen uit het buitenland. Deze opbouw van lokale wapenindustrieën zorgde voor een stijging van het aantal landen die zware wapens produceren van een zestal vlak na de Tweede Wereldoorlog naar ongeveer 64 nu. Dit heeft op zijn beurt een belangrijke invloed op de diversificatiebeweging en zorgt voor een belangrijke daling in de effectiviteit van wapenembargo’s door landen uit het noorden en zelfs op wereldwijde wapenembargo’s van de Verenigde Naties. Toch moet hierbij een kritische opmerking gemaakt worden, namelijk dat al deze productieprogramma’s sterk afhankelijk blijven van technologische en andere inbreng vanuit het noorden. Deze eigen productiecapaciteit schiet met andere woorden aan haar doel voorbij en betekent bovendien een zware last voor de zwakke economieën van het zuiden.

Dual-use technologieën en add-on engineering

In verband met de opbouw van eigen wapenindustrieën is het belangrijk om de dual-use problematiek in ogenschouw te nemen. Dual-use goederen zijn goederen die zowel gebruikt kunnen worden voor civiele doeleinden als voor militaire doeleinden. Sinds het eind van de jaren tachtig is het besef gegroeid dat het tegen elkaar opbieden van landen uit het noorden om te mogen leveren aan landen van het zuiden tot gevaarlijke gevolgen heeft geleid. Een aantal ontwikkelingslanden stelden bij akkoorden over wapenleveringen de voorwaarde dat ze de beschikking zouden krijgen over de technologie om wapens te produceren. In hun streven om kost wat kost te kunnen verkopen, zijn verschillende noordelijke landen zo ver gegaan om technologieën te leveren die kunnen gebruikt worden om wapens voor massadestructie te bouwen. Het gebruik van gifgas door Irak tegen Iraanse troepen en burgers, maar ook tegen de eigen bevolking zorgde voor een schokeffect. Irak had namelijk een omvangrijke capaciteit opgebouwd om chemische en biologische wapens te produceren door voor het grootste deel gebruik te maken van dual-use goederen. Aangezien dual-use goederen ook economische goederen zijn, ontsnappen ze gemakkelijk aan de strenge controles die wel van toepassing zijn op wapens en andere militaire goederen. Zoals het voorbeeld van Irak echter aantoonde, zijn ze niet minder onschuldig of minder gevaarlijk dan wapens. Tijdens de Golfoorlog zou trouwens blijken dat Irak op dezelfde manier een nucleaire capaciteit had uitgebouwd.

Dual-use goederen kunnen niet enkel worden gebruikt voor het maken van atoomwapens of chemische en biologische wapens. Civiele elektronica is bijzonder bruikbaar om oudere wapensystemen uit te rusten met moderne richtsystemen om zo hun effectiviteit en efficiëntie sterk te verhogen. Dit is wat men verstaat onder add-on engineering: aan oudere hardware, zoals tanks, kanonnen, jachtbommenwerpers, enz., worden elektronische componenten toegevoegd die de prestaties van het oudere materiaal gevoelig opvijzelen, zodat deze prestaties in de buurt komen te liggen van het meest moderne materiaal. De controle op elektronicacomponenten is zeer moeilijk omdat men niet aan een printplaat met daarop enkele computerchips kan zien of deze gebruikt zal worden in een wasmachine of tv-toestel, dan wel in een computer die een raket naar haar doel moet sturen. Rakettechnologie vormt trouwens een ander belangrijk domein van het dual-use probleem, zoals duidelijk werd nadat landen als Brazilië, Argentinië, Egypte en Irak plots over ballistische wapens beschikten.

Het probleem van de dual-use is ondertussen internationaal erkend en er werden tal van verdragen en wetgevingen opgesteld om dit probleem het hoofd te kunnen bieden. De Europese Unie vaardigde in 1995 een regeling uit over dual-use goederen en technologieën. Deze regulering zorgt ervoor dat er één beleid is ten opzichte van dual-use goederen. Dat wil in de praktijk zeggen dat handelaars in dual-use goederen geen gebruik meer kunnen maken van het principe van de zwakste schakel. Indien een handelaar vroeger geconfronteerd werd met wettelijke en douanebelemmeringen bij de uitvoer van zijn product, had hij de mogelijkheid om het product uit te voeren naar een andere lidstaat zònder controle - het gaat immers om een economisch goed dat vrij mag circuleren binnen de unie - en daar gebruik te maken van de minder strengere wettelijke controles en beperkingen om het product uit te voeren naar een derde land buiten de unie. Door de nieuwe regulering werd een einde gesteld aan deze mogelijkheid om nationale controles te omzeilen.

2. Huidige trends

In dit deel zullen we meer ingaan op de wapens zelf. De ontwikkeling van wapens wordt in het algemeen sterk beïnvloed door de laatste (grote) oorlog, net zoals generaals zich voorbereiden op de vorige oorlog. Momenteel staan de wapenhandel en de productie van wapens onder invloed van twee zaken: de (tweede) Golfoorlog tussen Irak en de coalitie, en de VN-interventies in landen zoals Somalië en de landen van het voormalige Joegoslavië.

2.1. Hoogtechnologische wapens voor ontwikkelingslanden: de invloed van de laatste Golfoorlog

De tweede Golfoorlog vormde het culminatiepunt voor een ontwikkeling die haar oorsprong kende in de nadagen van de oorlog in Zuidoost-Azië, namelijk de opkomst van de elektronica. De ontwikkelingen in de oorlog in Vietnam betroffen voornamelijk de elektronische afweer tegen het omvangrijke en dichte netwerk van luchtafweer, met de beruchte SAM’s, en de proefnemingen met op afstand bestuurde vliegtuigen (RPV’s of Remotely Piloted Vehicle) die gebruikt werden voor het verzamelen van informatie diep in vijandelijk gebied. Deze technologieën kwamen enigszins te laat voor de Vietnamoorlog, maar bewezen onomstotelijk hun belang gedurende de Yom Kippoeroorlog in 1973. Superieure hoogtechnologische wapens vormden één van de hoofdredenen waarom de Israëlische strijdkrachten in staat waren om de Syrische en Egyptische numerieke overmacht te verslaan. Hoewel de US Air Force de RPV vliegtuigjes beschouwden als nutteloos speelgoed, bewezen ze onschatbare diensten aan de Israëli’s, en de afwezigheid van elektronische afweer is sinds deze oorlog ondenkbaar. De invloed van de elektronica heeft zich echter niet beperkt tot deze domeinen. Legers kunnen beschikken over storingsvrije en niet-afluisterbare communicatiemiddelen, dankzij satellietnavigatiesystemen weten soldaten perfect waar zij zich bevinden en de precisie waarmee wapens naar hun doel kunnen worden geleid is zeer indrukwekkend - alhoewel niet geheel foutloos. De laatste Golfoorlog heeft bewezen wat deze nieuwe technologieën waard zijn.

Op de wapenmarkten uit dit zich in een grotere aandacht voor de kwaliteit van de wapens dan voor de kwantiteit. Na het einde van de Golfoorlog ontstond er een grote vraag naar hypermodern militair materieel in de landen van de regio rond de Perzische Golf. Het ging meer bepaald om wapens die geproduceerd werden door leden van de alliantie met de Verenigde Staten op kop, gevolgd door Frankrijk en Groot-Brittannië. Dit leidde echter tot excessen, aangezien de Golfstaten wel beschikten over de nodige oliedollars om dit materiaal aan te kopen, maar niet over het geschikte personeel om ze te bedienen. Het onderwijsniveau in deze landen is bovendien niet hoog genoeg om de wapens te bedienen, laat staan ze te onderhouden. Tenslotte zijn de Golfstaten bevolkt met een groter aantal gastarbeiders dan eigen inwoners en zijn er te weinig eigen inwoners om de legers te bemannen die nodig zijn om deze mensen te beschermen tegen aanvallen van andere landen. Omdat de meeste van deze landen nu voorraden materiaal hebben dat ze niet kunnen bedienen en maar een beetje duur staat te wezen terwijl het ook nog onderhouden moet worden, hebben de regeringen van deze landen beslist om voorlopig geen nieuwe aankopen meer te doen.

Deze grote voorraden militair materiaal houden een gevaar in. In het verleden is gebleken dat grote voorraden militair materiaal de veroveringsdrang stimuleren van militaire bevelhebbers. uit een studie uitgevoerd door Stephanie G. Neuman (1), waarbij vijf interstatelijke conflicten en drie burgeroorlogen werden geanalyseerd, is gebleken dat grote voor de oorlog aangelegde arsenalen een groter destabiliserend effect hebben gehad op de situatie dan kleinere en meer moderne arsenalen. Zo dachten de Argentijnse militaire bevelhebbers bij het uitbreken van de oorlog om de Falklands te beschikken over een numeriek overwicht ten opzichte van de Britten. Dit overwicht zou samen met de lange logistieke pijpleiding die de Britten zouden moeten opstellen leiden tot een onvermijdelijke Argentijnse overwinning. Analoge situaties bestonden in de oorlogen tussen Ethiopië en Somalië, tussen Vietnam en Cambodja, tussen Iran en Irak en tussen Israël enerzijds en Syrië en de PLO anderzijds tijdens de inval van Israël in Libanon. Deze invloed van het beschikken over grote arsenalen bestond ook bij interne conflicten bij de strijd tegen het Polisario in Marokko en de Westelijke Sahara, bij de strijd tegen de Contra’s in El Salvador, Honduras en Nicaragua en tenslotte in Afghanistan.

De wapenmarkt heeft zich momenteel verschoven naar het oosten toe, waar de spanningen langzaam aan oplopen. Landen als China, Singapore, Maleisië en Indonesië geven enorme bedragen uit aan het modernste materiaal, voornamelijk bestemd voor hun luchtmachten zoals F-16 en F-18 gevechtsvliegtuigen, KC-135 vliegende tankers, CH-47 en Mil MI-26 zware transporthelikopters, enz. Maar er wordt ook zwaar geïnvesteerd in een belangrijke eigen productiecapaciteit. Andere landen in de regio, zoals de Filipijnen maken zich zorgen en doen wat ze kunnen, maar beschikken niet over de financiële middelen om deel te nemen aan deze regionale wapenwedloop. India, Pakistan en Noord-Korea zijn al langer bezig met de opbouw van een omvangrijke militaire capaciteit, die in het geval van India zelfs uitgerust is met vliegdekschepen. In Australië bestaat ongerustheid over deze ontwikkelingen en hier werden na een flinke daling de militaire investeringen weer opgetrokken (Australië heeft overigens haar vliegdekschepen jaren geleden van de hand gedaan wegens te duur). Ook in Japan lijkt men ongerust over deze ontwikkelingen. Recent nog besliste de Japanse regering om vier Boeing 767 AWACS (Airborne Warning and Control System) aan te kopen, waarmee het Japanse luchtruim vanuit de lucht kan worden geobserveerd en gecontroleerd. Het lijkt er in deze sterk op dat de geïndustrialiseerde landen de lessen van de Golfoorlog weer even snel vergeten zijn als ze werden aangeleerd. Ook deze regio wordt vol geperst met wapens zonder aandacht voor de mogelijke gevolgen. Aan China worden net zoals vroeger aan Irak zonder omhaal de nieuwste technologieën geleverd, zowel civiel als militair, die voor een enorme verbetering kunnen zorgen in de gevechtscapaciteiten van het Chinese leger, dat sinds de breuk in de relaties met de Sovjetunie een zeer grote technologische achterstand had opgelopen. Ondanks de ervaring met Irak zijn de economische opbrengsten van de enorme potentiële markt die China vormt de aanleiding om opnieuw zonder veel plichtplegingen wapens en technologieën te storten in een regio die onder aanzienlijke en steeds sterker toenemende spanningen staat.

