‘Afrika heeft méér onderlinge handel nodig in deze tijden van economisch nationalisme’

Mukhisa Kituyi, voormalig minister van Handel en Industrie van Kenia, is sinds 2013 secretaris-generaal van UNCTAD, de VN-organisatie voor Handel en Ontwikkeling. MO* sprak met hem over het belang van en de barrières voor regionale handel in Afrika. ‘Wij moeten ingaan tegen de mondiale trend die multilaterale afspraken verdacht vindt en gelooft in economisch nationalisme.’

  • © Gie Goris Mukisha Kituyi: ‘Wij moeten ingaan tegen de mondiale trend die multilaterale afspraken verdacht vindt en gelooft in economisch nationalisme.’ © Gie Goris
  • © Gie Goris Mukisha Kituyi: 'Het probleem is dat economisch nationalisme ook in Afrika al sterk aanwezig is, ondanks de groei van regionale handelsblokken.' © Gie Goris
  • © Gie Goris Mukisha Kituyi:De opdracht vandaag is de koloniale infrastructuur te vervangen door een productieve en geïntegreerde infrastructuur.' © Gie Goris

Het aandeel van Afrika in de wereldhandel is klein en daalt: van 6 procent in 1980 naar 2,4 procent vandaag. ‘Bovendien bestaat 57 procent van de uitvoer nog steeds uit ruwe grondstoffen,’ zegt Kituyi, ‘wat betekent dat Afrika nog steeds vastzit in economische activiteiten die weinig meerwaarde en weinig banen opleveren.’

Dat probleem is nog scherper in de stijgende handel met Azië dan in de uitvoer naar Europa. Slechts 5 procent van de handel met China bestaat uit afgewerkte producten, bijvoorbeeld. Bovendien gebeurt 56 procent van de betalingen in Afrika via niet-Afrikaanse banken, wat de financiële voordelen van de transacties ook nog eens het continent doet uitvloeien.

Mukhisa Kituyu was uitgenodigd als keynote-spreker op de Brussels Policy Briefing over regionale handel in Afrika.

De conferentie werd georganiseerd door CTA (Technisch Centrum voor Landbouw en Rurale Samenwerking), IFPRI (International Food Policy Research institute), het ACP (Afrika, Cariben en Stille Oceaan staten) secretariaat, Europese Commissie DG Devco) en Concord (koepel van Europese ontwikkelingsorganisaties).

www.cta.int

De handel tussen Afrikaanse landen onderling levert meer meerwaarde en dus ook meer banen op. Maar die intra-Afrikaanse handel blijft bedroevend laag in vergelijking met andere regio’s in de wereld. Binnen de Afrikaanse Unie is de interne handel goed voor maar 11 procent van de totale handel, terwijl dat binnen de Europese Unie 80 procent is en 50 procent in Azië (zonder Japan).

Dat heeft onder andere te maken met de opvallend hoge invoertarieven die in Afrika gehanteerd worden: met een gemiddelde van 8,4 procent zijn die invoertarieven in Afrika bijna viermaal zo hoog als het gemiddelde van de rest van de wereld (2,4 procent).

Landbouw is ontzettend belangrijk voor Afrika: de sector zorgt voor 65 procent van de tewerkstelling, 17 procent van het bnp en 40 procent van de exportinkomsten. Bovendien groeit de bevolking heel snel aan, terwijl ook de verstedelijking sneller gaat dan in andere continenten.

Op dit moment is Afrika sterk afhankelijk van voedselimport. Van 200 tot 2012 voerde Afrika voor 234 miljard dollar voedsel in. 60 procent van de tarwe- en bloemconsumptie en 40 procent van de rijstconsumptie in Afrika wordt ingevoerd vanuit de rest van de wereld. Ook voor vis, suiker en melkproducten is Afrika sterk afhankelijk van de buitenwereld.

20 procent van de landbouwexport door Afrikaanse landen gaat naar andere Afrikaanse landen tegenover 37,5 procent naar de EU en 31,7 procent naar Azië. 15 procent van de landbouwimport komt uit andere Afrikaanse landen, tegenover 28 procent uit de EU en 25 procent uit Azië.

Kituyi: ‘Een van de oorzaken van die blijvende ondervertegenwoordiging van regionale en intra-Afrikaanse handel, is dat het handelsbeleid van de Afrikaanse landen bepaald wordt door de overheid in samenspraak met de grote agrobedrijven, maar dat de kleine boeren niét mee aan tafel zitten. Hun grensoverschrijdende handel valt daardoor al snel onder de noemer “smokkel”, terwijl de grote bedrijven formele handel bedrijven. Nochtans zijn het juist de grensbewoners die het grootste belang hebben bij grensoverschrijdende handel.’

© Gie Goris

Mukhisa Kituyi: ‘Het probleem is dat economisch nationalisme ook in Afrika al sterk aanwezig is, ondanks de groei van regionale handelsblokken.’

Die kleine boeren en hun boerenorganisaties verzetten zich bijna allemaal tegen grote vrijhandelsakkoorden, en met name tegen de EPA’s die de EU doorduwt.

Mukhisa Kituyi: De meeste kleine boeren in Afrika zijn bezig met lokale markten, zij zijn -op uitzonderingen als de Keniase bloementelers na- niet bezig met internationale handel. De EPA’s zijn voor hen dus alleen een bezorgdheid omdat gesubsidiëerde Europese landbouwproducten de lokale Afrikaanse markten verder dreigen te verstoren.

Naast de Europese EPA’s werd ook de Doha-Ontwikkelingsronde van de Wereldhandelsorganisatie voorgesteld als een noodzakelijk sprong voorwaarts voor de ontwikkelingslanden. Ook dat werd door vele boerenorganisaties te vuur en te zwaard bestreden. Intussen is die handelsronde meer dan 15 jaar oud, en zo dood als een pier. Verwacht u er nog wat van?

Mukhisa Kituyi: Ik ben eerder pessimistisch over multilaterale oplossingen voor de toegang van landbouwproducten tot de wereldmarkt, en over de Doha-ronde in het bijzonder. De trend gaat helemaal de andere kant op: multilateraal is verdacht, nationalisme is in. Tezelfdertijd is het onmogelijk voor Afrikaanse landen om faire bilaterale verdragen te onderhandelen met de grote handelspartners, die over een veelvoud aan goed onderlegde onderhandelaars beschikken.

‘Economisch nationalisme kan heel nadelig uitvallen voor de Afrikaanse landbouwers.’

Mijn grote zorg is de overduidelijke tendens vandaag naar meer protectionisme, of noem het economisch nationalisme, in de wereld. Dat kan heel nadelig uitvallen voor de Afrikaanse landbouwers.

Nochtans stelt u zelf vast dat Afrikaanse economieën erg zwak geïntegreerd zijn in de internationale markten. Is dat nieuwe protectionisme dan niet eerder een probleem voor de rijke landen uit het Noorden en de opkomende landen uit Azië?

Mukhisa Kituyi: Als er in het Noorden meer belemmeringen komen voor de invoer uit andere continenten, dan betekent dat in de eerste plaats al dat de groeikansen voor Afrikaanse handel -die juist enorm zijn gezien de lage vertrekpositie vandaag- ook afgeremd worden. Anderzijds zou dat negatieve vooruitzicht ons ertoe moeten aanzetten om veel meer in te zetten op handel onder Afrikaanse landen, want daar zit eigenlijk het grootste potentieel.

Het probleem is dat economisch nationalisme ook in Afrika al sterk aanwezig is, ondanks de groei van regionale handelsblokken. De Tanzaniaanse regering heeft bijvoorbeeld al meermaals de export van maïs naar Kenia opgeschort omdat er in eigen land een tekort dreigde. Op die manier kan je moeilijk spreken van een gemeenschappelijke markt. Die politieke tussenkomsten verstoren de geest van regionale integratie.

Daarnaast vormen de bureaucratische lasten voor grensoverschrijdende handel wellicht nog de grootste belemmering. Aan de grens tussen Oeganda en Congo moet je vaak eerst een heleboel Engelstalige formulieren invullen, waarna je enkele tientallen meter verder opnieuw aan een gelijkaardige papierwinkel kan beginnen, maar ditmaal in het Frans. Stel je voor wat een vooruitgang het zou zijn als er één douanekantoor zou zijn, met taalondersteuning voor iedereen. En dan hebben we het nog niet over de politieke en administratieve wil om handel mogelijk te maken of te stimuleren.

© Gie Goris

Mukhisa Kituyi:De opdracht vandaag is de koloniale infrastructuur te vervangen door een productieve en geïntegreerde infrastructuur.’

Hoe verklaart u het gebrek aan politieke wil?

Mukhisa Kituyi: In het decennium van Afrikaanse onafhankelijkheid was er veel enthousiasme voor het panafrikaanse ideaal van toenmalig Ghanees president Kwame Nkhruma. Maar die retoriek werd snel ingeruild voor heel bekrompen nationalisme. Verdediging tegen de belangen van de buren werd belangrijker dan samenwerking, en het geloof in de nationale zelfredzaamheid verving de overtuiging dat Afrika maar groot kon worden als het één zou worden.

Vandaag groeit het besef dat de slechte economische en sociale prestaties van Afrika de voorbije vijftig jaar voor een goed deel te wijten zijn aan de hoge psychologische en nationale barrières. Al moet je ook erkennen dat het gebrek aan regionale handel ook alles te maken heeft met de koloniale infrastructuur, die niet bedoeld was om Afrika onderling te verbinden, maar om de export naar de koloniale centra te vergemakkelijken.

De spoorlijnen voeren van de kopermijnen naar de havensteden, de wegen lopen van de plantages naar dezelfde havens, niet naar industriële centra in eigen land of de buurlanden, of naar de belangrijkste markten die vlakbij liggen. De opdracht vandaag is dan ook die koloniale infrastructuur te vervangen door een productieve en geïntegreerde infrastructuur.

‘Er is meer meerwaarde in de handel tussen Afrika en de EU dan in de handel van Afrika met China.’

Afrika heeft al vijftig jaar gehad om te investeren in die integrerende infrastructuur. Waarom gebeurde dat niet?

Mukhisa Kituyi: Er werd geen prioriteit aan gegeven, gecombineerd met gebrek aan middelen. Maar de afgelopen jaren zijn de investeringen in wegen, havens en spoorwegen enorm toegenomen, onder andere dankzij de grotere investeringen vanuit andere Afrikaanse landen en voordelige leningen die China hiervoor ter beschikking stelt.

Vervangen de Chinese investeringen de vroegere ontwikkelingsmiddelen vanuit Europa?

Mukhisa Kituyi: De Chinese investeringen zijn geen ontwikkelingsmiddelen, maar zakelijke overeenkomsten -weliswaar tegen zeer concurrentiële voorwaarden. Anderzijds is de relatie met de EU ook meer een handelsrelatie dan een hulprelatie. Er is meer meerwaarde in de handel tussen Afrika en de EU dan in de handel van Afrika met China.

Er is dus geen reden waarom Afrika voor de ene of de andere relatie zou moeten kiezen. Waar Afrikaanse landen wél op moeten letten, is dat hun handelsrelatie met nieuwe en opkomende markten hun eigen industrialisering niet onderuit haalt door een tsunami aan goedkope producten.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Hoofdredacteur

    Gie Goris is hoofdredacteur MO* en MO.be. Hij publiceerde de voorbije jaren vooral rond de regio Afghanistan, Pakistan en India