De dieperliggende angst die achter “venterigheid” schuilt

Echte mannen en vervelende klimaatmeisjes

© Brecht Goris

Jan Mertens

Het is een belangrijke dimensie van het klimaatdebat die misschien nog onvoldoende aandacht krijgt: de manier waarop een bepaald soort mannelijkheid wild om zich heen slaat en probeert het eigen privilege te beschermen of te heroveren.

Ze vinden zichzelf stoer, maar het zijn in wezen zielige mannen. ze willen die vervelende klimaatmeisjes liefst helemaal kapot maken. Die mannen maken veel lawaai en doen zichzelf voor als “realist” of “modernist”, maar het heeft meer met hun mannelijke angsten dan met ecologie te maken. Een ander soort mannelijkheid zou toch mogelijk moeten zijn.

Concrete mannen en beelden van wat “mannelijkheid” zou kunnen of moeten zijn, het zijn twee verschillende dingen. Ik ben een man, of ik kan ondertussen toch alleszins aan mezelf denken als aan een man.

Als iemand mij omschrijft als mannelijk, word ik vaak al een beetje zenuwachtig. Als iemand me, met zeer goede bedoelingen, zegt dat ik mijn mannelijke energie meer zou moeten erkennen, kan er al een lichte kortsluiting in mijn hoofd optreden. Wat door velen klassiek als “mannelijkheid” wordt gezien, triggert in mijn lichaam toch meteen iets van “vernietiging”.

Dat beeld komt niet uit het niets, het is ook een beeld dat al eeuwenlang in onze cultuur is verbonden met wat we mannelijk noemen. Dat soort mannelijkheid heeft een gruwelijk spoor van vernieling nagelaten. Je zou echter met het woord mannelijk ook positieve dingen kunnen verbinden, zoals de energie om dingen te creëren of de wil om iets te beschermen.

Het is allemaal verwarrend, en dat is goed. Identiteiten zijn meerlagig en vloeiend. In deze tijden van verwarring is er echter bij velen een druk om weer meer eenduidige identiteiten naar voor te schuiven. In veel landen zie je de opkomst van politieke leiders die zich uitdrukkelijk als autoritaire mannelijke figuren affirmeren. Ze stralen vaak iets uit van een verlangen om “terug” een “echte” man te kunnen zijn. Ze verzetten zich tegen wat in hun ogen week en vloeiend is. (Zoals dat ook in het fascisme gebeurde.) In de klimaatdiscussie zie je dat in een uitvergrote vorm. Het is een vorm van “venterigheid” die niet alleen erg vermoeiend is, maar ook potentieel gevaarlijk. Soms lopen de weigering om de klimaatuitdaging te aanvaarden en de haat voor alles wat als “vrouwelijk” wordt gezien samen.

Ik weet dat dit soort discussie erg drassig kan zijn. Het gaat mij helemaal niet over “de” man of “de” vrouw. Heel veel mannen worstelen op een heel mooie manier met hun mannelijkheid en al de maatschappelijke verwachtingen die ermee samenhangen en doen het heel erg goed. Doorheen de eeuwen zijn er steeds mannen geweest die het slachtoffer waren van de rol waarin ze zich moesten duwen. En datzelfde geldt natuurlijk ook voor vrouwen.

Vandaag is er tegelijk meer openheid voor het vloeiende en onbepaalde van genderidentiteiten en aan de andere kant bij sommigen een groot verlangen naar stevige robuuste identiteiten. En in dat laatste zit vaak erg veel angst. Je kunt je onzekerheid sublimeren door jezelf “sterk” te maken of door die te smoren in een pleidooi voor een sterke leider die (mannelijke) daadkracht uitstraalt.

Petro-masculinity

Bij de recente editie van Ecopolis was er een zeer boeiend debat over klimaatontkenning, rechts-populisme en vrouwenhaat. Het kwam in zekere zin bijna als een opluchting, te horen hoe de ecofeministen in het panel het hele plaatje schetsten. Zij hadden al woorden en beelden voor dingen die ik al een tijd zie en niet altijd goed kan of durf benoemen. Zo was er een verwijzing naar het concept “petro-masculinity”.

In het idee van voortdurende economische groei en eindeloze expansie (tot in de ruimte) zit ook een primitief soort verlangen naar controle over dingen waar je dan “recht” op zou hebben.

Je moet eigenlijk maar een paar keer kijken naar het personage Donald Trump om te zien hoe een bepaald soort reactionair mannelijk verlangen wordt samengevoegd met de verheerlijking van de brute kracht van fossiele brandstoffen en alles wat we daarmee verbinden. Er zijn blijkbaar – daarin aangemoedigd door mensen als Trump – heel wat mannen die heel assertief met een heel grote auto willen rondrijden, die liefst heel veel lawaai maakt en heel veel vieze rook uitstoot. Het is niet zozeer klimaatontkenning, het is veeleer klimaatweigering.

Als je kijkt naar onderliggende beelden of symbolen zou je kunnen zien dat een bepaald soort model van wat “ontwikkeling” is, is verbonden met een vaak agressieve vorm van veroveren of toe-eigenen, en dat met machines die als wapens een heel eenduidige (mannelijke) energie uitstralen. Als we graadmeters ontwerpen voor wat welvaart is, dan meten we hoeveel producten er door de buis van de economie stromen.

Dingen als “zorg” zijn niet-economisch of niet-monetair. Je kunt ze ook niet zomaar vatten in een ding, ze zijn min of meer vloeiend, ze ontsnappen aan een bepaald soort rationaliteit waarin alleen die dingen bestaan die je kunt “meten”. In het idee van voortdurende economische groei en eindeloze expansie (tot in de ruimte) zit ook een primitief soort verlangen naar controle over dingen waar je dan “recht” op zou hebben.

Wie dat verlangen in vraag stelt, of zegt dat het niet mogelijk zou zijn, of wijst op de schade die erdoor wordt aangericht (externaliteiten) krijgt vaak een enorme golf van agressie over zich. En als de planetaire werkelijkheid zelf zegt dat sommige dingen eigenlijk niet mogelijk zijn, komen ook de privileges van de identiteiten die met die illusie waren verbonden in het gedrang. Die verwarrende werkelijkheid is in zekere zin vloeiend, en dan is het verlangen groot naar een monolithisch (fallisch) ego dat in staat is de superfragiele identiteiten te overroepen.

“White man’s privilege”

De manier waarop de Anuna’s en Greta’s van deze wereld ten koste van alles moeten kapotgemaakt worden wijst op een dieperliggende angst.

Mensen die daarvoor gestudeerd hebben zullen de psychologische mechanismen veel beter kunnen uitleggen dan ik het hier deed, maar misschien zit ik al een beetje in de goede richting. De ongehoorde brutaliteit die blijkbaar geoorloofd is in het aanvallen van vrouwen of meisjes die vragen dat er een ambitieus klimaatbeleid komt is zonder meer schokkend.

De manier waarop de Anuna’s en Greta’s van deze wereld ten koste van alles moeten kapotgemaakt worden wijst op een dieperliggende angst. Ze stellen het white man’s privilege in vraag. Maar wat ze vragen wordt door sommige bange venten blijkbaar ook ervaren als week of zacht of vloeiend, als vrouwelijk, en dus als bedreigend. De mannelijkheid van de stijve piemel is afgescheiden van het andere, niet verbonden maar eenduidig, niet de weg zoekend in een emotioneel mijnenveld maar zonder schroom opeisend.

En dan komen er ineens mensen die zeggen dat het oude model met de welomschreven rol voor mannen en vrouwen niet meer mag. Ze zeggen dat we dingen moeten “verminderen” (we moeten onszelf in onze veroveringsdrang temperen, we moeten onze energie laten begrenzen door ethische principes), ze zeggen dat we als identiteit niet monolithisch zijn maar integendeel verbonden met alle andere wezens van “moeder aarde”.

Blijkbaar moeten we zo niet alleen onze eigen twijfels in de ogen kijken, het wordt door sommigen als een vorm van ontmannelijking ervaren. Ze willen niet beginnen nadenken over beleid dat actief de uitstoot (uit een pijp) vermindert, ze willen alleen denken aan oplossingen die weer verlopen via “machines”, en zo even controlerend zijn. Ik ben het hier bewust allemaal een beetje aan het overdrijven, maar het is interessant om af en toe ook eens naar die beelden te kijken en dan opnieuw uitspraken te beluisteren van politici.

Als onze Vlaamse minister-president heel trots zegt dat hij geen applaus zoekt bij Greta Thunberg maar wel bij Vlaamse ondernemers, dan is zo’n uitspraak niet neutraal. Ik wil hem niet beschuldigen van wat dan ook, maar de gekozen woorden normaliseren een bepaald discours en bepaalde beelden die niet ideologisch of cultureel neutraal zijn. Op dat meisje worden allerlei angsten geprojecteerd, die dan verwoord worden in termen van “psychisch ziek”. Lees: vrouwen zijn hysterisch, je hoeft er dus geen rekening mee te houden.

Als bange venten hun angst vertalen in een assertieve vernietigende mannelijkheid is het helemaal niet meer grappig, integendeel.

En dan zwijgen we nog over alle vreselijke seksuele bedreigingen die vrouwen die zich uitspreken over het klimaat over zich heen krijgen. Ze verdienen volgens sommige mannen (zeker als ze dan ook nog eens lesbisch zijn) een stevige beurt zodat ze gaan zwijgen over die onzin van het klimaat. Het doet me denken aan het artikel dat ik vorige week in de krant las over een onderzoek naar de motieven waarom mannen zogenaamde “dickpicks” naar vrouwen sturen. Zo’n 5,5% van hen zou dat doen ‘om vrouwen te straffen voor het bestaan van het feminisme, dat als doel zou hebben mannen hun macht te ontnemen’ (DS, 03/12/19).

Bange venten zijn vermoeiend. Als het alleen dat zou zijn, zou het nog gewoon grappig kunnen zijn. Als ze hun angst vertalen in een assertieve vernietigende mannelijkheid is het helemaal niet meer grappig, integendeel. Het aanklagen van die patronen is geen feministische onzin, ook integendeel.

Het moet toch veel beter kunnen. Als we er dan toch beelden voor willen, zouden we mannelijkheid niet kunnen verbinden met het grote project om net niet te behouden wat was, maar wel om een heel nieuw soort welvaart te bedenken? We zouden in dat beeld allerlei dingen kunnen verbinden met een zorgzame mannelijkheid (caring masculinities): dingen als kwetsbaarheid, verbonden zijn met anderen, ethische grenzen aan ongebreideldheid, rechtvaardigheid (niet in de vorm van wraak of eer, maar net in een heel menselijke invulling van gelijkwaardigheid) of toelaten van verdriet en angst en twijfel.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Die beelden kunnen sommige mannen misschien helpen om hun drang tot bescherming niet zozeer te richten op hun kwetsbare piemel, maar wel op een kwetsbare aarde en op alle wezens die zich daarop bevinden.

Zo kunnen we ook een veel beter voorbeeld geven aan onze kinderen dan hen uit te schelden omdat ze hun terechte angst voor hun toekomst vertalen in acties op straat. Als volwassenen zouden we, ook al zijn we zelf bang, onze kinderen moeten beschermen.

Onze angst projecteren op onze kinderen, en hen er dan voor verantwoordelijk maken, zal een rechtvaardige en duurzame toekomst niet echt dichterbij brengen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Beleidsmedewerker Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling

    Jan Mertens woont in Leuven, werkt voor de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, en is onder meer ook actief in de denktank Oikos.