Tijd voor een grondige facelift van de Bretton-Woodsinstellingen

Een verjaardag zonder glans

Stephen Jaffe / IMF (CC BY-NC-ND 2.0)

Op hun 75ste verjaardag lopen de “oude” Bretoon Woods-instellingen meer dan ooit het risico irrelevant te worden als hoeders van het economisch en financieel multilateralisme

Deze week gaan in Washington de jaarvergaderingen van zowel Wereldbank als Internationaal Monetair Fonds van start. Dat is zowat de hoogmis van iedereen die met ontwikkeling en vooral de financiële kant daarvan bezig is. Een verjaardagseditie, want zowel de bank als het fonds bestaan dit jaar 75 jaar. Ver boven de (voorlopig toch) pensioengerechtigde leeftijd dus. Aan hun pensioen denken die instellingen nog lang niet, maar ondertussen is het wel tijd voor een grondige face-lift.

In de zomer van 1944 – de oorlog was nog volop aan de gang – verzamelden meer dan 700 vertegenwoordigers van de 44 “geallieerde naties” in een hotel in het pittoreske Amerikaanse bergdorpje Bretton Woods. Doelstelling was om de krachtlijnen van het naoorlogse monetair en financieel systeem vast te leggen. Als de wereld toekomstige conflicten met dergelijke apocalyptische omvang wilde vermijden, kon dat niet zonder financiële stabiliteit en een gegarandeerde welvaart voor iedereen.

Het IMF en de Wereldbank – kortweg de Bretton Woods-instellingen – vormden het sluitstuk van het akkoord dat de vrede wilde bewaren door economische stabiliteit en ontwikkeling. De focus lag aanvankelijk op het door de oorlog verwoestte Europa, maar verlegde zich gaandeweg naar de nieuwe onafhankelijke “ontwikkelingslanden”.

De “Structurele Aanpassingsprogramma’s” pasten overal grosso modo eenzelfde recept toe van besparingen, privatiseringen, liberaliseringen en deregulering. Het gevolg was een gefnuikte groei en in vele gevallen meer armoede.

Met de ambitie om de stabiliteit te bewaren, liep het al snel mis. Sinds het bestaan van de Bretton Woods-instellingen blijken financiële crises nog lang de wereld niet uit. Van Mexico in de jaren 80, Zuidoost-Azië in de jaren 90 tot de “globale” financiële crisis minder dan een decennium geleden. De analyse was steeds dat er aan de instellingen zelf niets schortte maar dat de betrokken landen er niet in slaagden om de afspraken met die instellingen na te komen.

Ook de ontwikkelingsmissie konden ze niet altijd waarmaken. Zo introduceerde de Wereldbank na het “verloren decennium voor ontwikkeling” in de jaren 1980 haar “Structurele Aanpassingsprogramma’s”. Die programma’s pasten overal grosso modo eenzelfde recept toe van besparingen, privatiseringen, liberaliseringen en deregulering. Het gevolg was een gefnuikte groei en in vele gevallen meer armoede.

Dat die programma´s niet werkten, konden nu ook de instellingen zelf niet blauw blauw laten. Het antwoord was een meer holistische benadering van armoede. Het neoliberale hoofdgerecht kreeg een sociaal dessert met aandacht voor sociale vangnetten zoals inkomensgaranties, gezondheidszorg, onderwijs, milieu en aandacht voor vrouwenrechten.

De afgelopen jaren zagen we dan vooral een modernisering van het discours van de Bretton Woods-instellingen. Investeringen moesten vooral het “menselijk kapitaal” van landen in ontwikkeling aanzwengelen en klimaatverandering aanpakken, werd een cruciale doelstellingen net omdat het de economische stabiliteit bedreigt.

Het fonds blijft geloven in het “snoeien om te groeien”-adagium, ook al gaf het in 2013 toe dat het de weerslag van de besparingen op de Griekse economie had “onderschat”.

In de kern bleef het werkelijke beleid van de instellingen echter een doorslag van wat men de “Washington Consensus” is gaan noemen: procyclisch begrotingsbeleid met “structurele aanpassingen” die het fiscale stootkussen voor wie zich niet bovenaan de inkomenspiramide bevindt, aantasten. Argentinië is wellicht het meest spraakmakende voorbeeld. Onder druk van de president Trump, verstrekte het IMF vorig jaar een recordlening van 56 miljard dollar. Harde besparingen fnuikten het economisch herstel en een afbraakbeleid in sectoren als gezondheidzorg en openbare diensten zorgen ervoor dat een derde van de Argentijnen vandaag in armoede leeft. Het fonds blijft geloven in het “snoeien om te groeien”-adagium, ook al gaf het in 2013 toe dat het de weerslag van de besparingen op de Griekse economie had “onderschat”.

Terwijl het beleid van de Bretton Woods-instellingen weinig fundamenteel verandert, doet de wereld dat wel. De globalisering waarover bank en fonds waken, kalft af. Minder internationale geldstromen, minder investeringsakkoorden en minder buitenlandse investeringen (al was die groei de laatste jaren toch in grote mate fictief als gevolg van lucratieve investeringsroutes via belastingparadijzen).

Tegelijkertijd keren ook meer en meer mensen zich af van de “globale elite” en met het klimaat staat een uitdaging voor de deur van minstens dezelfde magnitude als de naoorlogse wederopbouw. Tegen die achtergrond profileren de Bretton Woods-instellingen zich steeds meer als mondiaal intellectueel ijkpunt als het over economische ontwikkeling gaat.

De touwtjes van zowel bank als fonds blijven in handen van een minderheid van aandeelhouders waaronder de Verenigde Staten, die de facto over een vetorecht beschikken.

Vanuit de studiediensten komt vooruitstrevend werk over klimaat of ongelijkheid. Dat sijpelt door naar het discours. Christine Lagarde, tot voor kort “managing director” van het IMF, noemde ongelijkheid ‘corrosief voor de economische groei en de samenleving als geheel’ en vond het nodig dat het IMF een verschil zou maken op vlak van klimaat. Voor hij naar een investeringsfonds op Wall Street vertrok, vond ook Wereldbank-president Jim Kim dat de Bank niet alleen armoede moest bestrijden maar ook ongelijkheid aanpakken.

Het discours is veranderd, de instellingen kregen een menselijker gezicht, maar wat achter de vitrine in de winkelrekken ligt, blijft grotendeels hetzelfde. Ondertussen blijft ook de beheersstructuur van de instellingen een relict uit lang vervlogen tijden. John Maynard Keynes, die het Bretton Woods-akkoord onderhandelde voor de Britse regering, maakte zich al zorgen dat een organisatie als het IMF te veel macht zou krijgen over landen met een tekort op de handelsbalans zoals het verpauperde Verenigd Koninkrijk net na de Tweede Weredloorlog.

Uiteindelijk trokken de Verenigde Staten aan het langste eind. En zo is het nog steeds. De touwtjes van zowel bank als fonds blijven in handen van een minderheid van aandeelhouders waaronder de Verenigde Staten, die de facto over een vetorecht beschikken. Pogingen om die structuur aan de veranderende economische realiteit aan te passen, lopen vast op een Amerikaanse president op economisch oorlogspad, terwijl de keuze van het leiderschap van de instellingen het voorrecht blijft van “gentlemen”, de VS en Europa.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Op hun vijfenzeventigste verjaardag lopen de “oude” Bretton Woods-instellingen meer dan ooit het risico irrelevant te worden als hoeders van het economisch en financieel multilateralisme. Enerzijds is dat omdat ze er onvoldoende in slagen hun missie van stabiliteit en welzijn voor iedereen waar te maken. Anderzijds ook omdat ze nog steeds een kind blijven van een wereld die steeds meer afbrokkelt. Terwijl China tijdens de conferentie in 1944 nog niet ernstig werd genomen als economische factor, focust het zich vandaag op eigen multilaterale ontwikkelingsbanken.

Op een dag dat het multilaterlisme op apegapen lijkt te liggen, is de verleiding groot om de verdediging van de Bretton Woods-instellingen op te nemen, want alles lijkt beter dan de terugkeer naar het beggar-thy-neighbour beleid van voor de tweede wereldoorlog. Toch doen ze er goed aan om deze crisis niet te verspillen en hun rol fundamenteel te herdenken.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.