Eén van de hoofdredenen voor dit gedreven zoeken naar nieuwe markten zonder acht te slaan op mogelijke negatieve gevolgen, zijn de ontwikkelingskosten van de moderne wapens. Het duurt ettelijke jaren en het vraagt grote investeringen om een nieuw wapen te ontwikkelen en te produceren. Er zijn in principe twee mogelijkheden om deze kosten te dragen: ofwel neemt de overheid, die de bestelling plaatste, de ontwikkelingskosten voor haar rekening, ofwel rekent men de ontwikkelingskosten door in de stukprijs van het wapensysteem. In dit laatste geval is het natuurlijk zaak om de kosten te verdelen over zoveel mogelijk verkochte wapens zodat men de verkoopprijs per wapen op een concurrentieel niveau kan houden. Omdat de ontwikkelingskosten stijgen, betekent het zelfs voor de rijkste landen een te zware last om deze kosten van overheidswege te financieren. Om de ontwikkelingskosten terug te winnen en de productiekosten zo laag mogelijk te houden, moet men dus grote aantallen wapens verkopen, en wel in het buitenland, aangezien de thuismarkten in de meeste landen te klein zijn om rendabel te kunnen produceren. Dit laatste heeft zowel te maken met de steeds hoger stijgende prijzen van de wapensystemen als met het inkrimpen van de legerbudgetten na het einde van de Koude Oorlog. De kostprijs bijvoorbeeld van één General Dynamics (Lockheed Martin) F-16C Fighting Falcon is op dit moment 23,5 miljoen dollar (2). Deze kostprijs is relatief laag omdat de F-16 van in het begin werd ontworpen als een goedkope maar capabele jachtbommenwerper, maar vooral doordat de kostprijs aanzienlijk gereduceerd kon worden omdat hij in grote aantallen werd verkocht. De kostprijs van de zwaardere Mc Donnell Douglas F-15 Eagle ligt aanzienlijk hoger, nl. 55 miljoen dollar. De hoge stukprijs heeft ervoor gezorgd dat slechts enkele andere landen, Japan, Israël en Saudi-Arabië, het toestel hebben aangekocht, wat een daling van de stukprijs dankzij spreiding van de kosten over grote productie-aantallen heeft verhinderd. Maar zelfs de F-15 is relatief goedkoop in vergelijking met het nieuwste kind van de US Air Force, de Lockheed Martin - Boeing F-22 Raptor, die een prijskaartje draagt van rond de 75 miljoen dollar per stuk (sommige bronnen spreken zelfs van meer dan 90 miljoen dollar per stuk). Niet alleen zullen weinig landen geneigd zijn om een vliegtuig met een dergelijke kostprijs aan te schaffen, maar bovendien is het niet waarschijnlijk dat export van dit hoogtechnologische jachtvliegtuig wordt toegelaten vanwege strategische redenen.

Niet alle ontwikkelingslanden hebben de financiële middelen om al dit hoogtechnologisch speelgoed aan te kopen. Voor de meeste militairen is de stand van zaken niet verbeterd sinds het einde van de Koude Oorlog. De steun die men toen kon genieten van één van de twee supermachten is volledig weggevallen, terwijl de interne economische toestand van de meeste landen niet verbeterd is, of integendeel zelfs verslechterde. Dit verklaart grotendeels de enorme populariteit van upgrade kits enerzijds en het ontstaan van een zeer grote markt in tweedehands materiaal anderzijds. Upgrading of het op niveau brengen van oudere wapensystemen kan twee vormen aannemen: ofwel het vervangen van componenten van wapensystemen door modernere versies, ofwel het bijvoegen van elektronica om de prestaties van het wapentuig op te voeren, de hierboven besproken add-on engineering. De tweede bron van relatief goedkope militaire uitrusting is ontstaan uit de grote beschikbaarheid van tweedehands materiaal na het einde van de Koude Oorlog. Zowel de NAVO-landen als de landen van het vroegere Warschaupact beschikten over enorme hoeveelheden surplusmateriaal, d.i. zowel reservemateriaal als materiaal dat ontmanteld of verwijderd moest worden als gevolg van reductie en ontwapeningsverdragen, zoals bijvoorbeeld het Conventional Forces in Europe (CFE) verdrag. Deze wapens zijn zeer interessant voor landen uit het zuiden, ten eerste omdat zij (relatief) goedkoop zijn en ten tweede omdat deze landen niet zonodig het meest moderne materiaal hoeven aan te kopen, aangezien hun nabije en verre buren ook niet beschikken over high-tech legers (3).

2.2. Wapens voor blauwhelmen en wapens voor rebellen

De acties van de Verenigde Naties onder hoofdstuk VI en VII van het charter bestaan meestal uit het controleren van een wapenstilstand. Deze opdrachten worden meestal uitgevoerd met (veel te) lichte wapens. Het gevolg is dat er een flinke vraag is naar lichte wapens, pantserwagens, kogelvrije kleding, ontmijningsapparatuur en luchttransportcapaciteit. Deze vraag gaat voornamelijk uit van de geïndustrialiseerde landen, hoewel een steeds groter aantal ontwikkelingslanden een prominente rol spelen in VN-acties, denk maar aan Pakistan.

Het zijn niet zozeer de ontwikkelingen in het domein van de lichte wapens dan wel de vredesoperaties die de aandacht hebben gevestigd op het probleem van de kleine wapens. Verliezen gedurende deze operaties zijn moeilijk te verantwoorden bij het thuisfront en het zijn net de kleine wapens die jaarlijks zorgen voor een flink aantal verliezen onder de peace-keepers. De Afrikaanse landen kampen al decennialang met dit probleem en de recente gebeurtenissen in Rwanda, Zaïre en Burundi tonen aan dat dit niet alleen een enorm probleem is, maar dat het bovendien een probleem is dat zeer moeilijk te beheersen valt. In tegenstelling tot de hoogtechnologische wapens die zeer duur zijn en enkel binnen het financiële bereik vallen van een aantal (ontwikkelings)landen kennen de lichte wapens geen specifiek geografisch verspreidingsgebied. Lichte wapens zijn over gans de wereld vrijelijk te verkrijgen tegen zeer lage prijzen, dankzij de concurrentie die bestaat onder een onoverzichtelijk groot aantal producenten en de enorme voorraden die wereldwijd liggen opgeslagen. Bovendien zijn deze wapens intrinsiek robuust en hebben ze daardoor een zeer lange levensduur. Hierdoor is het fenomeen ontstaan dat deze wapens van conflict naar conflict reizen en telkens opnieuw levens eisen. Een aanvalsgeweer, bijvoorbeeld een AKM, de verbeterde versie van de beruchte AK-47 Kalashnikov, dat door het Sovjetleger bij de inval in Afghanistan op 24 december 1979 het land in wordt gebracht komt zo in handen van de Muhajedin bij een overval op een bevoorradingskonvooi. Het wapen doet daarna jaren dienst bij de moslimrebellen, wisselt daarbij enkele keren van fractie en wordt uiteindelijk verhandeld naar Pakistan waar het gebruikt wordt tegen de Pakistaanse regeringstroepen. Daar wordt het opgekocht door Afrikaanse wapenhandelaars en verscheept naar Oeganda. Van daar reist het naar Rwanda waar het wordt gebruikt tijdens de massaslachtingen. Vervolgens trekt het de grens over naar Oost-Zaïre en doet het dienst gedurende de ganse veldtocht van Kabila naar Kinshasa. Na het einde van deze veldtocht is het van minder waarde en doet het de overtocht over de Zaïre/Congo-stroom om dienst te doen in de handen van een rebel die het centrale gezag in Brazzaville omver wil werpen. En als het wapen ook deze strijd doorstaat, zal het met enige waarschijnlijkheid worden verkocht en uitgevoerd naar de volgende conflicthaard.

De aanwezigheid van lichte wapens verhindert in grote mate de heropbouw en heropleving van de landen die net uit een gewapend conflict komen. De heropleving van de economie verloopt tergend langzaam, en veel mensen vinden het eenvoudiger en aantrekkelijker om hun wapens te gebruiken om voedsel en goederen te roven, dan om weer te keren naar hun velden en moeizaam terug een bestaan op te bouwen dat op zijn best weer armoedig zal zijn. Hierdoor wordt de economische heropleving natuurlijk sterk gehinderd, waardoor men in een neerwaartse spiraal terechtkomt met toenemend geweld en toenemende armoede.

Het besef van dit probleem bij de geïndustrialiseerde landen begint zich nu langzaam aan te uiten in een streven naar een internationale regeling over de kleine wapens. De werkelijke totstandkoming van zo’n regeling zal echter nog minstens enkele jaren duren. Zelfs dan zal het waarschijnlijk slechts gaan om een internationaal akkoord over de registratie van deze wapens en transparantheid in de handel ervan, zoals dat nu reeds het geval is bij de zware conventionele wapens. Het Internationaal Register van Transfers van Klassieke Wapens is een lijst die jaarlijks verschijnt, en waaraan landen op vrijwillige basis deelnemen. Zij verstrekken gegevens over de aantallen zware wapens die zij uitvoeren en hun bestemming en kostprijs. Het probleem met dit soort registers is dat zij geheel vrijblijvend zijn, m.a.w. landen zijn niet verplicht om de gegevens door te geven, en dat ‘foute’ handel niet kan worden gesanctioneerd.

Het besef van het probleem van het circuleren van wapens van beëindigde naar beginnende conflicten, uit zich op het veld in de inruil, terugkoop of inleveringsprogramma’s. Hierdoor probeert men de wapens uit circulatie te krijgen. Het probleem is dat hierbij een handel opduikt. Wapens kunnen bijvoorbeeld worden omgeruild tegen voedsel, maar in oorlogsgebieden is voedsel moeilijker te verkrijgen dan wapens en dus ook duurder. De burgerbevolking levert dan de goedkope wapens in voor duur voedsel, dat zij vervolgens verkoopt om met de opbrengst ervan nog meer wapens te kopen die wan weer worden geruild tegen voedsel. Hierbij gaat men soms over tot het invoeren van goedkope wapens uit het buitenland. Dit systeem is dus niet geheel vrij van fouten, maar alleszins worden op die manier wapens uit de roulatie genomen.

3. Besluit

Zij die gehoopt hadden op een universele wereldvrede na het einde van de Koude Oorlog komen duidelijk bedrogen uit. Op de internationale wapenmarkten is het ‘business as usual’, zij het dan dat deze wapenmarkten, zoals ieder andere markt, onderhevig zijn aan conjunctuurbewegingen.

De wapenhandel naar landen in het noordelijk halfrond is sterk afgenomen na de val van de Berlijnse muur en de daaropvolgende ontspanning. Men zoekt toenadering en gebruikt daarbij eerder argumenten van politieke en economische dan van militaire aard. Het zuidelijk halfrond ondergaat hierbij de effecten van deze toenadering tussen de twee vroegere grote machtsblokken. Voor hen betekent dit centen tellen, na het wegvallen van economische en militaire steun die bedoeld was om de invloed van de andere macht te weren. Met het beperkte budget stelt men zich opnieuw tevreden met tweedehandse wapens, die overvloedig verkrijgbaar zijn uit de voorraden van de landen uit het Noorden. Een andere populaire mogelijkheid is de ‘upgrading’ van ouder materiaal om de nuttige levensduur van deze wapensystemen te verlengen.

Ontwikkelingslanden die wèl over de financiële mogelijkheden beschikken hebben zich na de Golfoorlog gestort op de hoogtechnologische wapens, die de in moeilijkheden verkerende wapenindustrieën van de geïndustrialiseerde landen met grote gretigheid leveren. De markt in het gebied van de Perzische Golf raakt verzadigd, nu meer en meer leiders tot het besef komen dat hoogtechnologische wapens aankopen geen zin heeft als ze niet kunnen beschikken over het personeel om ze te bedienen en te onderhouden. De markt voor hoogtechnologische wapens verschuift ondertussen naar het Oosten, waar toenemende spanningen in Azië leiden tot een regionale wapenwedloop die blijkbaar volledig aan de aandacht van het Westen ontsnapt.

Ondertussen trekken de handelaars in lichte wapens van conflict naar conflict. Gedurende decennia hebben zij hun werk ongestoord kunnen uitvoeren, omdat de aandacht van de wereld volledig was gericht op ABC-wapens. Als men echter kijkt naar het aantal doden dat de afgelopen vijftig jaar werd veroorzaakt door lichte wapens in vergelijking met nucleaire, biologische of chemische wapens, wordt het duidelijk dat lichte wapens geen lichte gevolgen veroorzaken en in feite de echte massadestructiewapens zijn. Pas nu lijkt de wereld tot dit besef te komen en wordt er een pril begin gemaakt van een regeling m.b.t. deze wapens.

Noten:

1. Stephanie G. Neuman, The arms trade in recent wars: the role of the superpowers, Journal of international affairs, 1986, vol.40 nr.1 (summer), p.77-114

2. Alle prijzen zijn gerekend in de huidige (1997) dollarwaarde

3. Een andere reden is dat het voor deze landen onmogelijk is om deze wapens te onderhouden met het laaggeschoolde militaire personeel waarover ze kunnen beschikken. Dit is vooral belangrijk omdat hoogtechnologisch materiaal gevoelig is voor de klimatologische omstandigheden die gewoonlijk in de derdewereldlanden heersen, zoals hitte en extreem hoge of extreem lage vochtigheidsgraden. Bovendien zijn deze wapens ontworpen voor een ander soort slagveld, namelijk de Europese laagvlakte die loopt vanaf de Pyreneeën tot aan de Oeral. Zo zijn de meeste moderne pantserwagens te zwaar voor de gammele houten bruggen die men gewoonlijk aantreft in ontwikkelingslanden.

De auteur is licentiaat in de Politieke Wetenschappen, specialisatie Internationale Betrekkingen, van de KULeuven. Hij werkte als vrijwilliger van Pax Christi mee aan de politieke eisen van de landmijnencampagne. Werkt nu als vrijwilliger mee aan de Balkanactie van de gemeenten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift