De boeman van de asielzoekers

Negen maanden na de federale verkiezingen, heeft Patrick Dewael nog niemand aangeduid om Pascal Smet als commissaris-generaal voor vluchtelingen en staatlozen op te volgen. Er is zelfs nog geen vacature uitgeschreven. De werking van het Commissariaat-Generaal (CGVS) kan nochtans bijsturing gebruiken, vinden vluchtelingenorganisaties. Zij ijveren vooral voor meer openheid van de asielinstantie.
CGVS is de tweede schakel in de asielprocedure. Asielaanvragers komen hier terecht nadat ze van de Dienst Vreemdelingenzaken een ontvankelijkheidsverklaring hebben gekregen. De taak van het CGVS is na te gaan of het verhaal van de asielaanvrager klopt met de realiteit. Op basis van onafhankelijk en fundamenteel onderzoek wordt daarna beslist de asielzoeker al dan niet erkenning tot verblijf te verlenen. De dienst kan daarvoor een beroep doen op 460 werknemers. Toch twijfelt Pieter Degryse van de vluchtelingenorganisatie OCIV, of het CGVS voldoende tijd neemt om de situatie in herkomstlanden van asielaanvragers correct in te schatten en of de dienst voldoende onafhankelijke informatiebronnen aanboort.

Geheime rapporten


Onterechte twijfels, zegt Dirk Van den Bulck, ad-interim commissaris-generaal: ‘Wanneer de mensen van onze documentatiedienst, CEDOCA, ter plaatse gaan om lokale rapporten op te stellen, kloppen ze niet enkel bij officiële contactpersonen aan. Hun informatiebronnen zijn heel divers: advocaten, lokale en internationale ngo’s als Human Rights Watch en Amnesty International, journalisten, religieuze leiders, noem maar op.’
OCIV wil dat wel geloven, maar vindt het onaanvaardbaar dat deze rapporten, die toch ondersteuning leveren in de beoordeling van een dossier, niet ingezien kunnen worden. ‘We eisen uiteraard geen volledige openbaarheid van die rapporten, maar een tussenoplossing moet mogelijk zijn. Nu hebben we helemaal geen controle over de inhoud’, aldus Degryse. ‘Bovendien is het dikwijls heel onduidelijk waarom een asielaanvraag is geweigerd, of een bepaald papier als vals bestempeld’, vult Eva Berghmans van Amnesty International aan.
Volgens Van den Bulck hebben ngo’s een te fragmentarisch zicht op het werk van de asieldiensten en wringt daar het schoentje. ‘Het is niet onze opdracht om algemene rapporten te schrijven, wel om beslissingen in individuele dossiers te nemen, aan de hand van heel precieze gegevens. Wanneer we een dossier weigeren, dan motiveren we dat nauwkeurig. Elke nota waarnaar we verwijzen, belandt in het dossier. De betrokken asielaanvrager en zijn advocaat hebben hierin volledige inzage en kunnen een exacte kopie krijgen. Ook als we een ingeleverd papier als vals beschouwen, communiceren we duidelijk waarom we het niet aanvaarden. Als iemand beweert dat hij werd opgepakt door de religieuze politie in Iran, trekken we bijvoorbeeld na of de rechtbank waarnaar hij verwijst zulke zaken wel behandelt. We doen daarvoor een beroep op verschillende vertrouwensadvocaten, en hun onafhankelijke adviezen moeten uiteraard gelijkluidend zijn.’
De rapporten van CEDOCA zijn in de eerste plaats voor intern gebruik, onder meer omdat de missies kaderen in het opbouwen van informatienetwerken, en om de bronnen te beschermen. Bovendien wil het CGVS voorkomen dat met het volledig vrijgeven van rapporten praktische informatie in de handen van bepaalde netwerken, bijvoorbeeld van mensenhandel, zou komen. ‘Maar in het geval we zo’n rapport gebruiken om een beslissing in een asieldossier te motiveren, plaatsen we wel delen van het rapport die van toepassing zijn in het dossier.’

Communicatie of frustratie


Tot grote frustratie van de mensen die achter de schermen van het asielbeleid werken, komt algemene informatie over de opvolging van asieldossiers niet of nauwelijks aan bod in de media. ‘Sommige journalisten stellen de manier waarop wij werken als te subjectief en te summier voor. Het lijkt soms alsof wij dossiers snel en zonder kwaliteit afhandelen. Ze beseffen niet half de ernst waarmee wij onze taak opnemen’, zegt Van den Bulck. ‘Of je leest al eens tussen de lijnen dat we met quota werken, vastgelegd per nationaliteit, en met onwrikbare lijstjes van veilige of onveilige herkomstlanden. Dat zou bijvoorbeeld met betrekking tot Iraniërs het geval geweest zijn, terwijl we de situatie in Iran echt wel als zeer ernstig en problematisch beschouwen. Maar het is niet zo dat ieder individu er vervolgd wordt. Je moet een duidelijk onderscheid maken tussen de algemene situatie van een land en de individuele situatie van een persoon.’
De asielthema’s die de pers halen, zijn meestal emotioneel geladen dossiers en spectaculaire acties. Maar de negatieve beeldvorming over het asielbeleid heeft misschien ook te maken met het stilzwijgen vanwege Binnenlandse Zaken. Patrick Dewael organiseerde een applausje voor zichzelf in verband met de verdere daling van asielcijfers en hij neemt een harde houding aan tegenover hongerstakende Iraniërs en Afghanen, maar verder blijft het vanuit de asielhoek op zijn kabinet opvallend stil. Daarmee lijkt hij de houding van de EU te volgen. Ook in de Unie doet men er alles aan om de prangende asielknopen die einde 2003 doorgehakt moesten worden, te omzeilen. Hete hangijzers als het bijkomend beschermend statuut voor oorlogsvluchtelingen en een eenvormig Europees asielbeleid werden vlijtig doorgeschoven naar mei 2004. De vluchtelingenorganisaties wijzen nochtans al jaren op de dringende noodzaak om de Conventie van Genève uit te breiden met een oorlogsstatuut voor vluchtelingen.

Juiste accenten


Ook Van den Bulck is voorstander van zo’n tijdelijk statuut en vindt dat België zijn asielbeleid beter moet afstemmen op de Europese richtlijnen. Maar het juiste antwoord op het asielvraagstuk ligt volgens hem niet bij de opvang van asielzoekers in het Westen, wel bij het vertrekpunt van de vluchtelingenproblematiek. Cijfers tonen aan dat maar een klein deel van de vluchtelingen die dringend bescherming nodig hebben in westerse landen terechtkomt. ‘Het zijn niet altijd de echte vluchtelingen die hier asiel krijgen, waarmee ik niet zeg dat onze basisprincipes voor vluchtelingenopvang moeten veranderen. Onze beoordeling is er in de eerste plaats op gericht om bescherming te bieden aan personen die dat nodig hebben, ongeacht de economische realiteit. Of het nu gegoede Congolezen zijn die zich een duur enkeltje richting België kunnen permitteren of arme Afghanen.’
De behoefte aan bescherming voor vluchtelingen ligt volgens het CGVS dus buiten België en Europa, in de landen of regio’s van herkomst. De VN-vluchtelingenorganisatie, UNHCR, doet daar al langer onderzoek naar. Het door Hoog Commissaris Lubbers’ gelanceerde initiatief Conventie Plus bevat een aantal aanvullende maatregelen voor de Conventie van Genève. Dit plan moet een juist evenwicht realiseren tussen de migratiestop naar het Westen en de noodzaak van betere opvang en bijkomende bescherming voor vluchtelingen in hun eigen herkomstregio. België kende ondertussen, in dit kader, al bijkomende middelen toe aan het UNHCR.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2945   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift